202305999/1/R3.
Datum uitspraak: 18 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante], gevestigd in [plaats],
appellante,
en
de raad van de gemeente Coevorden,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 11 juli 2023 heeft de raad het bestemmingsplan "De Nieuwe Veste" vastgesteld.
Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 9 december 2025, waar de raad, vertegenwoordigd door M.A. Wijnands-Veninga, vergezeld door [persoon], is verschenen. [appellante], vertegenwoordigd door mr. I.M.C. van Leeuwen, advocaat in Arnhem, en [appellante], is digitaal verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 17 maart 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Toetsingskader
2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
Inleiding
3. Het plan voorziet in de nieuwbouw en verplaatsing van de middelbare school De Nieuwe Veste naar het bedrijventerrein Holwert-Midden in Coevorden. Een deel van dat bedrijventerrein valt binnen het plangebied. Om de ontwikkeling mogelijk te maken worden de planologisch toegestane milieucategorieën van een deel van de omliggende bedrijfspercelen afgewaardeerd. Verder zullen voor de bouw van de middelbare school de bedrijfsgebouwen aan de [locatie 1], [locatie 2], [locatie 3] en [locatie 4] in Coevorden gesloopt worden. Die gronden hadden in het vorige plan de bestemming "Bedrijventerrein". In het plan dat nu voorligt is aan deze gronden hoofdzakelijk de bestemming "Maatschappelijk" toegekend.
4. [appellante] heeft een bedrijfsgebouw aan de [locatie 2]. Dit gebouw wordt voor een deel verhuurd en voor een deel gebruikt door [appellante] zelf. [appellante] is voornemens het pand te gaan gebruiken voor de opslag van levensmiddelen, waarvoor het pand is ingericht. [appellante] kan zich niet met het plan verenigen.
Beroepsgronden
Mag de school worden verplaatst?
5. [appellante] betoogt dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), omdat volgens haar geen sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik. In dat verband voert zij aan dat niet is onderkend dat de huidige locatie van De Nieuwe Veste aan de Van Heeckerenlaan als gevolg van de verhuizing onnodig leeg komt te staan. Op de zitting heeft [appellante] hierover toegelicht dat volgens haar de school ook op de huidige locatie had kunnen worden ingepast, zodat verhuizing niet nodig is en [appellante] haar pand kan behouden.
5.1. Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro luidt:
"De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien."
5.2. Met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is bedoeld uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening ongewenste leegstand te vermijden en zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren. De ladder voor duurzame verstedelijking is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen, maar zorgt ervoor dat de wens om een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk te maken met het toetsingskader van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro nadrukkelijk in de plantoelichting wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied en voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het bevoegd gezag, dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging over die ontwikkeling, moet beoordelen of het bereikte resultaat optimaal is.
5.3. In paragraaf 3.1.2 van de plantoelichting staat dat het huidige schoolgebouw aan de Van Heeckerenlaan is verouderd, kostbaar is in onderhoud en te groot is voor het krimpende aantal leerlingen. Daarnaast staat in die paragraaf dat op het bedrijventerrein Holwert de wens bestaat om het gebied te herontwikkelen en dat de school, naast het bieden van onderwijs aan veel leerlingen uit de gemeente, een belangrijke bijdrage levert aan de werkgelegenheid. Door de school te vestigen in het plangebied, kan in die behoeften worden voorzien. Verder staat in paragraaf 6.1 van de toelichting dat er financiële middelen beschikbaar zijn gesteld voor onder andere de sloop van het huidige schoolgebouw.
5.4. Gelet op wat hiervoor is overwogen heeft de raad de behoefte aan het schoolgebouw in de plantoelichting onderbouwd. [appellante] heeft de behoefte aan het schoolgebouw op zichzelf niet betwist. De Afdeling ziet daarom geen grond voor het oordeel dat de raad het plan in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro heeft vastgesteld.
Het betoog slaagt in zoverre niet.
5.5. Voor zover [appellante] betoogt dat de raad er vanwege haar belang bij het behoud van haar pand voor had moeten kiezen om de school op de huidige locatie in te passen, overweegt de Afdeling verder als volgt. Zoals hiervoor is overwogen, volgt uit de toelichting dat met het plan wordt voorzien in de behoefte om het bedrijventerrein te herontwikkelen. Daarnaast heeft de raad op de zitting toegelicht dat hij van belang acht dat het nieuwe schoolgebouw in de nabijheid van ondernemers in Coevorden wordt gevestigd om daarmee kruisbestuiving te bevorderen en dat hij waarde hecht aan de locatie naast het spoor zodat de school goed bereikbaar is. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad aan deze belangen redelijkerwijs een groter gewicht kunnen toekennen dan aan het belang van [appellante] bij het behoud van haar pand.
Het betoog slaagt in zoverre niet.
Kan het plan worden uitgevoerd?
6. [appellante] betoogt dat ten tijde van de vaststelling van het plan onvoldoende vaststond of en op welke manier de beoogde ontwikkeling zou worden gerealiseerd. In dat verband wijst zij erop dat in de plantoelichting staat dat de exacte locatie van de nieuwbouw nog niet bekend is. Daarnaast wijst zij op een raadsvoorstel van het college van 12 september 2023, waarin is voorgesteld om 500 m2 extra vloeroppervlakte toe te voegen aan het voorziene schoolgebouw. Hieruit volgt volgens haar dat bij de vaststelling van het plan de precieze omvang van het schoolgebouw dus nog niet vaststond. Gelet op de gevolgen van het plan voor [appellante], had de raad het plan volgens haar daarom nog niet mogen vaststellen. Daarnaast voert zij hierover aan dat voor de realisatie van het plan nog meerdere onroerende zaken moeten worden verworven. Volgens [appellante] is niet zeker dat dat gaat lukken. Daarbij wijst zij op het uitblijven van een serieus bod op haar eigen onroerende zaak, waarbij zelfs onder de WOZ-waarde is geboden. Verder heeft [appellante] op de zitting gewezen op raadsbrieven en raadsvergaderingen waaruit volgens haar volgt dat er na de vaststelling van het plan bij de raad twijfels zijn ontstaan over de kosten en de haalbaarheid van het plan. Ter illustratie heeft zij op de zitting gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 26 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3090.
6.1. Op grond van artikel 5.1 van de planregels zijn op de gronden met de bestemming "Maatschappelijk" onder andere educatieve voorzieningen toegestaan. Op grond van artikel 5.2, onder a, aanhef en onder 1, van de planregels moet het voorziene schoolgebouw binnen het bouwvlak worden gebouwd.
De Afdeling stelt vast dat op de verbeelding binnen de bestemming "Maatschappelijk" twee bouwvlakken zijn opgenomen. Een bouwvlak heeft een oppervlakte van ongeveer 500 m2. Het andere bouwvlak, waarin het perceel van [appellante] ligt, heeft een oppervlakte van ongeveer 7.600 m2. Uit paragraaf 7.2 van het Programma van Eisen, dat als bijlage 1 bij de plantoelichting zit, volgt een indicatie van de ruimtebehoefte van de footprint van het schoolgebouw van 4.500 m2. Uit de plantoelichting volgt dat het schoolgebouw een oppervlakte van minimaal 5.000 m2 zal krijgen.
6.2. De Afdeling ziet in wat [appellante] heeft aangevoerd over de exacte locatie en omvang van het schoolgebouw in het plangebied geen grond voor het oordeel dat de raad het plan redelijkerwijs niet op deze wijze heeft kunnen vaststellen. Dat het bouwvlak meer ruimte biedt dan wat er volgens de plantoelichting nodig is voor de bouw van de school en dus de precieze omvang en locatie van het schoolgebouw niet vaststaat, leidt niet tot dat oordeel. Daarvoor is van belang dat het perceel van [appellante] vanwege de ligging daarvan in het midden van het bouwvlak hoe dan ook nodig zal zijn voor verwezenlijking van de ontwikkeling.
In zoverre slaagt het betoog niet.
6.3. Over het betoog van [appellante] over de financiële uitvoerbaarheid overweegt de Afdeling verder als volgt.
Bij een beroep tegen een bestemmingsplan kan een betoog over de uitvoerbaarheid van dat plan, waaronder de financieel-economische uitvoerbaarheid, alleen leiden tot vernietiging van het bestreden besluit als de raad redelijkerwijs had moeten inzien dat het plan om financieel-economische of andere redenen op voorhand niet uitvoerbaar is.
De raad heeft toegelicht dat hij de benodigde financiële middelen aan het plan heeft toegekend, waaronder middelen voor de aankoop van de verschillende gronden die nodig zijn voor de realisatie van het plan. Dat volgt eveneens uit de plantoelichting. In wat [appellante] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen reden om daaraan te twijfelen. Dat er volgens haar een te laag bod is gedaan op haar gronden is daarvoor onvoldoende. Daaruit volgt namelijk niet dat er onvoldoende financiële middelen aan het plan zijn toegekend. Verder dateren de raadstukken waar [appellante] op heeft gewezen, wat daar verder ook van zij, van na de vaststelling van het bestemmingsplan zodat die alleen al daarom niet kunnen leiden tot het oordeel dat de raad op voorhand had moeten inzien dat het plan niet uitvoerbaar is. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich daarom redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat er geen redenen zijn waarom het plan op voorhand niet uitvoerbaar is.
Ook in zoverre slaagt het betoog niet
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond.
8. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Besselink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Buskermolen, griffier.
w.g. Besselink
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Buskermolen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2026
896-1157