ECLI:NL:RVS:2026:1533

ECLI:NL:RVS:2026:1533

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 18-03-2026
Datum publicatie 18-03-2026
Zaaknummer 202401910/1/R2
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 26 oktober 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Land van Cuijk [appellante A] & [appellante B] een last onder dwangsom opgelegd wegens het handelen in strijd met een verleende omgevingsvergunning. [appellante A] & [appellante B] exploiteren een pluimveehouderij op een perceel aan de [locatie] te Sint Anthonis. Op 26 juli 2010 is op grond van de Wet milieubeheer voor deze inrichting een revisievergunning verleend. Tijdens een controle op 13 november 2019 en een controle op 20 juni 2022 heeft het college geconstateerd dat vleeskuikens gedurende een ronde gemiddeld 6 weken aanwezig zijn in plaats van de volgens het college met de revisievergunning vergunde acht weken.

Uitspraak

202401910/1/R2.

Datum uitspraak: 18 maart 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Land van Cuijk,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost­-Brabant van 12 februari 2024 in zaak nr. 23/2023 in het geding tussen:

[appellante A] & [appellante B]

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 26 oktober 2022 heeft het college [appellante A] & [appellante B] een last onder dwangsom opgelegd wegens het handelen in strijd met een verleende omgevingsvergunning.

Bij besluit van 30 juni 2023 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

In haar uitspraak van 12 februari 2024 heeft de rechtbank het door [appellante A] & [appellante B] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 30 juni 2023 vernietigd, het besluit van 26 oktober 2022 herroepen en bepaald dat de uitspraak van de rechtbank in de plaats komt van het vernietigde besluit.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak op de zitting behandeld op 29 januari 2026, waar het college, vertegenwoordigd door mr. S.J.S. van Gils, mr. M. de Laat en H. van Baast, en [appellante A] & [appellante B], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat in Middelharnis, zijn verschenen.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en vóór dat tijdstip een last onder dwangsom is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, dan blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op die opgelegde last onder dwangsom en de invordering daarvan het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven.

Bij besluit van 26 oktober 2022 heeft het college aan [appellante A] & [appellante B] een last onder dwangsom opgelegd. Dat betekent dat in dit geval het recht, waaronder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo), zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.

Inleiding

2. [appellante A] & [appellante B] exploiteren een pluimveehouderij op een perceel aan de [locatie] te Sint Anthonis. Op 26 juli 2010 is op grond van de Wet milieubeheer voor deze inrichting een revisievergunning verleend.

Tijdens een controle op 13 november 2019 en een controle op 20 juni 2022 heeft het college geconstateerd dat vleeskuikens gedurende een ronde gemiddeld 6 weken aanwezig zijn in plaats van de volgens het college met de revisievergunning vergunde acht weken.

Het college heeft op 26 oktober 2022 een last onder dwangsom opgelegd wegens het handelen in strijd met de revisievergunning en artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo. Het gaat om een dwangsom van € 2.750,00 per geconstateerde overtreding met een maximum van € 16.500,00.

De uitspraak van de rechtbank

3. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college niet bevoegd was om handhavend op te treden. Daartoe heeft zij overwogen dat niet uit de vergunning volgt dat [appellante A] & [appellante B] tussen het begin van een ronde en de aanvoer van nieuwe dieren tenminste acht weken moet aanhouden. Daarom is er volgens de rechtbank geen overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo.

Het hoger beroep van het college

4. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er geen overtreding is. Het college voert hiertoe aan dat in de aanvraag om een revisievergunning is vermeld dat per acht weken de aan- en afvoer van dieren plaatsvindt. Ook uit bladzijde 2 van de akoestische onderbouwing, die ook onderdeel uitmaakt van de revisievergunning uit 2010, blijkt dat de aan- en afvoer per acht weken plaatsvindt. Een ronde vindt plaats van aanvoer tot aanvoer, waarbij volgens het college geldt dat er minstens acht weken tussen twee rondes moeten zitten. Tot slot wijst het college op voorschrift 5.1.4 van de revisievergunning, waarin is opgenomen dat het laden en lossen van dieren en het afvoeren van mest alleen mag gebeuren op de in de aanvraag gegeven tijdstippen.

4.1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen. De Afdeling neemt de motivering onder 5.2 tot en met 6 van de uitspraak van de rechtbank over. De Afdeling voegt hier aan toe dat het betoog van het college over voorschrift 5.1.4. niet tot een ander oordeel leidt. Dit voorschrift bepaalt dat het laden en lossen alleen mag gebeuren op de in de aanvraag gegeven tijdstippen. Ook hier volgt geen verplichting van een ronde van acht weken uit.

Conclusie

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Het college moet de proceskosten vergoeden.

7. Gelet op artikel 8:109, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt van het college griffierecht geheven.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Land van Cuijk tot vergoeding van bij [appellante A] & [appellante B] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. bepaalt dat van het college van burgemeester en wethouders van Land van Cuijk een griffierecht van € 559,00 wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. J. Gundelach, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F. Nales, griffier.

w.g. Gundelach

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Nales

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2026

680-1191

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. F. Nales

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?