ECLI:NL:RVS:2026:1538

ECLI:NL:RVS:2026:1538

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 18-03-2026
Datum publicatie 18-03-2026
Zaaknummer 202305299/1/R2
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 16 oktober 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Sint-MichielsgesteL aan [appellante] een omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM) verleend voor het wijzigen van een rundveehouderij op het perceel [locatie] te Berlicum naar een bedrijf waar 95 vleesstieren, 35 schapen, 324 vrouwelijk jongvee tot 2 jaar, 20 volwassen paarden tot 3 jaar en 9 dekberen worden gehouden. De OBM is verleend voor het verrichten van een andere activiteit die behoort tot een bij een algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wabo in samenhang gelezen met artikel 2.2a van het Besluit omgevingsrecht (het Bor).

Uitspraak

202305299/1/R2.

Datum uitspraak: 18 maart 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante, gevestigd in Berlicum, gemeente Sint-Michielsgestel,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost­-Brabant van 4 juli 2023 in zaak nr. 21/2292 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Sint-Michielsgestel.

Procesverloop

Bij besluit van 16 oktober 2020 heeft het college aan [appellante] een omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM) verleend voor het wijzigen van een rundveehouderij op het perceel [locatie] te Berlicum naar een bedrijf waar 95 vleesstieren, 35 schapen, 324 vrouwelijk jongvee tot 2 jaar, 20 volwassen paarden tot 3 jaar en 9 dekberen worden gehouden.

Bij afzonderlijke besluiten van 10 augustus 2021 heeft het college de door [partij A] en [partij B] (hierna samen en in enkelvoud: [partij A]) en [partij C] daartegen gemaakte bezwaren gegrond verklaard. Bij besluit van gelijke datum heeft het college alsnog geweigerd aan [appellante] de OBM te verlenen.

Bij uitspraak van 4 juli 2023 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 december 2025, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en M.J.P.M. van den Berg als deskundige, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.M. van der Heijden, bijgestaan door H. Gerlings, als deskundige, zijn verschenen.

Overwegingen

Vooraf

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (de Wabo).

De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 7 september 2020. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Inleiding

2. Bij het besluit van 16 oktober 2020 heeft het college aan [appellante] een omgevingsvergunning verleend voor het wijzigen van de inrichting op het perceel van een rundveehouderij naar een bedrijf waar 95 vleesstieren, 35 schapen, 324 vrouwelijk jongvee tot 2 jaar, 20 volwassen paarden tot 3 jaar en 9 dekberen worden gehouden.

De OBM is verleend voor het verrichten van een andere activiteit die behoort tot een bij een algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wabo in samenhang gelezen met artikel 2.2a van het Besluit omgevingsrecht (het Bor).

3. Bij besluiten van 10 augustus 2021 heeft het college, naar aanleiding van de bezwaren van [partij A] en [partij C] de omgevingsvergunning alsnog geweigerd. Uit het besluit volgt dat [appellante] op grond van artikel 2.7 van de Wabo ook een omgevingsvergunning had moeten vragen voor de activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo. Het college stelt zich op het standpunt dat de aanvraag in strijd is met het bestemmingsplan, omdat op het perceel volgens de planregels alleen een grondgebonden agrarisch bedrijf is toegestaan en het door [appellante] aangevraagde bedrijf volgens het college geen grondgebonden agrarisch bedrijf, als bedoeld in artikel 1.61 van de planregels, is.

Het college kwam bij de heroverweging in bezwaar ook tot de conclusie dat de verandering van de inrichting niet voldoet aan het vereiste in artikel 2.74 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (hierna: de IOV), welk artikel rechtstreeks werkend is. Het college kwalificeert het bedrijf als een hokdierhouderij en daarom had [appellante] een stalderingsbewijs nodig voor uitbreiding van het dieroppervlak, welk bewijs zij niet heeft.

4. De rechtbank heeft het door [appellante] tegen de besluiten van 10augustus 2021 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Beoordeling van het hoger beroep

5. [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het door haar beoogde bedrijf wel voldoet aan de definitie van grondgebonden agrarisch bedrijf als bedoeld in de planregels. Volgens haar overweegt de rechtbank ten onrechte dat het college het standpunt mocht innemen dat voor de beoordeling of een agrarisch bedrijf grondgebonden is, de totale voerbehoefte van de gehouden dieren moet worden beschouwd. Omdat er in dit geval vooral behoefte is aan ruwvoer, moet bij die beoordeling alleen de behoefte aan ruwvoer worden betrokken, aldus [appellante] Zij vindt steun voor deze uitleg in de uitspraak van de Afdeling van 4 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2611. Verder stelt zij zich op het standpunt dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen in het door [appellante] overgelegde document van 12 januari 2023 van Victoria Mengvoeders wel gemotiveerd is ingegaan op de conclusies uit het advies van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen (de AAB) van 15 juli 2021. Onder verwijzing naar de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling stelt [appellante] zich op het standpunt dat het college niet uit mocht gaan van dat advies, omdat de AAB zich in die zaak maar ook in de voorliggende zaak, gekleurd en partijdig toonde.

6.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het door [appellante] aangevraagde agrarisch bedrijf niet voldoet aan de definitie van grondgebonden agrarisch bedrijf als bedoeld in artikel 1.61 van de planregels. Daartoe wordt het volgende overwogen.

Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het college het standpunt mocht innemen dat voor de beoordeling of een agrarisch bedrijf grondgebonden is of niet, de totale voerbehoefte van de gehouden dieren moet worden beschouwd. De rechtbank heeft verder terecht overwogen dat de bepalingen in het bestemmingsplan geen aanleiding geven om bepaalde voersoorten wel en andere niet mee te nemen in de vaststelling of sprake van een grondgebonden agrarisch bedrijf als bedoeld in de planregels. In dat verband wordt verder verwezen naar overweging 5.4 van de uitspraak van de rechtbank waar de Afdeling zich bij aansluit. De door [appellante] aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 4 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2611, is geen grond voor een ander oordeel. Anders dan in de nu voorliggende zaak, was in de door [appellante] genoemde uitspraak de situatie aan de orde dat het college zich in de voorbereiding van het besluit steeds alleen had uitgelaten over de hoeveelheid ruwvoer, zonder in te gaan op de totale voerbehoefte. Uit die uitspraak volgt niet dat in alle gevallen alleen moet worden uitgegaan van de behoefte aan ruwvoer.

Zoals hiervoor is overwogen moet voor de beoordeling of het door [appellante] aangevraagde agrarisch bedrijf grondgebonden is of niet, de totale voerbehoefte van de te houden dieren worden beschouwd. Uit het advies van de AAB van 15 juli 2021 volgt dat, gelet op de door [appellante] ingediende aanvraag, het agrarische bedrijf niet voor minimaal 50% van de totale voerbehoefte voor het aangevraagde aantal te houden dieren kan voorzien vanuit de opbrengst van onbebouwde grond in de directe omgeving van het bedrijf. In het door [appellante] aangevoerde wordt geen grond gevonden voor het oordeel dat het college niet van het advies van de AAB mocht uitgaan. Het door [appellante] in beroep overgelegde stuk van Victoria Mengvoeders B.V. geeft geen grond voor het oordeel dat het agrarisch bedrijf wel kan voorzien in minimaal 50% van de totale voerbehoefte. Door de AAB is bij brief van 2 februari 2023 gereageerd op dit stuk en daaruit volgt de conclusie dat het bedrijf onder optimale omstandigheden 36,07% van het benodigde veevoer kan produceren. Door [appellante] zijn geen stukken overgelegd waaruit volgt dat het bedrijf wel minimaal 50% van de totale voerbehoefte kan produceren. Door de door [appellante] naar de zitting meegebrachte deskundige M.P.J.M. van den Berg is op de zitting desgevraagd bevestigd dat als wordt uitgegaan van de totale voerbehoefte het door [appellante] aangevraagde bedrijf niet kan voorzien in minimaal 50%.

De rechtbank heeft daarom terecht overwogen dat het door [appellante] beoogde bedrijf geen grondgebonden bedrijf is als bedoeld in de planregels.

Het betoog slaagt niet.

Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant

6. [appellante] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat haar beoogde bedrijfsvoering is aan te merken als een hokdierhouderij als bedoeld in artikel 1.1 van de IOV, omdat mede vleesstieren en dekberen worden gehouden. Zij wijst erop dat analoog aan de melkrundveehouderij en schapenhouderij overwegend vrouwelijk jongvee en schapen worden gehouden. Het aantal vleesstieren en dekberen is daaraan ondergeschikt, omdat het in hoofdzaak gaat om het houden van jongvee en schapen. Verder wijst zij erop dat de in de definitie van hokdieren genoemde bedrijven te beperkt zijn, omdat het evident is dat het houden van paarden niet kwalificeert als hokdierhouderij.

6.1. Wat in zoverre door [appellante] in hoger beroep is aangevoerd komt in de kern neer op een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die grond ingegaan. De Afdeling ziet in wat door haar in hoger beroep is aangevoerd, geen aanleiding om anders te oordelen dan wat de rechtbank heeft gedaan. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 7.2 tot en met 7.4 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

8. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.D. Kamphorst-Timmer, griffier.

w.g. Van Gastel

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Kamphorst-Timmer

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2026

776

BIJLAGE

Bestemmingsplan Buitengebied Sint- Michielsgestel 2e actualisatie

Artikel 1.61

Grondgebonden agrarisch bedrijf:

een agrarisch bedrijf waarvan de productie geheel of in overwegende mate afhankelijk is van het voortbrengend vermogen van onbebouwde grond in de directe omgeving van het bedrijf. Grondgebonden bedrijven zijn in ieder geval: akkerbouw-, fruitteelt- en vollegrondstuinbouwbedrijven en boomteeltbedrijven, waarvan de bomen overwegend rechtstreeks in de grond zijn geplant eventueel in combinatie met teeltondersteunende voorzieningen. Melkveebedrijven zijn ook grondgebonden, tenzij het een intensieve veehouderij betreft.

Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant

Artikel 1.1

(…)

hokdierhouderij

veehouderij met uitzondering van de nertsenhouderij, melkrundveehouderij en schapenhouderij;

(…).

Artikel 2.74 Stalderen

6.1. Tot het tijdstip dat een bestemmingsplan in overeenstemming is met Artikel 3.52 Aanvullende regels stalderen geldt, gelet op artikel 4.1, derde lid, Wet ruimtelijke ordening, voor een hokdierhouderij gevestigd binnen Stalderingsgebied, dat een toename van de bestaande oppervlakte dierenverblijf voor hokdieren binnen een bouwperceel door de bouw van een dierenverblijf voor hokdieren of het in gebruik nemen van een aanwezig gebouw als dierenverblijf voor hokdieren is verboden.

2. Het verbod bedoeld in het eerste lid geldt niet als bij de aanvraag voor de bouw van een dierenverblijf of een gebruikswijziging naar dierenverblijf bewijs is overlegd dat:

a. binnen het stalderingsgebied dierenverblijf van een hokdierhouderij is gesaneerd door sloop of herbestemming waarbij het gebruik als dierenverblijf juridisch en feitelijk is beëindigd;

b. de te saneren oppervlakte dierenverblijf voor hokdieren bedraagt:

1. ingeval van sloop, tenminste 120% van de oppervlakte die wordt opgericht of in gebruik wordt genomen;

2. ingeval van herbestemming, ten minste 200% van de oppervlakte die wordt opgericht of in gebruik wordt genomen;

c. voor de sanering geen gebruik is gemaakt van een provinciale saneringsregeling.

3. Als bestaande oppervlakte dierenverblijf geldt de oppervlakte die:

a. op 17 maart 2017 legaal aanwezig was; of

b. mag worden gebouwd krachtens een vóór 17 maart 2017 verleende omgevingsvergunning.

4. Voor de toepassing van dit artikel geldt als dierenverblijf het gebouw, inclusief inpandige voorzieningen, dat gebruikt mag worden voor het houden van hokdieren krachtens een omgevingsvergunning milieu, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder e, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of de omgevingsvergunning beperkte milieutoets, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder i, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of melding, bedoeld in artikel 1.10 Activiteitenbesluit milieubeheer.

5. Het te saneren dierenverblijf bedoeld in het tweede lid onder a. voldoet aan de volgende voorwaarden:

a. het betreft een legaal opgericht dierenverblijf;

b. het dierenverblijf is voorafgaand aan 17 maart 2017 drie jaar onafgebroken bedrijfsmatig gebruikt voor het houden van hokdieren.

6. Het bewijs dat aan de voorwaarden van het tweede lid is voldaan, wordt uitgegeven door of namens gedeputeerde staten.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?