ECLI:NL:RVS:2026:1539

ECLI:NL:RVS:2026:1539

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 18-03-2026
Datum publicatie 18-03-2026
Zaaknummer 202505814/1/A2
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig

Samenvatting

Bij beslissing van 21 augustus 2025 heeft de BSA-commissie, namens de decaan van de Faculteit der Geesteswetenschappen, een negatief bindend studieadvies (NBSA) uitgebracht aan [appellante]. [appellante] is een Marokkaans staatsburger en zij is in het studiejaar 2023-2024 begonnen aan de bacheloropleiding Media en Cultuur aan de Universiteit van Amsterdam (UvA). Zij heeft in dat studiejaar 36 ECTS gehaald en heeft daarmee niet voldaan aan de BSA-norm van 48 ECTS. De BSA-commissie heeft haar toen uitstel van het BSA gegeven omdat zij is gediagnosticeerd met ADHD. De BSA-commissie heeft daarbij medegedeeld dat [appellante] in het daaropvolgende studiejaar 2024-2025 de resterende 24 ECTS van het eerste jaar moet halen voor haar BSA. [appellante] heeft in dat studiejaar vervolgens 0 ECTS aan eerstejaarsvakken gehaald. Zij heeft wel 30 ECTS aan tweedejaarsvakken gehaald. De BSA-commissie heeft bij beslissing van 21 augustus 2025 een NBSA uitgebracht.

Uitspraak

202505814/1/A2.

Datum uitspraak: 18 maart 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend in [woonplaats],

appellante,

en

het college van beroep voor de examens van de Universiteit van Amsterdam (CBE),

verweerder.

Procesverloop

Bij beslissing van 21 augustus 2025 heeft de BSA-commissie, namens de decaan van de Faculteit der Geesteswetenschappen, een negatief bindend studieadvies (NBSA) uitgebracht aan [appellante].

Bij beslissing van 10 oktober 2025 heeft het CBE het door [appellante] daartegen ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze beslissing heeft [appellante] beroep ingesteld.

Het CBE heeft een verweerschrift ingediend.

Het CBE heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 27 januari 2026, waar [appellante], bijgestaan door mr. R. Verspaandonk, advocaat in Den Haag, en het CBE, vertegenwoordigd door A. van der Weerd-Kramer LLB en dr. V.V. Stissi, zijn verschenen.

Overwegingen

Regelgeving

1. De relevante regelgeving is opgenomen in de bijlage van deze uitspraak.

Besluitvorming

2. [appellante] is een Marokkaans staatsburger en zij is in het studiejaar 2023-2024 begonnen aan de bacheloropleiding Media en Cultuur aan de Universiteit van Amsterdam (UvA). Zij heeft in dat studiejaar 36 ECTS gehaald en heeft daarmee niet voldaan aan de BSA-norm van 48 ECTS. De BSA-commissie heeft haar toen uitstel van het BSA gegeven omdat zij is gediagnosticeerd met ADHD. De BSA-commissie heeft daarbij medegedeeld dat [appellante] in het daaropvolgende studiejaar 2024-2025 de resterende 24 ECTS van het eerste jaar moet halen voor haar BSA. [appellante] heeft in dat studiejaar vervolgens 0 ECTS aan eerstejaarsvakken gehaald. Zij heeft wel 30 ECTS aan tweedejaarsvakken gehaald. De BSA-commissie heeft bij beslissing van 21 augustus 2025 een NBSA uitgebracht.

3. [appellante] heeft aangevoerd dat sprake is van persoonlijke omstandigheden als bedoeld in artikel 7.8b, derde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (Whw), omdat zij aanzienlijke bijwerkingen heeft ondervonden van medicatie die zij inneemt ter behandeling van ADHD. In zijn beslissing van 10 oktober 2025 heeft het CBE geconcludeerd dat, hoewel het aannemelijk is dat de gestelde persoonlijke omstandigheden van [appellante] in enige mate van invloed kunnen zijn geweest op de studieresultaten, geen sprake is van zwaarwegende persoonlijke omstandigheden die voldoende aanleiding geven voor uitstel van de BSA-norm. Hiervoor heeft [appellante] onvoldoende bewijs geleverd. Daarnaast heeft [appellante] niet tijdig melding gedaan van persoonlijke omstandigheden aan de studieadviseur. Verder heeft [appellante] adviezen van de studieadviseur niet opgevolgd en is zij onvoldoende in contact gebleven met de studieadviseur. Het CBE heeft daarom het administratief beroep ongegrond verklaard.

Beroep

E-mail van 21 augustus 2025

4. In beroep betoogt [appellante] dat het CBE ten onrechte heeft aangenomen dat de beslissing van 21 augustus 2025 een NBSA is. Het gaat om een e-mail van de BSA-commissie waarin haar verzoek om uitstel van een voorgenomen beslissing over het NBSA is afgewezen. Het is volgens [appellante] niet duidelijk wat daarvan het rechtsgevolg is.

4.1. In de e-mail van 21 augustus 2025 staat: "[…] (i) You did not meet the requirement of obtaining the last 24 ECTS of the propaedeutic year and (ii) failed to contact the study advisor. Unfortunately, the negative binding recommendation regarding the continuation of your studies is being upheld. This means that you will be unable to (re-)enrol for the new academic year of the programme B Media en Cultuur. […]"

4.2. De Afdeling is van oordeel dat hiermee aan [appellante] een NBSA is uitgebracht. In de beslissing staat namelijk dat [appellante] niet verder kan met de studie omdat zij de BSA-norm niet heeft behaald. Verder is onderaan de e-mail een rechtsmiddelenclausule opgenomen, waarin staat dat [appellante] in administratief beroep kan komen bij het CBE. Uit het dossier en het administratief beroepschrift van 23 augustus 2025 blijkt ook dat [appellante] begrepen heeft dat zij niet verder kan met de studie. In de e-mail van 21 augustus 2025 is verder opgenomen dat de beslissing namens de decaan is genomen.

4.3. Het betoog slaagt niet.

Persoonlijke omstandigheden

5. [appellante] betoogt verder dat de BSA-commissie dan wel het CBE verplicht waren om een advies van de studieadviseur te vragen over haar persoonlijke omstandigheden. Uit haar overgelegde stukken blijkt dat sprake is geweest van verkeerd ingeregelde medicatie voor de behandeling van ADHD. Als gevolg daarvan had zij last van onder meer paniekaanvallen en depressie. Het CBE had deze omstandigheden zwaarder moeten wegen en moeten aannemen dat sprake is van een causaal verband met de studieresultaten. Wegens haar persoonlijke omstandigheden kon haar geschiktheid voor de studie verder niet beoordeeld worden. Verder stelt [appellante] zich op het standpunt dat er onevenredige gevolgen van de beslissing zijn, omdat zij het hoge instellingscollegegeldtarief betaalt en omdat een NBSA betekent dat zij niet verder kan met een studie in Nederland.

5.1. Een hoger onderwijsinstelling kan op grond van het bepaalde in artikel 7.8b, derde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (Whw) slechts een bindend negatief studieadvies aan een student geven, indien de student met inachtneming van zijn persoonlijke omstandigheden niet geschikt moet worden geacht voor de opleiding doordat zijn studieresultaten niet voldoen aan de vereisten die daarover zijn gesteld. Volgens vaste rechtspraak is voor het in een concreet geval aannemen van ongeschiktheid voor de opleiding een op de persoon toegesneden beoordeling door het instellingsbestuur noodzakelijk (zie onder meer de uitspraak van 15 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1023, r.o. 2.1).

5.2. In zijn verweerschrift heeft het CBE toegelicht dat de studieadviseur advies heeft uitgebracht over het bindend studieadvies van [appellante]. Het advies van de studieadviseur ontbrak in het dossier van het beroep en het dossier van het administratief beroep. Op verzoek van de Afdeling heeft het CBE dit advies alsnog ingediend op 19 januari 2026. In het advies van 28 augustus 2025, dus van na de beslissing van de BSA-commissie, is onder meer opgenomen dat [appellante] besprekingen met de studieadviseur had op 23 december 2024 en op 25 februari 2025. Verder staat daarin: "Advies studieadviseur: niet steunen. Staat niet heringeschreven, geen contact meer gehad na februari."

5.3. Het advies van de studieadviseur is niet kenbaar betrokken in de beslissing van het CBE, noch heeft het CBE een kopie daarvan verstrekt aan [appellante]. Het is de Afdeling daarom onduidelijk welke betekenis volgens het CBE toekomt aan het advies. Ook kon [appellante] zich niet tegen dit advies verweren in administratief beroep. In zijn beslissing heeft het CBE verder geconcludeerd dat de persoonlijke omstandigheden van [appellante] niet zwaarwegend genoeg zijn voor uitstel van de BSA-voortgangsnorm. Het CBE is echter niet concreet ingegaan op de persoonlijke omstandigheden en heeft niet gemotiveerd waarom die niet zwaarwegend genoeg zijn. Hoewel het CBE op de zitting van de Afdeling heeft verklaard dat de persoonlijke omstandigheden bij hem bekend waren, had het op zijn weg gelegen om daarnaar meer onderzoek te doen. Op de zitting van de Afdeling is namelijk onder meer gebleken dat [appellante] vooral in het tweede semester veel last had van persoonlijke omstandigheden. Volgens [appellante] werden de nog openstaande eerstejaarsvakken met name in het tweede semester aangeboden. Ook stelt zij dat zij wegens de persoonlijke omstandigheden niet aanwezig kon zijn bij het onderwijs, terwijl er voor meerdere eerstejaarsvakken een aanwezigheidsverplichting gold. Als gevolg daarvan kon zij die vakken niet behalen. Voor de tweedejaarsvakken die zij wel heeft behaald, gold volgens [appellante] geen aanwezigheidsverplichting. Het CBE heeft al het voorgaande niet meegewogen in zijn beslissing. Ook is het CBE, in het kader van de toepassing van de hardheidclausule, niet ingegaan op de volgens [appellante] onevenredige gevolgen van het NBSA. Naar het oordeel van de Afdeling is de beoordeling van de geschiktheid van [appellante] daarom onvolledig geweest.

5.4. Wegens deze gebreken in de voorbereiding en de motivering van de beslissing, is de Afdeling van oordeel dat de beslissing in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel is genomen. Het betoog slaagt.

Conclusie

6. Het beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de beslissing van het CBE van 10 oktober 2025. De Afdeling draagt het CBE op om binnen zes weken na deze uitspraak een nieuwe beslissing op het administratief beroep te nemen. Het CBE moet, met inachtneming van de overwegingen van deze uitspraak onder 5.1-5.3, zorgvuldig onderzoek doen en zijn nieuwe beslissing op grond daarvan deugdelijk motiveren.

7. Het CBE moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt de beslissing van het college van beroep voor de examens van de Universiteit van Amsterdam van 10 oktober 2025, kenmerk 2025-128191;

III. draagt het college van beroep voor de examens van de Universiteit van Amsterdam op om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het administratief beroep te nemen, met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen;

IV. veroordeelt het college van beroep voor de examens van de Universiteit van Amsterdam in de door [appellante] in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. gelast dat het college van beroep voor de examens van de Universiteit van Amsterdam het door [appellante] betaalde griffierecht van € 53,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, voorzitter, en mr. G.T.J.M. Jurgens en mr. A.B. Blomberg, leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.

w.g. Wissels

voorzitter

w.g. Van Loon

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2026

284-1100

Bijlage - Regelgeving

Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek

Artikel 7.8b. Studieadvies propedeutische fase

1. Het instellingsbestuur van een bekostigde universiteit, hogeschool of levensbeschouwelijke universiteit brengt iedere student uiterlijk aan het einde van diens eerste jaar van inschrijving voor de propedeutische fase van een voltijdse of duale associate degree-opleiding of bacheloropleiding advies uit over de voortzetting van zijn studie binnen of buiten de associate degree-opleiding of de bacheloropleiding. In geval van een deeltijdse associate degree-opleiding of bacheloropleiding regelt het instellingsbestuur het tijdstip waarop dat advies wordt uitgebracht.

2. Onverminderd het eerste lid kan het instellingsbestuur het advies aan de student uitbrengen zolang deze het propedeutisch examen niet met goed gevolg heeft afgelegd.

3. Aan een advies als bedoeld in het eerste of tweede lid kan het instellingsbestuur ten aanzien van opleidingen die daartoe door het instellingsbestuur zijn aangewezen, binnen het in het tweede lid bedoelde tijdvak, doch niet eerder dan tegen het einde van het eerste jaar van inschrijving, een afwijzing verbinden. Deze afwijzing kan slechts worden gegeven, indien de student naar het oordeel van het instellingsbestuur, met inachtneming van zijn persoonlijke omstandigheden, niet geschikt moet worden geacht voor de opleiding, doordat zijn studieresultaten niet voldoen aan de vereisten die het bestuur daaromtrent heeft vastgesteld. Het instellingsbestuur kan aan de afwijzing een termijn verbinden. Het instellingsbestuur kan de afwijzing uitstrekken tot opleidingen die met de desbetreffende opleiding het propedeutisch examen gemeen hebben. Het instellingsbestuur kan van de bevoegdheid krachtens dit lid slechts gebruikmaken, indien het in de propedeutische fase van de desbetreffende opleiding zorgt voor zodanige voorzieningen dat de mogelijkheden voor goede studievoortgang zijn gewaarborgd.

4. Voordat het instellingsbestuur tot afwijzing overgaat, geeft het de desbetreffende student een waarschuwing onder bepaling van een redelijke termijn waarbinnen de studieresultaten ten genoegen van dat bestuur moeten zijn verbeterd. Het instellingsbestuur stelt de student alvorens tot een afwijzing over te gaan in de gelegenheid te worden gehoord.

5. Van de student die op grond van het derde lid is afgewezen, wordt de inschrijving voor de desbetreffende opleiding aan de betrokken instelling beëindigd. De student kan niet opnieuw aan die instelling voor die opleiding worden ingeschreven, tenzij het instellingsbestuur toepassing heeft gegeven aan de derde volzin van het derde lid of tenzij de betrokkene op een later tijdstip verzoekt om te worden ingeschreven voor de desbetreffende opleiding en daarbij ten genoegen van het instellingsbestuur aannemelijk maakt dat hij die opleiding met vrucht zal kunnen volgen.

6. Het instellingsbestuur stelt ter uitvoering van de voorgaande leden nadere regels vast. Deze regels hebben in elk geval betrekking op de studieresultaten en de voorzieningen, bedoeld in het derde lid, alsmede op de termijn, bedoeld in het vierde lid.

7. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke persoonlijke omstandigheden, bedoeld in het derde lid, het instellingsbestuur in zijn beoordeling betrekt.

8. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder «propedeutische fase» mede begrepen de eerste periode in een associate degree-opleiding of een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs met een studielast van 60 studiepunten. Voor de toepassing van dit artikel worden onder «propedeutisch examen» mede begrepen de tentamens, verbonden aan onderwijseenheden in de eerste periode in een associate degree-opleiding of een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs met een gezamenlijke studielast van 60 studiepunten.

Uitvoeringsbesluit WHW 2008

Artikel 2.1 Persoonlijke omstandigheden bij bindend studieadvies en verwijzing naar afstudeerrichting

1. De persoonlijke omstandigheden bedoeld in de artikelen 7.8b, derde lid, en 7.9, derde lid, van de wet, zijn:

a. ziekte van betrokkene,

b. lichamelijke, zintuiglijke of andere functiestoornis van betrokkene,

c. zwangerschap van betrokkene,

d. bijzondere familie-omstandigheden,

e. het lidmaatschap, daaronder begrepen het voorzitterschap, van:

1. bij universiteiten: de universiteitsraad, faculteitsraad, het orgaan dat is ingesteld op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in artikel 9.30, derde lid, onderscheidenlijk artikel 9.51, tweede lid, van de wet, het bestuur van een opleiding of de opleidingscommissie, alsmede het lidmaatschap van het bestuur van een stichting die blijkens haar statuten tot doel heeft de exploitatie van voorzieningen, behorende tot de studentenvoorzieningen, dan wel van een daarmee naar het oordeel van het instellingsbestuur gelet op de taak gelijk te stellen orgaan,

2. bij hogescholen: de medezeggenschapsraad, deelraad, studentencommissie of opleidingscommissie,

f. andere in de regelingen, bedoeld in de artikelen 7.8b, zesde lid, en 7.9, vijfde lid, van de wet door het instellingsbestuur aan te geven omstandigheden waarin betrokkene activiteiten ontplooit in het kader van de organisatie en het bestuur van de zaken van de instelling,

g. het lidmaatschap van het bestuur van een studentenorganisatie van enige omvang met volledige rechtsbevoegdheid, dan wel van een vergelijkbare organisatie van enige omvang, bij wie de behartiging van het algemeen maatschappelijk belang op de voorgrond staat en die daartoe daadwerkelijk activiteiten ontplooit,

h. andere in de onderwijs- en examenregeling, bedoeld in artikel 7.13 van de wet, op grond van artikel 7.13, tweede lid, onderdeel f, van de wet, vast te leggen persoonlijke omstandigheden,

i. andere dan in de onderdelen a tot en met h bedoelde persoonlijke omstandigheden die, indien zij door het instellingsbestuur niet in de beoordeling zouden worden betrokken, zouden leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

[…]

Onderwijs- en examenregeling voor de bacheloropleidingen van de Faculteit der Geesteswetenschappen Studiejaar 2023-2024

Artikel A6.4 Bindend studieadvies propedeuse voltijdstudent

1. Na afloop van het tweede semester wordt aan alle studenten een studieadvies verstrekt over de voortzetting van de opleiding. Aan dit studieadvies wordt een afwijzing met een bindend karakter verbonden indien de student minder dan 48 studiepunten heeft behaald.

2. Zo spoedig mogelijk na afloop van de herkansingen van het tweede semester ontvangt de student een schriftelijk bericht waarin de decaan aangeeft of er een definitief positief bindend studieadvies verstrekt zal worden of dat er het voornemen is een negatief bindend studieadvies te verstrekken. Dezelfde procedure geldt in het volgende jaar van inschrijving als aan de student in het eerste jaar van inschrijving dispensatie is verleend voor het bindend studieadvies en de student aan het einde van het

volgende jaar van inschrijving niet minimaal 48 studiepunten aan onderwijseenheden uit het eerste jaar heeft behaald.

3. Studenten die tot dan toe minimaal 48 studiepunten van de propedeuse van de betreffende opleiding hebben behaald, ontvangen een definitief positief bindend studieadvies.

4. Studenten die tot dan toe minder dan 48 studiepunten van de propedeuse van de betreffende opleiding hebben behaald, ontvangen een voorlopig negatief bindend studieadvies.

5. Studiepunten behaald voor onderwijseenheden die geen deel uit maken van de propedeuse van de opleiding tellen niet mee voor de berekening van het aantal behaalde studiepunten met betrekking tot

het bindend studieadvies.

6. Vrijstellingen verstrekt voor onderwijseenheden die deel uit maken van de propedeuse tellen mee voor de berekening van het aantal behaalde studiepunten met betrekking tot het bindend studieadvies.

Artikel A6.5 Tussentijds studieadvies propedeuse deeltijdstudent

1. In december van het eerste jaar van inschrijving ontvangt de student een eerste tussentijds, niet bindend studieadvies op basis van de tot dan toe behaalde studiepunten.

2. Indien de student tot dan toe minder dan 6 studiepunten heeft behaald, dan wordt hem of haar dringend geadviseerd een afspraak te maken voor een gesprek met de studieadviseur* met als doel:

- het evalueren van de studiemethode;

- een heroverweging van de studiekeuze;

- het bespreken van mogelijke bijzondere persoonlijke omstandigheden en een eventuele verwijzing;

- en het opstellen van een studieplan.

3. In februari van het eerste jaar van inschrijving ontvangt de student een tweede tussentijds, niet bindend studieadvies op basis van de tot dan toe behaalde studiepunten.

4. Indien de student tot dan toe 6 of minder studiepunten heeft behaald en op dat moment nog geen gesprek heeft gehad naar aanleiding van het eerste tussentijdse studieadvies, wordt de student uitgenodigd voor een gesprek met de studieadviseur* met als doel:

- het evalueren van de studiemethode;

- een heroverweging van de studiekeuze;

- het bespreken van mogelijke bijzondere persoonlijke omstandigheden en een eventuele verwijzing;

- en het opstellen van een studieplan.

Artikel A6.6 Bindend studieadvies propedeuse deeltijdstudent

1. Na afloop van het tweede semester wordt aan alle deeltijdstudenten een bindend studieadvies verstrekt over de voortzetting van de opleiding. Aan dit studieadvies wordt een afwijzing met een bindend karakter verbonden, indien de student minder dan 24 studiepunten heeft behaald.

2. Zo spoedig mogelijk na afloop van de herkansingen van het tweede semester ontvangt de student een schriftelijk bericht waarin de decaan aangeeft of er een definitief positief bindend studieadvies verstrekt zal worden of dat er het voornemen is een negatief bindend studieadvies te verstrekken. Dezelfde procedure geldt in het volgende jaar van inschrijving als aan de student in het eerste jaar van inschrijving dispensatie is verleend voor het bindend studieadvies en de student aan het einde van het volgende jaar van inschrijving niet minimaal 24 studiepunten aan onderwijseenheden uit het eerste jaar heeft behaald.

3. Studenten die tot dan toe 24 studiepunten of meer van de propedeuse van de betreffende opleiding hebben behaald, ontvangen een definitief positief bindend studieadvies.

4. Studenten die tot dan toe minder dan 24 studiepunten hebben behaald, ontvangen een voorlopig negatief bindend studieadvies.

5. Studiepunten behaald voor onderwijseenheden die geen deel uit maken van de propedeuse van de opleiding tellen niet mee voor de berekening van het aantal behaalde studiepunten met betrekking tot het bindend studieadvies.

6. Vrijstellingen verstrekt voor onderwijseenheden die deel uit maken van de propedeuse tellen mee voor de berekening van het aantal behaalde studiepunten met betrekking tot het bindend studieadvies.

Artikel A8.1 Hardheidsclausule

In gevallen waarin de Onderwijs- en Examenregeling niet voorziet, en in gevallen waarin sprake is van onevenredige benadeling of onbillijkheid van overwegende aard, beslist de decaan, tenzij het de bevoegdheid van de examencommissie betreft.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?