202402236/1/R3.
Datum uitspraak: 18 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Delft,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 februari 2024 in zaak nr. 23/4755 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Delft.
Procesverloop
Bij besluit van 13 april 2022 heeft het college een door [appellant] aangevraagde omgevingsvergunning gedeeltelijk verleend en gedeeltelijk geweigerd.
Bij besluit van 7 juni 2023 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 27 februari 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college en heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak behandeld op een zitting van 25 november 2025, waar [appellant], bijgestaan door mr. C. Lubben, rechtsbijstandsverlener in Zoetermeer, en het college, vertegenwoordigd door mr. L. van Broekhoven en mr. M de Lange, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (de Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 6 december 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. Op 19 januari 2018 heeft het college aan [appellant] een omgevingsvergunning verleend voor het veranderen van het pand op het perceel aan de [locatie 1]/ [locatie 2] in Delft (het perceel) tot tien zelfstandige wooneenheden, het realiseren van zes parkeerplaatsen en het kappen van vijf bomen, waarvan vier lindes en een esdoorn. Over deze vergunning is eerder bij de rechtbank geprocedeerd. Gedurende die juridische procedure heeft het college de vergunning gewijzigd en geweigerd vergunning te verlenen voor de kap van twee van de lindes. Bij de rechtbank is toen een mediationtraject gestart.
3. In het kader van dit mediationtraject heeft [appellant] op 6 december 2021 een omgevingsvergunning aangevraagd voor een andere inrichting van de tuin en parkeerplaatsen op het perceel, zodat de twee lindes niet gekapt hoeven te worden. De vergunning is aangevraagd voor het slopen van een bestaande schuur en het bouwen van een garage met berging (de garage) op het perceel. De garage komt op de perceelgrens, tegen de blinde gevel van het naastgelegen gebouw [locatie 3]/[locatie 4] en op de hoek met de tuinmuur langs de Bagijnestraat. De tuinmuur naast de garage maakt onderdeel uit van een rijksmonument. Het perceel is aangewezen als beschermd rijksmonument en maakt ook deel uit van een beschermd stadsgezicht.
4. De vergunning is aangevraagd voor de activiteiten "het bouwen van een bouwwerk" als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo, "het uitvoeren van een werk of werkzaamheden" als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo, "het slopen of wijzigen van een rijksmonument" als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wabo en "het slopen van een bouwwerk in een beschermd stadsgezicht" als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder h, Wabo.
Het college heeft de aanvraag op grond van artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo ook aangemerkt als aanvraag voor de activiteit "handelen in strijd met het bestemmingsplan" als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo.
5. Naar aanleiding van een negatief advies van de Adviescommissie Omgevingskwaliteit (de AOK) van 3 februari 2022 heeft het college [appellant] op 16 februari 2022 de mogelijkheid gegeven het bouwplan aan te passen. [appellant] heeft daar geen gebruik van gemaakt.
6. Het college heeft de aangevraagde vergunning verleend voor de activiteiten "uitvoeren van een werk of werkzaamheden" en "het slopen van een bouwwerk in een beschermd stadsgezicht". Het college heeft de vergunning geweigerd voor de activiteiten "het bouwen van een bouwwerk", "het slopen of wijzigen van een beschermd rijksmonument" en "handelen in strijd met het bestemmingsplan".
Ten aanzien van "het bouwen van een bouwwerk" heeft het college met verwijzing naar het advies van de AOK overwogen dat het bouwplan niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand. Ten aanzien van de activiteit "handelen in strijd met het bestemmingsplan" heeft het college overwogen dat het bouwplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De garage is namelijk 5,50 m hoog en dat acht het college niet aanvaardbaar. Ten aanzien kan de activiteit "het slopen of wijzigen van een beschermd rijksmonument" heeft het college het advies van de AOK dat monumentale waarden worden geschaad, overgenomen.
Hoger beroep
7. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zijn beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt en het college de vergunning heeft mogen weigeren. [appellant] voert aan dat, hoewel geen sprake is van een uitdrukkelijke schriftelijke toezegging, hij wel uit het geheel van gedragingen van Noppen, juridisch adviseur bij de gemeente, kon en mocht afleiden dat het college zou meewerken aan het bouwplan. Volgens [appellant] was duidelijk dat Noppen het college vertegenwoordigde. Dat Noppen heeft aangegeven dat er nog een vergunning moest worden aangevraagd, doet niet af aan het gewekte vertrouwen. Er moet altijd een vergunning worden aangevraagd, ongeacht of er vertrouwen is gewekt over de wijze waarop die aanvraag zal worden afgehandeld.
Volgens [appellant] is in het kader van het mediationtraject afgesproken dat hij samen met het college zou kijken of een voor beide partijen aanvaardbare oplossing kon worden gevonden. Als die oplossing was gevonden, zou het mediationtraject worden gestart en de derde-belanghebbende in die procedure (de Vereniging) worden betrokken. [appellant] stelt na overleg met het college tot een oplossing gekomen te zijn die door Noppen aan de Vereniging is voorgelegd. Daarmee is het vertrouwen gewekt dat het college zou meewerken aan het bouwplan. Nadat het mediationtraject is vastgelopen, is bij de rechtbank in die procedure afgesproken dat [appellant] wel een vergunningaanvraag zou indienen. Noppen heeft toen ook conform de afspraak contact gehad met de Vereniging.
[appellant] voert verder aan dat het onredelijk is het beroep op het vertrouwensbeginsel af te wijzen omdat er op detailniveau verschillen zitten tussen het aangevraagde bouwplan en het concept waar instemming voor is verleend. Het maakt niet uit of [appellant] op detailniveau aanpassingen zou maken, want zijn aanvraag zou toch worden afgewezen. Anders dan de rechtbank oordeelt, is de afwijzing namelijk niet afhankelijk geweest van de (verschillen in) detaillering.
[appellant] voert tot slot aan dat er geen reden is om de gedane toezegging niet te honoreren. Volgens [appellant] zijn er veel voorbeelden waarin rondom monumenten gewerkt wordt met nieuwe architectuur. Ook was het doel van het mediationtraject om alle belangen zoveel mogelijk tot hun recht te laten komen. Het college had de mogelijkheid om het welstandsoordeel naar zich neer te leggen en had dit, gelet op de omstandigheden, ook moeten doen.
Ter onderbouwing van zijn betoog verwijst [appellant] naar wat hij in bezwaar en beroep heeft aangevoerd en naar de correspondentie die hij daar heeft overgelegd.
7.1. [appellant] heeft de inhoudelijke gronden die het college aan de weigering van de vergunning ten grondslag heeft gelegd, op zichzelf niet bestreden. In beginsel heeft het college daarom mogen weigering de vergunning te verlenen voor de activiteiten "het bouwen van een bouwwerk", "het slopen of wijzigen van een beschermd rijksmonument" en "handelen in strijd met het bestemmingsplan".
Naar aanleiding van het betoog van [appellant] zal de Afdeling beoordelen of het college de vergunning vanwege gewekt vertrouwen toch had moeten verlenen.
7.2. Wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel moet aannemelijk maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij/zij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja hoe.
7.3. Niet in geschil is dat er geen uitdrukkelijke schriftelijke toezeggingen zijn gedaan door of namens het college. Gelet op wat [appellant] aanvoert, zal de Afdeling beoordelen of [appellant] aannemelijk maakt dat hij uit het geheel van gedragingen van Noppen kon en mocht afleiden dat het college de aangevraagde vergunning zou verlenen.
De eerste vraag die de Afdeling zal beantwoorden is of er sprake is van gewekt vertrouwen over het schetsontwerp uit het mediationtraject.
Als dit het geval is, komt vervolgens de vraag aan de orde of er verschillen zitten tussen dit schetsontwerp en de uiteindelijke vergunningaanvraag, en of dit verschillen zijn op (uitsluitend) detailniveau.
7.4. De Afdeling overweegt dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat, in het kader van het mediationtraject, is afgesproken dat hij samen met het college tot een schetsontwerp zou komen en dat het college dit ontwerp aan de Vereniging zou doorsturen als het college met dat ontwerp akkoord was. Uit het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank van 18 februari 2020 blijkt alleen dat er, als een voor [appellant] acceptabele mogelijkheid werd gevonden, contact zou worden gezocht met de Vereniging. Daarin staat niet vermeld dat het aanbieden aan de Vereniging ook betekent dat het college dat ontwerp aanvaardbaar vindt, dan wel een vergunning voor dit ontwerp zou verlenen. In het proces-verbaal staat het volgende:
"De rechtbank spreekt met partijen af dat verweerder en vergunninghouder binnen één week een afspraak maken om de mogelijkheden te bezien om de berging elders op het perceel te kunnen realiseren. Als dit leidt tot een voor vergunninghouder acceptabele mogelijkheid zal hij contact opnemen met de rechtbank en zal het mediation-traject in gang worden gezien. De Vereniging zal ook deelnemen aan dit mediation-traject om zo tot een gezamenlijke oplossing te komen."
7.5. De Afdeling overweegt verder dat uit de omstandigheid dat veel overleg heeft plaatsgevonden met Noppen en dat Noppen meewerkte aan het mediationtraject, niet kon of mocht worden afgeleid dat een omgevingsvergunning zou worden verleend. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 10 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:734, onder 3.2.
Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat door Noppen ook uitdrukkelijk een voorbehoud is gemaakt dat er nog een vergunning moet worden aangevraagd. Dit heeft hij gedaan in de e-mail van 6 juli 2020 en dat is ook te lezen in de e-mail 7 april 2021. Anders dan [appellant] stelt, overweegt de Afdeling dat Noppen hiermee voldoende duidelijk heeft gemaakt dat er besluitvorming door het college was vereist en dat de medewerking van Noppen niet betekende dat een vergunning verleend zou worden. Dat hij dit zo heeft bedoeld, volgt ook uit de verklaring van Noppen van 16 september 2022.
7.6. Gelet op de voorgaande overwegingen is de Afdeling van oordeel dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij uit de gedragingen van Noppen redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat het college de aangevraagde vergunning zou verlenen. De Afdeling komt daarom ook niet toe aan de vraag of er verschillen bestaan tussen het schetsontwerp en de uiteindelijke aanvraag. De Afdeling komt evenmin toe aan stap 2 en stap 3 van de beoordeling of het vertrouwensbeginsel is geschonden, zoals bedoeld in de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694.
De rechtbank is dus terecht tot het oordeel gekomen dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
8. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd.
9. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.R. Schadd, griffier.
w.g. Knol
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Schadd
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2026
1076