202300570/1/A3.
Datum uitspraak: 18 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 december 2022 in zaak nr. 22/1925 in het geding tussen:
[appellant]
en
de burgemeester van Rotterdam.
Procesverloop
Bij besluit van 15 juli 2021 heeft de burgemeester het verzoek van [appellant] om openbaarmaking van informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (de Wob) buiten behandeling gesteld vanwege misbruik van recht.
Bij besluit van 11 april 2022 heeft de burgemeester het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 16 december 2022 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 februari 2026, waar [appellant], en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. A.J.J. van der Vlist en G.S.J. van Iperen, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Op 17 maart 2021 heeft [appellant] de burgemeester op grond van de Wob verzocht om informatie openbaar te maken over de veiligheidssituatie, toegespitst op woningsluitingen, van de wijken Carnisse en Kop van Zuid/Entrepot, in de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2020.
1.1. De burgemeester heeft dit verzoek buiten behandeling gesteld. Volgens de burgemeester maakt [appellant] misbruik van recht. De burgemeester legt daaraan ten grondslag dat [appellant] veel verzoeken bij de burgemeester indient, waarvan het merendeel in de kern ziet op dezelfde bestuurlijke aangelegenheid. De verzoeken zijn volgens de burgemeester algemeen, omvangrijk en niet begrijpelijk. [appellant] is niet bereid geweest zijn verzoeken te preciseren, maar past in plaats daarvan zijn verzoeken aan en breidt ze uit. Ook vraagt hij zijn eigen Wob-verzoeken op en verzoekt hij om nieuw op te stellen documenten. Daarnaast heeft [appellant] zich volgens de burgemeester in aanmatigende en bedreigende bewoordingen uitgelaten. Op basis hiervan komt de burgemeester tot de conclusie dat het Wob-verzoek van [appellant] niet ziet op openbaarmaking van informatie voor eenieder, maar het hinderen van de overheid door het leggen van een groot tijdsbeslag op het ambtelijk apparaat.
2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de burgemeester het verzoek terecht buiten behandeling heeft gesteld vanwege misbruik van recht. [appellant] is het hier niet mee eens.
Wettelijk kader
3. Op 1 mei 2022 is de Wet open overheid (Woo) in werking getreden. Artikel 10.1 van de Woo bepaalt dat de Wob wordt ingetrokken. Er is niet voorzien in overgangsrecht. Dat betekent dat de Woo onmiddellijke werking heeft en dat met ingang van 1 mei 2022 besluiten op vóór de inwerkingtreding van de Woo ingediende Wob-verzoeken met inachtneming van de bepalingen van de Woo moeten worden genomen. Dat geldt in principe ook voor besluiten op bezwaar of besluiten die worden genomen na een bestuurlijke of judiciële lus. Dat betekent in dit geval dat het besluit van 15 juli 2021 en 11 april 2022 moet worden beoordeeld aan de hand van de Wob.
Beoordeling hoger beroep
4. [appellant] betoogt dat sprake is van willekeur en dat de burgemeester hem misbruik van recht tegenwerpt om te verbergen dat het documentenbeheer van de gemeente niet op orde is. De rechtbank heeft verder ten onrechte overwogen dat zijn verzoek onvoldoende geconcretiseerd is. Tot slot betoogt hij dat de rechtbank ten onrechte niet motiveert waarom in dit geval sprake is van misbruik van recht, terwijl dit slechts door een bestuursorgaan kan worden tegengeworpen in uitzonderingsgevallen. De rechtbank heeft zijn beroep feitelijk niet getoetst, aldus [appellant].
5. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraken van 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4129 en ECLI:NL:RVS:2014:4135), kan ingevolge artikel 13, gelezen in verbinding met artikel 15, van Boek 3 van het BW, de bevoegdheid om bij de bestuursrechter beroep in te stellen niet worden ingeroepen voor zover deze bevoegdheid wordt misbruikt. Deze artikelen verzetten zich tegen inhoudelijke behandeling van een bij de bestuursrechter ingesteld beroep dat misbruik van recht behelst, en bieden een wettelijke grondslag voor niet-ontvankelijkverklaring van een zodanig beroep. Daartoe zijn zwaarwichtige gronden vereist, die onder meer aanwezig zijn als rechten of bevoegdheden zodanig evident zijn aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij zijn gegeven, dat het aanwenden van die rechten of bevoegdheden blijk geeft van kwade trouw.
5.1. Zoals de Afdeling eveneens eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 18 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:426), laat artikel 3, derde lid, van de Wob, ingevolge welke bepaling de indiener van een Wob-verzoek geen belang bij zijn verzoek hoeft te stellen, onverlet dat de bevoegdheid tot het indienen van een Wob-verzoek met een bepaald doel is toegekend, namelijk dat in beginsel een ieder kennis kan nemen van overheidsinformatie. Nu misbruik van recht zich kan voordoen als een bevoegdheid wordt aangewend voor een ander doel dan waarvoor zij is gegeven, kan het doel van een Wob-verzoek relevant zijn om te beoordelen of misbruik van recht heeft plaatsgevonden. Ieder nieuw Wob-verzoek moet in beginsel op zichzelf worden beoordeeld. Maar bij de beantwoording van de vraag of sprake is van misbruik van recht kan wel rekening worden gehouden met de eerdere handelwijze van de aanvrager (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 1 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:920, en de uitspraak van 27 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:157).
5.2. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 27 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:157, levert een min of meer overmatig beroep op door de overheid geboden faciliteiten in het algemeen op zichzelf geen misbruik van recht op. Elk beroep op die faciliteiten brengt namelijk kosten met zich voor de overheid en benadeelt de overheid in zoverre. Wel kan het aantal malen dat een bepaald recht of een bepaalde bevoegdheid wordt aangewend, in combinatie met andere omstandigheden, bijdragen aan de conclusie dat misbruik van recht heeft plaatsgevonden.
5.3. De Afdeling is van oordeel dat er in dit geval onvoldoende aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat [appellant] misbruik van recht maakt. Weliswaar heeft [appellant] in een periode van anderhalf jaar meerdere verzoeken ingediend over vergelijkbare onderwerpen, maar het verzoek van 17 maart 2021 staat op zichzelf en is voldoende concreet en begrijpelijk. De Afdeling gaat er vanuit dat het verzoek zich beperkt tot woningsluitingen in de wijken Carnisse en Kop van Zuid/Entrepot, in de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2020. Hoewel de burgemeester wel rekening mag houden met eerdere Wob-verzoeken van [appellant], maakt de Afdeling uit die verzoeken niet op dat hij zijn bevoegdheid tot het indienen van het onderhavige Wob-verzoek evident heeft aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe deze bevoegdheid is gegeven.
5.4. Dat de burgemeester stelt dat het niet zinvol is om de gevraagde informatie openbaar te maken omdat uit het contact met [appellant] zou blijken dat hij niets zal hebben aan de informatie die onder de reikwijdte van het verzoek van 17 maart 2021 valt, kan de Afdeling niet volgen. Voor de beoordeling van het wel of niet openbaar maken op grond van de Wob is niet bepalend of de openbaarmaking van de gevraagde informatie zinvol is voor de aanvrager.
5.5. Ook overigens blijkt uit de handelwijze van [appellant] niet dat hij in dit geval misbruik van recht maakt. Dat [appellant] ook klachten heeft ingediend en regelmatig correspondeert met de gemeente, is op zichzelf bezien geen reden om misbruik van recht aan te nemen. Daarbij acht de Afdeling van belang dat niet uit het dossier valt af te leiden dat [appellant] zich bedreigend heeft uitgelaten.
5.6. Gelet op deze omstandigheden is de burgemeester ten onrechte tot de conclusie gekomen dat [appellant] de bevoegdheid tot het indienen van het Wob-verzoek evident heeft aangewend voor een ander doel dan waarvoor zij is gegeven of blijk geeft van kwade trouw. Dit betekent dat de burgemeester het verzoek van 17 maart 2021 in behandeling had moeten nemen.
5.7. Het betoog slaagt.
Conclusie
6. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling zal de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 11 april 2022 vernietigen. De Afdeling zal de burgemeester opdragen om met in achtneming van wat in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit te nemen en hiervoor een termijn stellen. Voor de reikwijdte van het verzoek geldt wat hiervóór onder 5.3 is overwogen. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat tegen het nieuwe besluit op bezwaar slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.
7. De burgemeester moet de proceskosten vergoeden. Deze bestaan uit de verletkosten die [appellant] heeft gemaakt om de zitting bij de rechtbank en de Afdeling te kunnen bijwonen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 december 2022 in zaak nr. 22/1925;
III. verklaart het beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van 11 april 2022, kenmerk A.B.2021.1.08510/FHK;
V. draagt de burgemeester van Rotterdam op om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen en dit op wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;
VI. bepaalt dat tegen het nieuw te nemen besluit alleen bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;
VII. veroordeelt de burgemeester van Rotterdam in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van €108,00, geheel toe te rekenen aan verletkosten;
VIII. gelast dat de burgemeester van Rotterdam aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van €458,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. C.C.W. Lange en mr. B. Meijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.S. Venema, griffier.
w.g. Borman
voorzitter
w.g. Venema
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2026
973