202501015/1/R4.
Datum uitspraak: 17 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Nieuw Beerta, gemeente Oldambt,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 8 januari 2025 in zaak nr. 23/4346 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Oldambt
Procesverloop
Bij besluit van 24 november 2022 heeft het college het verzoek van [appellant] om te handhaven op het verwijderen van maaiafval bij het plantsoen van het monument ‘Ongebroken’ op de Hoofdweg in Nieuw Beerta, niet in behandeling genomen.
Bij besluit van 3 oktober 2023 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Op de zitting bij de rechtbank op 12 december 2024 heeft het college de besluiten van 24 november 2022 en 3 oktober 2023 ingetrokken. Bij uitspraak van 8 januari 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] tegen die besluiten ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Bij besluit van 18 maart 2025 heeft het college opnieuw het verzoek van [appellant] om te handhaven op het verwijderen van maaiafval bij het plantsoen van het monument ‘Ongebroken’, niet in behandeling genomen.
[appellant] heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Het college heeft het bezwaarschrift ter behandeling aan de Afdeling doorgezonden.
[appellant] heeft binnen de gestelde termijn verklaard geen gebruik te willen maken van het recht op een zitting te worden gehoord. Het college heeft niet binnen de gestelde termijn gereageerd, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt.
Het verzoek om handhaving van de Wabo is gedaan op 27 juni 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. [appellant] woont aan de [locatie] in Nieuw Beerta. Aan de overkant van zijn woning staat het monument ‘Ongebroken’. Op 27 juni 2022 heeft [appellant] zowel een melding gemaakt als een e-mail gestuurd naar de gemeente Oldambt met daarin het verzoek om te handhaven op het verwijderen van maaiafval bij het plantsoen voor het monument, omdat de particuliere vereniging die het plantsoen onderhoudt dit niet opruimt.
3. Het college heeft bij e-mail van 20 juli 2022 gereageerd op de melding van [appellant] en toegelicht dat het college niet zal ingaan op het verzoek om handhavend op te treden, omdat het onderhoud van het plantsoen op de juiste wijze plaatsvindt. Bij brief van 23 augustus 2022 heeft [appellant] het college verzocht om binnen 14 dagen een beslissing te nemen op zijn verzoek. De e-mail van 20 juli 2022 is volgens [appellant] gericht tegen een melding met het nummer 59327-2022 en die melding is bij hem niet bekend. [appellant] heeft op 7 november 2022 een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit ingesteld bij de rechtbank. Het college heeft [appellant] bij besluit van 24 november 2022 laten weten zijn verzoek niet in behandeling te nemen, omdat geen sprake is van een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Bij uitspraak van 22 december 2022 in zaak nr. 22/3564 heeft de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk verklaard, omdat [appellant] geen belang meer had bij dat beroep. Het college had inmiddels op het verzoek beslist. Tegen deze uitspraak is geen verzet gedaan.
Wettelijk kader
4. Het op deze zaak betrekking hebbend wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.
Uitspraak van de rechtbank
5. Op de zitting van de rechtbank heeft het college de besluiten van 24 november 2022 en 3 oktober 2023 ingetrokken. [appellant] heeft zijn beroep niet ingetrokken. De rechtbank heeft overwogen dat [appellant] geen belang meer heeft bij het beroep, omdat het college de besluiten heeft ingetrokken en [appellant] met de procedure niet meer kan bereiken wat hij wil bereiken.
Hoger beroep
6. Het geschil in hoger beroep spitst zich toe op de vraag of [appellant] recht heeft op een dwangsom wegens het, volgens hem, te laat beslissen op zijn verzoek om handhavend op te treden. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte geen oordeel heeft gegeven over deze beroepsgrond.
6.1. [appellant] voert aan dat de rechtbank zich ten onrechte niet heeft uitgelaten over zijn beroepsgrond dat hij recht heeft op een dwangsom. Ook als dit betoog juist zou zijn, zou dit niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling zal dit hieronder uitleggen.
6.2. Voor de beantwoording van de vraag of [appellant] recht heeft op een dwangsom wegens niet tijdig beslissen, is eerst van belang of het verzoek om handhaving kan worden aangemerkt als een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Indien het antwoord hierop ontkennend luidt, is artikel 4:17 van de Awb niet van toepassing en heeft [appellant] geen recht op een dwangsom.
6.3. [appellant] heeft op 27 juni 2022 zowel een melding gemaakt als een e-mail gestuurd naar de gemeente Oldambt met daarin hetzelfde verzoek om te handhaven. [appellant] wijst daarin op de vermeende overtreding, namelijk het niet verwijderen van maaiafval bij het plantsoen voor het monument ‘Ongebroken’ door de particuliere vereniging die verantwoordelijk is voor het onderhoud van het plantsoen, en vraagt het college om hiertegen handhavend op te treden. Anders dan het college stelt, is het verzoek om handhaving niet beperkt tot een verzoek om feitelijk handelen. De Afdeling is van oordeel dat [appellant] belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. [appellant] woont op ongeveer 15 m van het plantsoen, heeft zicht op het plantsoen en stelt dat hij last heeft van het maaiafval. Gelet op het voorgaande is het verzoek om handhaving aan te merken als een aanvraag.
6.4. Vervolgens is voor de beantwoording van de vraag of [appellant] recht heeft op een dwangsom wegens niet tijdig beslissen van belang of het college tijdig heeft beslist op het verzoek om handhaving. De Afdeling is van oordeel dat dit het geval is. Het college heeft bij e-mail van 20 juli 2022 gereageerd op de melding van [appellant]. In die e-mail heeft het college toegelicht dat zij niet zal ingaan op het verzoek om handhavend op te treden, omdat het onderhoud van het plantsoen op de juiste wijze plaatsvindt. Gelet op de inhoud van de e-mail en de wijze waarop die is geformuleerd moet deze worden gekwalificeerd als besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De e-mail is een reactie op het verzoek om handhaving van [appellant]. Met de e-mail is concreet en ondubbelzinnig een beslissing over het verzoek meegedeeld. De Afdeling wijst op haar uitspraak van 9 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3382, onder 3.1.
6.5. Het college heeft met de e-mail van 20 juli 2022 binnen de redelijke beslistermijn van 8 weken op het verzoek om handhaving van [appellant] gereageerd. Dit betekent dat het college tijdig heeft beslist op het verzoek om handhaving en geen dwangsom heeft verbeurd.
Het betoog slaagt niet.
6.6. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd, voor zover aangevallen, met verbetering van de gronden.
6.7. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Besluit van 18 maart 2025
7. Bij besluit van 18 maart 2025 heeft het college opnieuw beslist het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden niet in behandeling te nemen. Het college stelt zich op het standpunt dat het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden geen verzoek is als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van die wet, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.
8. [appellant] voert aan dat het college zijn verzoek om handhaving ten onrechte niet in behandeling heeft genomen. Volgens [appellant] is zijn verzoek wel aan te merken als een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb.
8.1. Gelet op wat de Afdeling heeft overwogen onder 6.3, is het verzoek om handhaving van [appellant] een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Het college heeft ten onrechte niet inhoudelijk op het verzoek beslist.
Het betoog slaagt.
9. Het beroep is gegrond. Het besluit van 18 maart 2025 wordt vernietigd. Het college moet een nieuw besluit op het verzoek om handhaving nemen en daarin beoordelen of sprake is van een overtreding.
10. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen;
II. verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Oldambt van 18 maart 2025, kenmerk 89152-2023/59327-2022, gegrond;
III. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Oldambt van 18 maart 2025, kenmerk 89152-2023/59327-2022.
Aldus vastgesteld door mr. J.F. de Groot, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.D.J.D. van der Heijden, griffier.
w.g. De Groot
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van der Heijden
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2026
954
BIJLAGE
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 1:2
1. Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
[…].
Artikel 1:3
[…]
3. Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.
[…].
Artikel 4:1
Tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, wordt de aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk ingediend bij het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen.
Artikel 4:2
1. De aanvraag wordt ondertekend en bevat ten minste:
a. de naam en het adres van de aanvrager;
b. de dagtekening;
c. een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd.
[…].
Artikel 4:13
1. Een beschikking dient te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn of, bij het ontbreken van zulk een termijn, binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag.
2. De in het eerste lid bedoelde redelijke termijn is in ieder geval verstreken wanneer het bestuursorgaan binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen beschikking heeft gegeven, noch een mededeling als bedoeld in artikel 4:14, derde lid, heeft gedaan.
Artikel 4:17
1. Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De Algemene termijnenwet is op laatstgenoemde termijn niet van toepassing.
[…].
Artikel 6:19
1. Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.
[…].
Artikel 6:24
Deze afdeling is met uitzondering van artikel 6:12 van overeenkomstige toepassing indien hoger beroep, incidenteel hoger beroep, beroep in cassatie of incidenteel beroep in cassatie kan worden ingesteld.