202500049/1/V6.
Datum uitspraak: 18 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], gevestigd in [plaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 22 november 2024 in zaak nr. 24/702 in het geding tussen:
[appellante]
en
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Procesverloop
Bij besluiten van 12 januari 2023 heeft de minister [appellante] een boete opgelegd van € 6.000,00 wegens een overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (de Wav) en besloten tot openbaarmaking van de inspectiegegevens en haar een waarschuwing preventieve stillegging (de waarschuwing) gegeven.
Bij besluit van 22 december 2023 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard voor zover het de hoogte van de boete betreft, het besluit van 12 januari 2023 in zoverre herroepen en de boete vastgesteld op € 4.000,00.
Bij uitspraak van 22 november 2024 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover de boete is vastgesteld op € 4.000,00, de boete vastgesteld op € 3.800,00 en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van dat besluit.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 27 november 2025, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. A.E.B. de Hollander, en de minister, vertegenwoordigd door mr. D. Neys, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. In het op ambtsbelofte door een arbeidsinspecteur van de Inspectie SZW (nu: de Nederlandse Arbeidsinspectie) opgemaakte boeterapport van 9 juli 2021, kenmerk 2018893/01, en de bijlagen staat het volgende. Op 21 september 2020 hebben ambtenaren van de Politie Eenheid Amsterdam bij [bedrijf]) een onderzoek ingesteld naar aanleiding van een melding dat een persoon daar via [appellante] als uitzendkracht aan het werk was onder andermans identiteit. De politieambtenaren troffen daar [persoon A] aan, een persoon met de Oegandese nationaliteit. [persoon A] heeft in de periode van 17 augustus 2020 tot en met 21 september 2020 arbeid verricht als ‘order picker’ bij [bedrijf] onder de naam [persoon B]. [persoon A] heeft de arbeid verricht via een in- en uitleensituatie. De Nederlandse Arbeidsinspectie heeft in dit kader [appellante] als uitlener en [bedrijf] als inlener aangemerkt. [appellante] had voor de werkzaamheden van [persoon A] geen tewerkstellingsvergunning en [persoon A] beschikte niet over een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid. Dat betekent dat [appellante] artikel 2, eerste lid, van de Wav heeft overtreden. De minister heeft [appellante] daarom een boete opgelegd, besloten tot openbaarmaking van de inspectiegegevens en haar de waarschuwing gegeven.
Het wettelijk kader en beleidskader
2. Het wettelijk kader en het beleidskader zijn opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Uitspraak van de rechtbank
3. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister [appellante] terecht heeft aangemerkt als werkgever en dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de overtreding van de Wav haar te verwijten valt. Hiervoor heeft de rechtbank van belang geacht dat niet is gebleken dat [appellante] op het moment van de overtreding identiteitscontroles uitvoerde, zodat [appellante] onvoldoende uitvoering heeft gegeven aan haar verantwoordelijkheid om bij aanvang van de werkzaamheden na te gaan of aan de voorschriften van de Wav wordt voldaan. Daar komt bij dat zij aanleiding had moeten zien om de identiteit van de persoon die onder de naam van [persoon B] aan het werk was te controleren, omdat de toegangspas van [persoon B] tot aan de geconstateerde overtreding zeven weken lang heeft klaargelegen en niet is opgehaald. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen aanleiding bestaat om de boete te matigen wegens het achteraf treffen van adequate maatregelen. De rechtbank heeft ook geoordeeld dat [appellante] met een enkele verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 14 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2676, in een eerdere zaak van [appellante], onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de minister haar in dit geval geen waarschuwing mocht geven.
3.1. Ten slotte heeft de rechtbank de aan [appellante] opgelegde boete met vijf procent gematigd, omdat tussen het opstellen van het boeterapport en het uitbrengen van het voornemen tot het opleggen van een boete meer dan een jaar is verstreken. De minister heeft tijdens de zitting bij de rechtbank te kennen gegeven dat hij zich niet tegen deze matiging verzet, omdat hij in zijn nieuwe beleid heeft opgenomen dat hij boetes met vijf procent matigt als de redelijke beslistermijn is verstreken.
Werkgeverschap
3.2. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij feitelijk werkgever is geweest van [persoon A]. Volgens [appellante] zou de minister [persoon B] moeten aanmerken als feitelijk werkgever, omdat hij degene is geweest die [persoon A] in staat heeft gesteld om met zijn identiteitsbewijs zijn arbeidsplaats bij [bedrijf] in te nemen en dus feitelijk de werkzaamheden te verrichten. Als de minister [persoon B] niet als werkgever kan aanmerken, dan moet hij [bedrijf] als werkgever aanmerken omdat [persoon A] de werkzaamheden bij [bedrijf] heeft verricht. Ook betoogt [appellante] dat de minister een bedrijf niet als feitelijk werkgever kan aanmerken als dat bedrijf onbekend is met de betrokken arbeidskracht.
3.3. Anders dan [appellante] betoogt, heeft de rechtbank haar terecht als werkgever aangemerkt. Het is de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever geweest om in de Wav een ruim werkgeversbegrip te hanteren. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, in onder meer de uitspraak van 10 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2364, onder 4.1, volgt uit de geschiedenis van de totstandkoming van de artikelen 1 en 2 van de Wav (Kamerstukken II 1993/94, 23 574, nr. 3, blz. 13) dat diegene die een vreemdeling feitelijk arbeid laat verrichten vergunningplichtig werkgever is en daarmee te allen tijde verantwoordelijk voor het al dan niet aanwezig zijn van de benodigde tewerkstellingsvergunning. Het bestaan van een arbeidsovereenkomst of gezagsverhouding is daarbij niet relevant. Dat een vreemdeling in opdracht of ten dienste van een werkgever arbeid heeft verricht is voor het aannemen van feitelijk werkgeverschap al voldoende (Kamerstukken II 1993/94, 23 574, nr. 5, blz. 2). De ruime uitleg van het werkgeversbegrip in de Wav brengt mee dat instemming met of wetenschap van de arbeid voor de kwalificatie als werkgever in de zin van de Wav niet vereist is en dat alleen al het mogelijk maken van het verrichten van arbeid en het niet verhinderen daarvan als het laten verrichten van arbeid in de zin van de Wav moet worden opgevat. De Afdeling wijst op haar uitspraken van 10 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2364, onder 4.1, en 26 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2583, onder 2.2. Dat de werkzaamheden bij [bedrijf] feitelijk door [persoon A] zijn verricht en [appellante] hiervan niet op de hoogte was, doet er gelet op het voorgaande niet aan af dat de minister [appellante] terecht als werkgever heeft gekwalificeerd.
3.4. Het betoog slaagt niet.
Waarschuwing preventieve stillegging
4. [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de minister met het geven van de waarschuwing in strijd heeft gehandeld met het evenredigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. [appellante] voert aan dat voor de minister allerlei overtredingen gelijkwaardig zijn, terwijl hij moet differentiëren naar de aard en de ernst van de overtreding. In haar geval had de minister moeten afzien van het opleggen van de waarschuwing, omdat sprake is van verminderde verwijtbaarheid. [appellante] heeft namelijk voldaan aan haar verantwoordelijkheid om overtreding van de Wav zoveel mogelijk te voorkomen door bij het aannemen van [persoon B] de identiteit vast te stellen en de identiteitsdocumenten te controleren. [appellante] vindt dat het vervolgens aan de opdrachtgever is om vast te stellen dat de persoon die de arbeid verricht ook daadwerkelijk degene is die zich heeft ingeschreven bij [appellante]. Daarbij komt dat zij meerdere keren aan de minister heeft gevraagd om uitleg over welke maatregelen, en met welke frequentie, voldoende zouden zijn om persoonsverwisselingen tegen te gaan, maar dat zij daarop nooit een duidelijk antwoord heeft gekregen. Volgens [appellante] ligt het op de weg van de minister om hier duidelijkheid over te verschaffen. Verder blijft de waarschuwing vijf jaar staan, zodat de kans groot is dat zij op een zeker moment haar werkzaamheden zal moeten stilleggen. [appellante] voert aan dat de gevolgen van de waarschuwing, anders dan de minister betoogt, verder gaan dan slechts financiële gevolgen. Zij wijst op mogelijk klantverlies, hoge boetes en het verlies van certificaten, wat uiteindelijk kan resulteren in een faillissement. [appellante] betoogt in dit verband dat de minister in zijn besluiten van 12 januari 2023 en 22 december 2023 niet is ingegaan op de mogelijke gevolgen van een stillegging. Volgens haar is het onvoldoende dat de minister verwijst naar de hoedanigheid van de onderneming en de sector of branche waar een eventuele stillegging op zou zien.
4.1. Verder betoogt [appellante] dat de minister met het geven van de waarschuwing in strijd heeft gehandeld met het rechtszekerheidsbeginsel en daarnaast met het verbod van détournement de pouvoir, ofwel het gebruiken van een bevoegdheid voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend. [appellante] heeft tijdens de zitting bij de Afdeling aangevoerd dat de minister het toepasselijke kader niet heeft opgenomen in het besluit van 12 januari 2023 en dat hij dit kader pas later, in het besluit op bezwaar van 22 december 2023 en in beroep heeft toegelicht. Zo is de minister in het besluit van 22 december 2023 voor het eerst ingegaan op de vraag of [appellante] behoort tot de vitale infrastructuur en of haar werkzaamheden stilgelegd kunnen worden gelet op de technische mogelijkheden. Volgens [appellante] staat nergens dat een waarschuwing alleen achterwege kan blijven als het gaat om de vitale infrastructuur of openbare basisvoorzieningen. De minister had dit daarom niet bij zijn belangenafweging mogen betrekken.
4.2. De Afdeling stelt voorop dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een herhaalde overtreding als bedoeld in artikel 17b, eerste lid, van de Wav, gelezen in samenhang met artikel 10.1, eerste lid, van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2022 (het BuWav). [appellante] heeft namelijk in 2019 ook artikel 2, eerste lid, van de Wav overtreden. De minister had dus de bevoegdheid om de waarschuwing op te leggen.
4.3. Anders dan [appellante] betoogt, maakt de minister bij het aanwenden van zijn bevoegdheid onderscheid tussen verschillende overtredingen. Uit artikel 10.1, vierde lid, van het BuWav en artikel 4 van de Beleidsregel preventieve stillegging arbeidswetten (de Beleidsregel) volgt dat de minister bij het toepassen van zijn bevoegdheid om een waarschuwing op te leggen moet afwegen: (i) de aard en de omvang van de overtreding, (ii) de maatschappelijke gevolgen, (iii) de economische gevolgen voor derden en (iv) of hij de boete heeft gematigd. Volgens de Beleidsregel moet de minister deze afweging maken bij het opleggen van de waarschuwing en mag hij dit niet doorschuiven naar het besluit tot stillegging. De omstandigheid dat de minister het relevante beoordelingskader niet heeft opgenomen in het besluit van 12 januari 2023 doet er niet aan af dat de minister dit beoordelingskader wel heeft opgenomen in de Beleidsregel. Anders dan [appellante] betoogt, heeft de minister dus niet gehandeld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel of misbruik gemaakt van zijn bevoegdheid.
Ad (i) en (iv) Aard en omvang van de overtreding en matiging van de boetes
4.4. De Afdeling is van oordeel dat de minister in zijn besluiten van 12 januari 2023 en 22 december 2023 deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij wegens de aard en omvang van de door [appellante] begane overtreding niet afziet van het opleggen van een waarschuwing. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat [appellante] [persoon A] gedurende zeven weken arbeid heeft laten verrichten zonder dat [appellante] over een tewerkstellingsvergunning beschikte. Door in deze periode een vreemdeling illegaal tewerk te stellen en andere werkzoekenden op de Nederlandse arbeidsmarkt niet aan te nemen heeft verdringing van legaal arbeidsaanbod plaatsgevonden. De minister heeft hierbij terecht betrokken dat [appellante] al eerder, in 2019, artikel 2, eerste lid, van de Wav heeft overtreden door een persoon arbeid te laten verrichten, zonder dat zij over een tewerkstellingsvergunning beschikte. Deze overtreding hield toen ook verband met het niet op de juiste wijze controleren van de identiteit van de desbetreffende arbeidskracht. [appellante] heeft na die eerste overtreding onvoldoende adequate maatregelen getroffen om soortgelijke overtredingen te voorkomen. Van een gecertificeerd uitzendbureau als [appellante] mag verwacht worden dat zij bekend is met de Wav en dat zij haar bedrijfsvoering erop heeft ingericht om overtredingen van de Wav te voorkomen. [appellante] heeft weliswaar in samenspraak met [bedrijf] na de tweede overtreding een periodiek controlesysteem opgezet waarbij zij de identiteit van een arbeidskracht op de eerste werkdag controleert en er ook een maandelijkse controle plaatsvindt, maar deze controlefrequentie is, zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld, onvoldoende. Ook heeft [appellante] deze controles te laat ingevoerd. Bij een maandelijkse controlefrequentie kan er immers nog gemakkelijk een persoonsverwisseling plaatsvinden. Gelet hierop heeft [appellante] niet aannemelijk gemaakt dat zij adequate maatregelen heeft getroffen. Verder heeft de minister, anders dan [appellante] betoogt, in e-mails van 10 oktober 2024 en 19 november 2024 uitgelegd hoe andere bedrijven in de uitzend- en logistieke sector te werk gaan en welke maatregelen [appellante] dus ook zou kunnen treffen. [appellante] heeft niet toegelicht waarom deze door de minister genoemde maatregelen te veel van haar capaciteit zouden vergen.
4.5. Daarnaast is de Afdeling het met de rechtbank eens dat [appellante] voldoende aanleiding had om de identiteit van de persoon die als [persoon B] aan het werk was te controleren. De toegangspas van [persoon B] heeft namelijk tot aan de overtreding in ieder geval een aantal weken klaargelegen en, anders dan [appellante] stelt, is deze niet opgehaald, terwijl ‘[persoon B]’ in deze weken wel bij [bedrijf] heeft gewerkt. De Afdeling volgt [appellante] daarom niet in haar betoog dat de minister had moeten afzien van de waarschuwing wegens verminderde verwijtbaarheid. De minister is bovendien ingegaan op de kwestie van matiging van de boetes, zowel voor de overtreding uit 2019 als de overtreding in de voorliggende zaak. De minister heeft daarbij deugdelijk gemotiveerd waarom hij niet afziet van de waarschuwing gelet op de matiging van de boetes.
Ad (ii) en (iii) Maatschappelijke en economische gevolgen voor derden
4.6. Uit de toelichting bij de Beleidsregel (Stcrt. 2012, 25533, blz. 4) volgt dat er situaties denkbaar zijn waarin het niet mogelijk of niet wenselijk is om werkzaamheden stil te leggen. Volgens de minister gaat het dan om technische mogelijkheden om werk stil te leggen of weer op te starten. Dit speelt vooral bij chemische bedrijven die vallen onder de werking van het Besluit risico’s zware ongevallen, zoals dit besluit gold tot en met 31 december 2023. Daarnaast moeten de vitale infrastructuren, zoals nutsvoorzieningen, in stand blijven. In het kader van de maatschappelijke gevolgen van een preventieve stillegging kan het wegens het belang van de openbare orde niet wenselijk zijn om onderdelen van bijvoorbeeld de politie of de brandweer stil te leggen. Ook is het niet wenselijk als openbare basisvoorzieningen, zoals het bevolkingsregister en het openbaar vervoer, niet meer beschikbaar zijn voor publiek.
4.7. De minister heeft zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat een eventuele stillegging van de werkzaamheden van [appellante] geen grote maatschappelijke gevolgen heeft. [appellante] behoort niet tot de vitale infrastructuur van Nederland. Zij houdt zich bezig met arbeidsbemiddeling en payrolling. De minister heeft er terecht op gewezen dat dit werkzaamheden zijn die overgenomen kunnen worden door andere ondernemingen die werkzaam zijn op het gebied van arbeidsbemiddeling en payrolling. Een eventuele stillegging van de activiteiten van [appellante] heeft daarom weinig invloed op de arbeidsbemiddeling en payrolling in heel Nederland. Gelet op het voorgaande heeft de minister kenbaar rekening gehouden met de maatschappelijke gevolgen van een preventieve stillegging.
4.8. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de minister echter niet deugdelijk gemotiveerd waarom hij niet afziet van het opleggen van de waarschuwing gelet op de economische gevolgen voor derden. De minister heeft zich in de besluiten van 12 januari 2023 en 22 december 2023 op het standpunt gesteld dat [appellante] niet heeft gemotiveerd dat een stillegging zodanige economische gevolgen voor derden heeft, dat een stillegging onevenredig is. Tijdens de zitting bij de Afdeling heeft de minister toegelicht dat hij pas bij een eventueel besluit tot stillegging gaat kijken naar de omvang van de stillegging. Hij heeft zich toen voor het eerst op het standpunt gesteld dat een eventuele stillegging zal neerkomen op een gedeeltelijke stillegging van de werkzaamheden van [appellante] op de locatie waar de overtreding heeft plaatsgevonden. De economische gevolgen voor derden zullen volgens de minister daarom beperkt zijn. Deze motivering van de minister is ontoereikend. De economische gevolgen voor derden zijn immers afhankelijk van de omvang van een stillegging. Over die omvang heeft de minister alleen te kennen gegeven dat een stillegging zal zien op de uitleenconstructie in het depot waar deze overtreding heeft plaatsgevonden en dat de gevolgen volgens hem beperkt zullen zijn. Over de voorgenomen duur van de stillegging heeft hij niets vermeld. Ook heeft hij geen inschatting gemaakt van de concrete economische gevolgen van een stillegging voor derden. [appellante] betoogt daarom terecht dat de minister onvoldoende is ingegaan op die gevolgen van een eventuele stillegging.
4.9. Het betoog slaagt.
Conclusie
5. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover deze gaat over de waarschuwing. Het besluit wordt vernietigd, voor zover deze gaat over de waarschuwing. De minister moet een nieuw besluit op bezwaar nemen met inachtneming van deze uitspraak. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling ook aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld. De minister moet het door [appellante] betaalde griffierecht vergoeden. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 22 november 2024 in zaak nr. 24/702, voor zover deze betrekking heeft op de waarschuwing preventieve stillegging;
III. bevestigt de uitspraak, voor zover aangevallen, voor het overige;
IV. vernietigt het besluit van 22 december 2023 met kenmerken WBJA/ABWA/1.2023.0260.001 en WBJA/ABWA/1.2023.0261.001, voor zover het de waarschuwing betreft;
V. bepaalt dat tegen het nieuw te nemen besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;
VI. gelast dat de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 579,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. J. Luijendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.A. Overeem, griffier.
w.g. Wissels
voorzitter
w.g. Overeem
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2026
899-1174
BIJLAGE
Wet arbeid vreemdelingen
Artikel 17b
1. Een daartoe door Onze Minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar kan, nadat een overtreding van een voorschrift of verbod bij of krachtens deze wet is geconstateerd die bestuurlijk beboetbaar is gesteld, aan de werkgever een schriftelijke waarschuwing geven dat bij herhaling van de overtreding of bij een latere overtreding van eenzelfde in de waarschuwing aangegeven wettelijke verplichting of verbod of bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen soortgelijke verplichtingen of verboden, door hem een bevel kan worden opgelegd dat door hem aangewezen werkzaamheden voor ten hoogste drie maanden worden gestaakt dan wel niet mogen worden aangevangen.
[…]
4. De waarschuwing, bedoeld in het eerste lid, vervalt indien na de dagtekening van de waarschuwing vijf jaren zijn verstreken.
Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2022
Artikel 10.1. Waarschuwing of stillegging van werkzaamheden
1. Na een herhaling van een overtreding of soortgelijke overtreding wordt een waarschuwing gegeven als bedoeld in artikel 17b, eerste lid, van de wet en indien een herhaling van die of een soortgelijke overtreding is geconstateerd als bedoeld in dat artikel van de wet, wordt een bevel opgelegd door de daartoe aangewezen ambtenaar dat de door hem aangewezen werkzaamheden voor een daarbij aangegeven periode worden stilgelegd dan wel niet mogen aanvangen.
[…]
4. Indien de aard van de overtreding of de met de overtreding samenhangende omstandigheden dan wel de gevolgen van een stillegging van de werkzaamheden daartoe aanleiding geven, kan worden afgezien van een waarschuwing als bedoeld in het eerste en tweede lid en kan worden afgezien van een bevel als bedoeld in het eerste en tweede lid. Een dergelijke waarschuwing wordt niet gegeven of een dergelijk bevel wordt niet opgelegd, indien de overtreding een handelen of nalaten betreft in strijd met de artikelen 2a, eerste lid, en 15 van de wet.
Beleidsregel preventieve stillegging arbeidswetten
Artikel 3. Duur van de preventieve stillegging
1. De preventieve stillegging duurt één maand, indien in de vijf jaar voorafgaand aan de preventieve stillegging geen eerdere preventieve stillegging heeft plaatsgevonden in verband met dezelfde of een soortgelijke overtreding.
[…]
Artikel 4. Het achterwege laten van een waarschuwing of van een bevel tot preventieve stillegging
1. Bij de overweging een waarschuwing of een bevel tot preventieve stillegging achterwege te laten in verband met de aard van de overtreding of de met de overtreding samenhangende omstandigheden wordt onder meer rekening gehouden met het type overtreding en de omvang van de overtreding.
2. Bij de overweging een waarschuwing of een bevel tot preventieve stillegging achterwege te laten in verband met de gevolgen van de overtreding wordt onder meer rekening gehouden met de maatschappelijke gevolgen en met de economische gevolgen voor derden.
3. Bij de overweging een waarschuwing of een bevel tot preventieve stillegging achterwege te laten kan rekening worden gehouden met het feit dat de toezichthouder de opgelegde boete heeft gematigd.