202407806/1/A3.
Datum uitspraak: 18 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], gevestigd in Aalten, waarvan de maten zijn [maat A], [maat B] en [maat C], (hierna: de maatschap),
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 20 november 2024 in zaken nrs. 22/5754, 23/2092, 23/5902 en 23/7190 in het geding tussen:
de maatschap
en
de burgemeester van Aalten.
Procesverloop
Bij besluit van 8 april 2022 heeft de burgemeester aan de maatschap een last onder dwangsom opgelegd.
Bij besluit van 1 november 2022 heeft de burgemeester het door de maatschap daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij besluiten van 26 juli 2022, 27 februari 2023, 11 mei 2023 en 22 februari 2024 is de burgemeester overgegaan tot invordering van verbeurde dwangsommen.
Bij uitspraak van 20 november 2024 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, de beroepen van de maatschap tegen het besluit van 1 november 2022 en de invorderingsbesluiten ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de maatschap hoger beroep ingesteld.
De burgemeester en de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) hebben ieder een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De maatschap heeft nadere stukken ingediend.
De burgemeester heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 januari 2026, waar de maatschap, vertegenwoordigd door mr. F.J.M. Kobossen, advocaat in Twello, en de burgemeester, vertegenwoordigd door D. Tuinte, zijn verschenen.
Overwegingen
1. De burgemeester heeft aan de maatschap de last onder dwangsom opgelegd wegens het zonder de vereiste exploitatievergunning en Drank- en Horecawetvergunning (per 1 juli 2021 en hierna: Alcoholwetvergunning) laten gebruiken van de Tico Tico Bar aan de [locatie] in Aalten voor feesten en partijen. De maatschap wordt gelast de geplande concerten, feesten en partijen die niet onder categorie 1 van de verleende Alcoholwetvergunning vallen geen doorgang te laten vinden en/of direct te beëindigen. Als de maatschap niet aan de last voldoet, dan verbeurt zij een dwangsom van € 10.000,00 per geconstateerde overtreding. De maximaal te verbeuren dwangsom is € 50.000,00.
Op basis van door toezichthouders van de gemeente opgestelde controlerapporten heeft de burgemeester vastgesteld dat de maatschap de opgelegde last op 9 april 2022, 10 april 2022, 26 juni 2022, 11 februari 2023 en 11 maart 2023 heeft overtreden en per overtreding een dwangsom van € 10.000,00 heeft verbeurd. In verband hiermee heeft de burgemeester de invorderingsbesluiten genomen.
De rechtbank heeft oplegging van de last en invordering van de dwangsommen door de burgemeester onderschreven.
2. De maatschap betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de vereniging Koninklijke Horeca Nederland, afdeling Aalten-Dinxperloo, (lees: de vereniging Afdeling Aalten van het Koninklijk Verbond van Ondernemers in het Horeca- en Aanverwante Bedrijf Horeca Nederland; hierna: KHN) belanghebbende bij de beroepen is en zij KHN daarom ten onrechte als partij, bedoeld in artikel 8:26, eerste lid, van de Awb heeft aangemerkt. Zij voert hiertoe aan dat KHN geen leden in de buurt heeft die concurrentie zouden kunnen ondervinden van de activiteiten die de maatschap verricht.
2.1. Naar het oordeel van de Afdeling is de rechtbank er terecht vanuit gegaan dat er horecaondernemers in de omgeving zijn gevestigd die lid zijn van KHN en door de niet toegestane activiteiten van de maatschap in hun concurrentiepositie kunnen worden geraakt. De maatschap heeft niet geconcretiseerd waarom de aanname van de rechtbank onjuist is.
Het betoog slaagt niet.
3. De maatschap betoogt daarnaast dat de door de burgemeester aan de last verbonden dwangsom te hoog is, omdat de festiviteiten haar geen winst opleveren.
3.1. Naar het oordeel van de Afdeling noopte de enkele omstandigheid dat de festiviteiten de maatschap geen winst opleveren, de burgemeester niet tot het verbinden van een lagere dwangsom aan de last.
Het betoog slaagt niet.
4. Wat de maatschap verder in hoger beroep aanvoert, is voornamelijk een herhaling van wat zij eerder in de procedure heeft aangevoerd en de rechtbank bij haar uitspraak heeft betrokken. Daarin ligt geen grond voor vernietiging van die uitspraak.
5. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.
6. De burgemeester hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.
Aldus vastgesteld door mr. W. den Ouden, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T. Hartsuiker, griffier.
w.g. Den Ouden
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Hartsuiker
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2026
620-1158