202404558/1/A3.
Datum uitspraak: 18 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 juni 2024 in zaak nr. 23/5127 in het geding tussen:
[appellant]
en
de korpschef van politie.
Procesverloop
Bij besluit van 28 februari 2023 heeft de korpschef de ten behoeve van [appellant] verleende toestemming om beveiligingswerkzaamheden te mogen verrichten, ingetrokken.
Bij besluit van 19 juni 2023 heeft de korpschef het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 10 juni 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De korpschef heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 28 januari 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. Z.M. Nasir, advocaat in Rotterdam, en de korpschef, vertegenwoordigd door V. Vermeulen LLM, zijn verschenen.
Overwegingen
1. De korpschef heeft krachtens artikel 7, vijfde lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus en met toepassing van paragraaf 3.3 van de Beleidsregels particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus 2019, de op 7 oktober 2021 ten behoeve van [appellant] verleende toestemming om beveiligingswerkzaamheden te mogen verrichten, ingetrokken, omdat er twijfel bestaat of [appellant] nog beschikt over de betrouwbaarheid die nodig is voor het te verrichten werk. De korpschef heeft die twijfel gebaseerd op onprofessioneel gedrag tijdens het werk op 10 september 2022 en het op hoge snelheid en onder invloed autorijden op 13 november 2022. Volgens de korpschef wegen het maatschappelijk belang van een betrouwbare veiligheidssector en de goede naam van de bedrijfstak zwaarder dan de persoonlijke belangen van [appellant]. Het intrekken van de toestemming is volgens de korpschef daarom noodzakelijk en passend.
2. De rechtbank heeft het standpunt van de korpschef, gebaseerd op opgemaakte mutatierapporten en processen-verbaal, onderschreven dat [appellant] niet langer beschikt over de betrouwbaarheid die nodig is voor het verrichten van beveiligingswerkzaamheden in de particuliere beveiligingsbranche. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de korpschef voldoende heeft gemotiveerd dat de intrekking van de toestemming noodzakelijk en passend is. Volgens de rechtbank heeft de korpschef de verleende toestemming mogen intrekken.
3. De gronden die [appellant] in hoger beroep aanvoert, zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan en heeft daarbij de door [appellant] aangehaalde rechtspraak betrokken. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 20 tot en met 28 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.
4. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
5. De korpschef hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Aldus vastgesteld door mr. W. den Ouden, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T. Hartsuiker, griffier.
w.g. Den Ouden
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Hartsuiker
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2026
620-1158