202404235/1/A3.
Datum uitspraak: 18 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], gevestigd in Aalten, waarvan de maten zijn [maat A], [maat B] en [maat C], (hierna: de maatschap),
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 7 juni 2024 in zaken nrs. 23/2070, 23/5737, 23/5905, 24/144, 24/396 en 24/1032 in het geding tussen:
de maatschap
en
de burgemeester van Aalten.
Procesverloop
Bij brieven van 11 juli 2022, 15 maart 2023, 22 maart 2023, 19 juni 2023, 24 juli 2023 en 15 augustus 2023 heeft de burgemeester gereageerd op meldingen van de maatschap over te houden incidentele festiviteiten.
Bij besluiten van 27 februari 2023, 15 augustus 2023, opnieuw 15 augustus 2023, 4 december 2023, 18 januari 2024 en opnieuw 18 januari 2024 heeft de burgemeester de daartegen door de maatschap gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 7 juni 2024 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, de door de maatschap daartegen ingestelde beroepen niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de maatschap hoger beroep ingesteld.
De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De maatschap heeft nadere stukken ingediend.
De burgemeester heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 januari 2026, waar de maatschap, vertegenwoordigd door mr. F.J.M. Kobossen, advocaat in Twello, en de burgemeester, vertegenwoordigd door D. Tuinte, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 8 van de Geluidsverordening evenementen en horeca 2015 gemeente Aalten mag binnen een inrichting maximaal 12 keer per kalenderjaar op een zelf te bepalen dag een incidentele festiviteit gehouden worden waarbij de maximaal toelaatbare geluidsniveaus als bedoeld in de artikelen 2.17 en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing zijn. Ingevolge artikel 13 worden de in artikel 8 bedoelde incidentele festiviteiten ten minste 14 dagen van tevoren gemeld bij de gemeente Aalten op het daarvoor digitaal beschikbaar gestelde meldingsformulier.
De maatschap heeft in het kader van deze regels een aantal meldingen gedaan over aan de [locatie] in Aalten te houden festiviteiten. Het gaat om een dansavond, excursies met livemuziek, een personeelsfeest met een DJ, een bedrijfsfeest met een rockband en een jubileum met een live band. De burgemeester heeft op de meldingen gereageerd door erop te wijzen dat op grond van de aan de maatschap verleende exploitatievergunning en Alcoholwetvergunning het houden van feesten, partijen en concerten ter plaatse niet is toegestaan. De burgemeester heeft de maatschap in verband hiermee bij besluiten van 8 april 2022 en 4 april 2023 lasten onder dwangsom opgelegd. Zie hierover de uitspraken van de Afdeling van vandaag in zaken nrs. 202407806/1/A3 en 202407307/1/A3.
De rechtbank heeft de beroepen niet-ontvankelijk verklaard omdat de maatschap geen belang bij inhoudelijke behandeling daarvan heeft. Daaraan heeft de rechtbank onder meer ten grondslag gelegd dat ook als de burgemeester de meldingen had geaccepteerd, het houden van de festiviteiten niet zou zijn toegestaan. Verder heeft de rechtbank niet aannemelijk geacht dat de maatschap als gevolg van het niet accepteren van de meldingen schade, volgens de maatschap bestaande uit de kosten voor het regelen van andere locaties en het afzeggen van festiviteiten, heeft geleden. De maatschap had die kosten volgens de rechtbank sowieso moeten maken, omdat het los van de meldingen al niet was toegestaan de festiviteiten te houden.
2. De maatschap betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij geen belang heeft bij inhoudelijke behandeling van de beroepen. Volgens haar heeft de rechtbank miskend dat zij wel belang heeft.
2.1. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en de door haar gegeven motivering. De maatschap heeft niet geconcretiseerd waarom die motivering onjuist of onvolledig is.
Het betoog slaagt niet.
3. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
4. De burgemeester hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Aldus vastgesteld door mr. W. den Ouden, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T. Hartsuiker, griffier.
w.g. Den Ouden
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Hartsuiker
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2026
620-1158