202404475/1/R4.
Datum uitspraak: 18 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
1. [appellant], wonend in Utrecht,
2. het college van burgemeester en wethouders van Utrecht,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 7 juni 2024 in zaak nr. 22/906 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college.
Procesverloop
Bij besluit van 11 juni 2021 heeft het college het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen de rookgasafvoer op het adres [locatie 1] in Utrecht afgewezen.
Bij besluit van 12 januari 2022 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 7 juni 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 12 januari 2022 vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven en een schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 9 oktober 2025, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. H. van Gellekom en mr. M. Snippe, vergezeld door B. Olsthoorn, M. van Ligten en W. Akkermans, zijn verschenen. Verder is op de zitting [partij], bijgestaan door mr. P.J. Gijsbertsen, advocaat te Utrecht, als partij gehoord.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] is eigenaar van het pand aan de [locatie 2] in Utrecht, dat grenst aan het pand van [partij] en [persoon], aan de [locatie 1]. [partij] heeft in de periode van november 1999 tot en met januari 2000 aan de achterzijde van zijn woning ter hoogte van de begane grond een aanbouw gerealiseerd en op het platte stuk van deze aanbouw een rookgasafvoer geplaatst. Volgens [appellant] bevindt deze rookgasafvoer zich te dicht bij de perceelsgrens van [locatie 2]. Hij heeft het college daarom op 2 maart 2021 verzocht om handhavend op te treden.
Ontvankelijkheid
2. De Afdeling ziet zich gesteld voor de ambtshalve te beoordelen vraag of [appellant] procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn hoger beroep en het college bij het incidenteel hoger beroep.
2.1. Procesbelang is het belang dat een appellant heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het doel dat de appellant voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de appellant van feitelijke betekenis is. Degene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk. De vraag of er procesbelang is, wordt beantwoord naar de stand van zaken op het moment van de uitspraak. Als de appellant stelt schade te hebben geleden, kan belang bestaan bij een inhoudelijke beoordeling van het (hoger) beroep. Voor het aannemen van procesbelang moet tot op zekere hoogte aannemelijk zijn dat schade is geleden als gevolg van het besluit.
Procesbelang [appellant] hoger beroep
2.2. De Afdeling oordeelt dat [appellant] geen procesbelang meer heeft bij een inhoudelijk oordeel over zijn hoger beroep. Het handhavingsverzoek van [appellant] is gericht tegen een onjuiste plaatsing van een rookgasafvoer. Op grond van het nadere stuk van het college van 19 januari 2025 heeft de Afdeling vastgesteld dat een nieuwe rookgasafvoer is aangelegd op een andere locatie met een andere uitmonding en dat de oude rookgasafvoer is verwijderd. Daargelaten het antwoord op de vraag of met de vorige rookgasafvoer sprake was van een overtreding, kan [appellant] niet meer bereiken dat het college handhavend optreedt tegen die rookgasafvoer. Bovendien heeft [appellant] ook niet gesteld schade te hebben geleden. Nu er geen procesbelang meer is, zal de Afdeling het hoger beroep van [appellant] niet-ontvankelijk verklaren. Dit betekent dat de Afdeling niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de gronden van [appellant] in hoger beroep.
Procesbelang college incidenteel hoger beroep
2.3. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van [appellant] tegen het besluit van 12 januari 2022 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Dit betekent dat de afwijzing van het handhavingsverzoek in stand is gelaten. Het college kan met het incidenteel hoger beroep dus niet een ander resultaat bereiken dan het al heeft bereikt. Gelet daarop heeft het college evenmin belang bij een beoordeling van het incidenteel hoger beroep. De wens van het college om een principieel rechterlijk oordeel te verkrijgen over de rechtmatigheid van de uitspraak, is daartoe onvoldoende. Het incidenteel hoger beroep van het college is daarom ook niet-ontvankelijk.
Overschrijding redelijke termijn
3. [appellant] heeft verzocht om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3.1. De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste vier jaar redelijk. Hierbij wordt een half jaar gerekend voor de behandeling van het bezwaar, anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep en twee jaar voor de behandeling van het hoger beroep. De termijn begint op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan.
3.2. Omdat de rechtbank in de uitspraak van 7 juni 2024 al een schadevergoeding heeft vastgesteld van € 1.000,00 vanwege het overschrijden van de redelijke termijn, begrijpt de Afdeling het verzoek van [appellant] in deze zaak zo dat hij een aanvullende schadevergoeding wenst.
3.3. Het college heeft het bezwaarschrift van [appellant] ontvangen op 8 juli 2021. De redelijke termijn is in deze procedure dus met negen maanden overschreden. De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Daarmee wordt de schadevergoeding vastgesteld op € 1.000,00. De rechtbank heeft al een schadevergoeding vastgesteld van € 1.000,00. Om die reden heeft [appellant] geen recht op een aanvullende schadevergoeding.
Conclusie
4. Het hoger beroep van [appellant] is niet-ontvankelijk. Het incidenteel hoger beroep van het college is niet-ontvankelijk. Het verzoek om aanvullende schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen.
5. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep van [appellant] niet-ontvankelijk;
II. verklaart het incidenteel hoger beroep van het college van burgemeester en wethouders van Utrecht niet-ontvankelijk;
III. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. N.H. van den Biggelaar, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Vermeulen, griffier.
w.g. Van den Biggelaar
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Vermeulen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2026
700-1096