202401988/1/R4.
Datum uitspraak: 18 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
1. [appellant sub 1], wonend in Utrecht,
2. het college van burgemeester en wethouders van Utrecht,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 19 februari 2024 in zaak nr. 22/2356 in het geding tussen:
[appellant sub 1]
en
het college.
Procesverloop
Bij besluit van 15 juni 2021 heeft het college een verzoek van [appellant sub 1] afgewezen om handhavend op te treden tegen de door de gemeente Utrecht verrichte herstelwerkzaamheden aan de lage walmuren langs de Stadsbinnengrachten in de gemeente Utrecht in strijd met de voorschriften 4 en 5 van een aan de gemeente verleende omgevingsvergunning.
Bij besluit van 20 april 2022 heeft het college het door [appellant sub 1] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 19 februari 2024 heeft de rechtbank het door [appellant sub 1] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 20 april 2022 vernietigd voor zover het college heeft beslist over vergunningvoorschrift 5 en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 20 april 2022 voor zover dat is vernietigd en een schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant sub 1] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingesteld.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 9 oktober 2025, waar [appellant sub 1] en het college, vertegenwoordigd door mr. H. van Gellekom en mr. M. Snippe, vergezeld door B. Olsthoorn, M. van Ligten en W. Akkermans, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt.
Het verzoek om handhaving van de Wabo en het Bouwbesluit 2012 (hierna: het Bouwbesluit) is gedaan op 12 april 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wabo en het Bouwbesluit, zoals die golden vóór 1 januari 2024, van toepassing blijven.
Inleiding
2. Op 10 december 2012 heeft het college aan de gemeente Utrecht een omgevingsvergunning verleend voor het reconstrueren van de lage walmuren langs de Stadsbinnengrachten in de gemeente Utrecht. Het college heeft aan deze omgevingsvergunning een aantal voorschriften verbonden, waaronder de voorschriften 4 en 5.
Voorschrift 4 luidt: "Het constructieprincipe is akkoord onder voorwaarden. Om de schade aan de naastliggende belendingen te voorkomen wordt een onderzoek door CRUX uitgevoerd. Het definitieve onderzoeksrapport is nog niet beschikbaar. In de ingediende stukken staat dat op basis van dit onderzoek een monitoringsplan wordt vastgesteld. Dat is echter niet voldoende. Monitoren kan de schade niet voorkomen. Afhankelijk van de resultaten van het CRUX-onderzoek moet derhalve nog een plan opgesteld en onderzocht worden om schade aan belendingen te voorkomen."
Voorschrift 5 luidt: "Uiterlijk drie weken voor de uitvoering van de werkzaamheden moet een bouwveiligheidsplan ter goedkeuring worden overgelegd."
3. In het voorjaar van 2021 is de gemeente gestart met voorbereidende werkzaamheden aan de lage walmuren in het gebied aan de Oudegracht tussen de Hamburgerbrug en Weesbrug in Utrecht (RAK 11). [appellant sub 1] is eigenaar van een in dat gebied gebouwd pand aan de [locatie 1] in Utrecht.
Het incidenteel hoger beroep van het college over het procesbelang
4. Het college betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat [appellant sub 1] geen belang had bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Het college voert aan dat het belang van [appellant sub 1] dat wordt vastgesteld dat de weigering om handhavend op te treden onrechtmatig is, omdat hij stelt schade te hebben geleden als gevolg van dat besluit, onvoldoende is om procesbelang aan te nemen. Volgens het college verloopt de bestuursrechtelijke procedure onafhankelijk van de civiele procedure. Daartoe wijst het college erop dat beide procedures hun eigen dynamiek kennen over tijdsverloop en een eigen juridisch kader en bewijsregels hebben.
4.1. Procesbelang is het belang dat een appellant heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het doel dat de appellant voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de appellant van feitelijke betekenis is. Degene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk. De vraag of er procesbelang is, wordt beantwoord naar de stand van zaken op het moment van de uitspraak. Als de appellant stelt schade te hebben geleden, kan belang bestaan bij een inhoudelijke beoordeling van het (hoger) beroep. Voor het aannemen van procesbelang moet tot op zekere hoogte aannemelijk zijn dat schade is geleden als gevolg van het besluit.
De rechtbank heeft terecht overwogen dat [appellant sub 1] met zijn uiteenzetting over bestaande scheuren in de muur van de werfkelder die volgens [appellant sub 1] als gevolg van de werkzaamheden zijn verergerd en nieuwe scheuren die zijn ontstaan en tot lekkage leiden, tot op zekere hoogte aannemelijk heeft gemaakt dat hij schade heeft geleden. De rechtbank heeft daarom ook terecht overwogen dat [appellant sub 1] belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Of deze schade daadwerkelijk het gevolg is van de verrichte werkzaamheden aan de lage walmuren is hiermee overigens niet komen vast te staan.
Het betoog slaagt niet.
Het hoger beroep van [appellant sub 1] over vergunningvoorschrift 4
5. [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college zijn handhavingsverzoek ten onrechte heeft afgewezen omdat volgens hem sprake is van een overtreding van vergunningvoorschrift 4. Volgens [appellant sub 1] heeft het college weliswaar rapporten opgesteld, maar staat in deze rapporten niet hoe en onder welke omstandigheden de vergunde werkzaamheden moeten worden uitgevoerd om schade aan belendingen te voorkomen.
5.1. In het in opdracht van het college opgestelde rapport van CRUX Engineering B.V. van 16 juni 2015 is een risicoanalyse gemaakt van de (omgevings)invloeden van de renovatie van alle walmuren op de werfmuren aan de Oudegracht in Utrecht. Het doel daarvan is het ontwerp, de bouwmethoden en preventieve mitigerende maatregelen aan te passen om het risico op (esthetische) schade aan bestaande constructies te beperken. Op basis van de risicoanalyse van 16 juni 2015 is in opdracht van het college door CRUX Engineering B.V. op 15 juni 2018 vervolgens een monitoringsplan vastgesteld voor de renovatie van alle walmuren aan de Oudegracht in Utrecht. In dit monitoringsplan staan alarm- en grenswaarden omschreven voor de in de risicoanalyse vastgestelde schadeveroorzakende bronnen en de bijbehorende te nemen maatregelen bij overschrijding, zodat de risico’s voor belendingen tijdens het project nauwlettend bewaakt worden en schade tijdig beperkt kan worden. Verder is in het in opdracht van het college opgestelde rapport van Wiertsema & Partners van 20 mei 2021 een monitoringsplan opgenomen specifiek voor de reconstructie van de lage walmuren in RAK 11.
Daarnaast is in een rapport van CRUX Engineering B.V. van 4 september 2020 specifiek voor [locatie 2] een risicoanalyse gemaakt, waarbij de grondvervormingen achter de walmuur als gevolg van de werkzaamheden op [locatie 2] zijn bepaald. In dat rapport is geconcludeerd dat het vervangen van de damwand in de gracht naar verwachting geen vervorming zal veroorzaken. In het in opdracht van het college opgestelde rapport van CRUX Engineering B.V. van 4 december 2020 staat vervolgens dat het vervormingsverloop bij de [locatie 2] vergelijkbaar is bij het pand van [locatie 1] en dat het risico op schade aan de achtergevel van [appellant sub 1] zeer klein is. Bovendien staat in een memo van 15 december 2020 van de stadsingenieurs dat het risico dat de werkzaamheden tot schade leiden aan de achtergevel van het pand aan de [locatie 1] verwaarloosbaar klein is, maar dat vanwege de bijzondere situatie dat de achtergevel ontbreekt, aanvullende beheersmaatregelen zijn getroffen.
De rechtbank heeft terecht overwogen dat de voormelde in opdracht van het college opgestelde rapporten en memo’s, in samenhang gelezen, allemaal gericht zijn op het voorkomen van schade aan de belendingen, zodat daarmee sprake is van een plan als bedoeld in vergunningvoorschrift 4. Dit betekent dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van een overtreding van voorschrift 4, zodat het niet bevoegd is om handhavend op te treden.
Voor het oordeel dat het college niet zou zijn uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, zoals [appellant sub 1] aanvoert, ziet de Afdeling gelet op de grote hoeveelheid uitgevoerde onderzoeken geen aanleiding.
Het betoog slaagt niet.
Het incidenteel hoger beroep over de verwijzing naar de rapporten bij vergunningvoorschrift 4
6. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het besluit van 20 april 2022 onvoldoende is gemotiveerd, omdat daarin een verwijzing naar de in opdracht van het college opgestelde rapporten ontbreekt. Volgens het college heeft [appellant sub 1] geen beroepsgrond aangevoerd over het ontbreken van de rapporten bij het besluit van 20 april 2022. Bovendien beschikte [appellant sub 1] al over de genoemde rapporten vanwege de door hem gevraagde voorlopige voorziening, aldus het college.
6.1. Artikel 8:69 van de Awb luidt:
"1. De bestuursrechter doet uitspraak op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting.
2. De bestuursrechter vult ambtshalve de rechtsgronden aan.
3. De bestuursrechter kan ambtshalve de feiten aanvullen."
6.2. Anders dan het college betoogt hield partijen, gelet op de in beroep door [appellant sub 1] aangevoerde gronden, verdeeld dat volgens vergunningvoorschrift 4 een plan moet worden gemaakt om schade aan belendingen te voorkomen. In het besluit van 20 april 2022 wordt gewezen op het rapport van 4 september 2020, het rapport van 3 februari 2021 en de notitie van 4 december 2020, op grond waarvan volgens het college is voldaan aan vergunningvoorschrift 4. Daarmee zijn deze rapporten ten grondslag gelegd aan het besluit van 20 april 2022. Vast staat dat het college deze rapporten niet bij het besluit van 20 april 2022 heeft gevoegd. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de rechtbank buiten de omvang van het geding is getreden met het oordeel dat deze rapporten bij het besluit van 20 april 2022 hadden moeten worden gevoegd.
Het betoog slaagt niet.
Het incidenteel hoger beroep over vergunningvoorschrift 5
7. Het college betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de door de gemeente verrichte werkzaamheden aan de lage walmuren in strijd met vergunningvoorschrift 5 zijn verricht, omdat geen bouwveiligheidsplan is opgesteld. Daartoe wijst het college erop dat [appellant sub 1] geen beroepsgrond heeft aangevoerd over vergunningvoorschrift 5.
7.1. Zoals de rechtbank heeft overwogen, heeft [appellant sub 1] in een aanvullend beroepschrift een beroepsgrond aangevoerd over vergunningvoorschrift 5. Ter zitting bij de rechtbank is, nadat het college gelegenheid is geboden dat stuk te bekijken omdat het abusievelijk niet was verzonden naar het college, inhoudelijk vergunningvoorschrift 5 aan de orde gesteld. Nu de rechtbank ingevolge artikel 8:69, eerste lid, van de Awb mede op grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting uitspraak doet, is de rechtbank niet buiten de omvang van het geding getreden door te beoordelen dat de verrichte werkzaamheden in strijd met vergunningvoorschrift 5 zijn uitgevoerd.
Het betoog slaagt niet.
Overschrijding redelijke termijn
8. [appellant sub 1] heeft verzocht om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
8.1. De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste vier jaar redelijk. Hierbij wordt een half jaar gerekend voor de behandeling van het bezwaar, anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep en twee jaar voor de behandeling van het hoger beroep. De termijn begint op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan.
8.2. Omdat de rechtbank in de uitspraak van 19 februari 2024 al een schadevergoeding heeft vastgesteld van € 1.000,00 vanwege het overschrijden van de redelijke termijn, begrijpt de Afdeling het verzoek van [appellant sub 1] in deze zaak zo dat hij een aanvullende schadevergoeding wenst.
8.3. Het college heeft het bezwaarschrift van [appellant sub 1] ontvangen op 23 juni 2021. De redelijke termijn is in deze procedure dus met tien maanden overschreden. De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Daarmee wordt de schadevergoeding vastgesteld op € 1.000,00. De rechtbank heeft al een schadevergoeding vastgesteld van € 1.000,00. Om die reden heeft [appellant sub 1] geen recht op een aanvullende schadevergoeding.
Conclusie
9. Het hoger beroep van [appellant sub 1] is ongegrond. Het incidenteel hoger beroep van het college is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd, voor zover aangevallen. Het verzoek om aanvullende schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen.
10. Het college moet de proceskosten vergoeden. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen;
II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Utrecht tot vergoeding van bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het incidenteel hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 975,01, waarvan € 934,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
III. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. N.H. van den Biggelaar, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Vermeulen, griffier.
w.g. Van den Biggelaar
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Vermeulen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2026
700-1096