202306378/1/A3.
Datum uitspraak: 18 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
Porco B.V., gevestigd in Delden, gemeente Hof van Twente,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 6 september 2023 in zaak nr. 22/4437 in het geding tussen:
Porco
en
het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal.
Procesverloop
Bij besluit van 13 augustus 2021 heeft het college beslist op een verzoek van Porco op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob).
Bij besluit van 9 augustus 2022 heeft het college het door Porco daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en alsnog documenten (gedeeltelijk) openbaar gemaakt.
Bij besluit van 2 februari 2023 heeft het college een nieuw besluit op bezwaar genomen en alsnog een aantal documenten (gedeeltelijk) openbaar gemaakt.
Bij uitspraak van 6 september 2023 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het door Porco ingestelde beroep tegen het besluit van 2 februari 2023 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. Verder heeft de rechtbank het college opgedragen een nieuw besluit te nemen.
Tegen deze uitspraak heeft Porco hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Bij besluit van 24 oktober 2023 heeft het college nog een aantal documenten openbaar gemaakt.
Porco heeft tegen dit besluit gronden ingediend.
Het college heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 16 januari 2026, waar Porco, vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en [gemachtigde
B], bijgestaan door M.V. Hazekamp, rechtsbijstandsverlener in Delden, en het college, vertegenwoordigd door M. van Kooten, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Op 23 juni 2021 heeft Porco op grond van de Wob verzocht om openbaarmaking van documenten van ambtenaren, betrokken wethouders en ingeschakelde derden over de vergunningaanvraag die zij heeft ingediend voor een omgevingsvergunning. Het college heeft bij het besluit van 13 augustus 2021 een aantal documenten gedeeltelijk openbaar gemaakt. Bij het besluit van 9 augustus 2022 heeft het college het door Porco daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en besloten alsnog een aantal documenten gedeeltelijk openbaar te maken. Met het besluit van 2 februari 2023 heeft het college het besluit van 9 augustus herzien en ambtshalve een aantal documenten aanvullend openbaar gemaakt. De rechtbank heeft het beroep van Porco tegen dat besluit gegrond verklaard en geoordeeld dat het college een nieuw besluit op bezwaar moet nemen voor zover geen navraag is gedaan bij onderzoeksbureau Tauw over documenten van de vervolgopdracht bij de omgevingsvergunning en voor zover het college de bijlagen bij de e-mails van 26 januari, 19 en 20 april 2021 niet heeft verstrekt.
Hoger beroep
Toepasselijke regelgeving
2. Porco betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college op goede gronden het besluit van 2 februari 2023 op grond van de Wet open overheid (hierna: Woo) heeft genomen. Zij voert hiertoe aan dat in dit specifieke geval een uitzondering moet worden gemaakt op de onmiddellijke werking van de Woo. Zij heeft destijds namelijk tijdig bezwaar gemaakt tegen het beluit van 13 augustus 2021. De termijn om op het bezwaar te beslissen verstreek op 29 januari 2022, toen de Wob nog van toepassing was. Het college heeft verzuimd tijdig op dit bezwaar te beslissen. Daardoor heeft het college bewerkstelligd dat bepaalde documenten niet openbaar gemaakt hoefden te worden, terwijl dit op grond van de Wob wel had gemoeten. De Woo voorziet namelijk in de bescherming van concurrentiegevoelige bedrijfs- en fabricagegegevens, en de Wob niet. De onmiddellijke werking van de Woo leidt in dit geval daarom tot strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.
2.1. Op 1 mei 2022 is de Woo in werking getreden. Artikel 10.1 van de Woo bepaalt dat de Wob wordt ingetrokken. Er is niet voorzien in overgangsrecht. Dat betekent dat de Woo onmiddellijke werking heeft en dat met ingang van 1 mei 2022 besluiten op vóór de inwerkingtreding van de Woo ingediende Wob-verzoeken met inachtneming van de bepalingen van de Woo moeten worden genomen. Dat geldt in principe ook voor besluiten op bezwaar of besluiten die worden genomen na een bestuurlijke of judiciële lus. De Afdeling stelt vast dat het college, voor zover hier aan de orde, het besluit op bezwaar op 2 februari 2023 heeft genomen, dus na 1 mei 2022. Het college heeft dit besluit dan ook terecht op grond van de Woo genomen (vergelijk de uitspraak van 26 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1272, r.o. 8).
2.2. Voor zover Porco aanvoert dat de Wob bedrijfs- en fabricagegegevens niet zou beschermen, overweegt de Afdeling dat de Wob een gelijkluidende beschermingsbepaling voor bedrijfs- en fabricagegegevens als de Woo bevatte (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2982, r.o. 6). De onmiddellijke werking van de Woo is in dit geval dan ook alleen al om die reden niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Evenmin is gebleken dat er andere omstandigheden zijn die rechtvaardigen dat in dit specifieke geval een uitzondering op de onmiddellijke werking van de Woo gemaakt zou moeten worden. Gelet hierop is de Afdeling, net als de rechtbank, van oordeel dat het college in het besluit op bezwaar terecht heeft verwezen naar de Woo.
2.3. Het betoog slaagt niet.
Meer stukken
3. Porco betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de stelling van het college dat het niet beschikt over meer of andere documenten over de second opinion van De Roever Omgevingsadvies niet ongeloofwaardig is. Zij voert hiertoe aan dat met de nieuwe zoekslagen keer op keer nieuwe documenten zijn gevonden, terwijl het college stelde niet over meer documenten te beschikken. Dat het college nu weer stelt niet te beschikken over meer of andere documenten over de second opinion, maakt dat het besluit van 2 februari 2023 onvoldoende is gemotiveerd. De stelling van het college komt namelijk ongeloofwaardig voor en daarom moet het college aannemelijk maken dat het niet beschikt over meer documenten. Verder heeft Porco op de zitting hierover nog aangevoerd dat uit een Woo-verzoek is gebleken dat het college niet de juiste zoektermen had gebruikt, zo had het college waarschijnlijk meer documenten gevonden zonder de toevoeging ‘B.V.’.
3.1. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, het in beginsel aan degene is die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, een bepaald document toch onder dat bestuursorgaan berust. De rechtbank heeft in dit verband terecht naar de uitspraak van de Afdeling van 17 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1231 gewezen.
3.2. Bij de beoordeling of een stelling van een bestuursorgaan de Afdeling niet ongeloofwaardig voorkomt, zal worden betrokken op welke wijze het onderzoek is verricht (vergelijk bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 4 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1743).
3.3. Het college heeft gesteld dat ten tijde van de besluitvorming de behandelend ambtenaren zijn verzocht om te zoeken naar documenten, voornamelijk e-mails en andere communicatie. Verder heeft het college op de zitting bij de Afdeling over de zoekslag nog toegelicht dat nu niet terug te halen is op welke woorden toen exact is gezocht, omdat de daarmee belaste ambtenaren niet meer in dienst zijn bij de gemeente. Inmiddels heeft de gemeente een nieuwe Woo-coördinator in dienst, die bij de eerdere besluitvorming niet betrokken is geweest. Deze coördinator is bekend met de eerdere zoekslagen en de kritiek daarop en heeft vervolgens nogmaals in de systemen alle bestanden doorzocht, maar heeft in deze zoekslag geen nieuwe documenten aangetroffen.
3.4. Verder overweegt de Afdeling dat het enkele feit dat het college een aantal keren aanvullende zoekslagen heeft gedaan waaruit nieuwe documenten zijn gevonden die onder de reikwijdte van het verzoek vallen, niet betekent dat nu ook nog relevante documenten bij het college berusten (vergelijk de uitspraak van 31 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3088, r.o. 5.1). Het college noemt als mogelijke verklaring voor het ontbreken van verdere documenten, dat in het kader van de second opinion ook mondeling is gecommuniceerd, waarover niets schriftelijk is vastgelegd. Zo heeft de behandelend ambtenaar verklaard dat de opdracht voor de second opinion mondeling is verstrekt. Deze verklaring komt de Afdeling niet ongeloofwaardig voor. Porco heeft geen aanknopingspunten gegeven waaruit zou blijken dat dit anders zou zijn. Gelet op het bovenstaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat Porco niet aannemelijk heeft gemaakt dat nog meer documenten waar het verzoek op betrekking heeft bij het college berusten.
3.5. Het betoog slaagt niet.
Weigeringsgrond
4. Porco betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college terecht op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder f, van de Woo de geldbedragen op de facturen van De Roever Omgevingsadvies geheim heeft gehouden. Zij voert hiertoe aan dat het verzoek niet beoordeeld moet worden op grond van de bepalingen uit de Woo, maar op grond van de Wob. De Wob kent geen vergelijkbare weigeringsgrond.
4.1. Zoals onder 2.2 is geoordeeld, heeft het college in het besluit van 2 februari 2023 terecht verwezen naar de Woo en daarom slaagt dit betoog niet.
Recht op een eerlijk proces
5. Porco betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat haar recht op een eerlijk proces, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) zwaarder weegt dan het belang van De Roever Omgevingsadvies bij de geheimhouding van bepaalde concurrentiegevoelige geldbedragen en het belang van personen die volgens het college niet vanwege hun functie in openbaarheid treden bij de geheimhouding van hun namen. Zij wil met deze gegevens zicht krijgen of aan De Roever Omgevingsadvies een hoger bedrag is betaald dan gebruikelijk om tot een bepaalde conclusie te komen. Ook wil zij weten welke personen actief betrokken zijn geweest bij de totstandkoming van de second opinion van De Roever Omgevingsadvies. Dit om vast te stellen wie hoofdelijk zal kunnen worden aangesproken tot vergoeding van de geleden schade.
5.1. Uitgangspunt van de Woo is - net zoals bij de Wob - dat het recht op openbaarmaking uitsluitend het publieke belang van een goede en democratische bestuursvoering dient. In geval een verzoek om informatie een afweging van belangen vereist, wordt het algemene of publieke belang bij openbaarmaking van de gevraagde informatie afgewogen tegen de door de weigeringsgronden te beschermen belangen, maar niet het specifieke of persoonlijke belang van de verzoeker. Het specifieke of persoonlijke belang van de verzoeker om informatie is dan ook niet relevant voor de vraag of een bestuursorgaan verplicht is een verzoek om openbaarmaking in te willigen (vergelijk de uitspraak van 28 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:843). Artikel 6 van het EVRM, waarin het recht op een eerlijk proces is neergelegd, speelt in een procedure over een besluit op grond van de Woo geen rol, aangezien in een dergelijke procedure allen het algemeen belang bij openbaarmaking aan de orde is en niet enig burgerrechtelijk recht of enige burgerrechtelijke verplichting van de verzoeker (vergelijk de uitspraak van 15 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1046, onder 10.1). Dat de verzoeker stelt een belang te hebben bij openbaarmaking van documenten omdat hij deze documenten wil gebruiken in een procedure waarbij zijn burgerrechtelijke rechten wel aan de orde zijn, maakt dat niet anders. De waarborgen die uit artikel 6 van het EVRM voor een procedure waarop deze bepaling van toepassing is, voortvloeien, worden verzekerd door de procesregels die voor die specifieke procedure gelden en beslissingen daarover moeten door de rechter in die procedure worden genomen. In een Woo-procedure kan niet worden beoordeeld welke verplichtingen voor een bestuursorgaan in die specifieke procedure gelden. Het voorgaande leidt ertoe dat het beroep van Porco op artikel 6 van het EVRM faalt.
5.2. Het betoog slaagt niet.
Conclusie hoger beroep
6. Het hoger beroep is ongegrond.
Nieuw besluit op bezwaar van 24 oktober 2023
7. Ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank heeft het college op 24 oktober 2023 een nieuw besluit op bezwaar genomen. Dit besluit is op grond van artikel 6:19, eerste lid, in samenhang gelezen met artikel 6:24, van de Algemene wet bestuursrecht onderdeel van deze procedure. Dat betekent dat de Afdeling ook een oordeel zal geven over dit besluit.
7.1. Met het besluit van 24 oktober 2023 heeft het college het besluit van 2 februari 2023 wat betreft de hiervoor onder 1 genoemde onderdelen herzien. Daarvoor heeft het college opnieuw onderzocht of er documenten over de vervolgopdracht aan onderzoeksbureau Tauw bestaan. In dat kader heeft het college toegelicht dat de in de e-mail van de gemeente van 26 oktober 2021 genoemde vervolgopdracht aan het onderzoeksbureau nooit is gegeven. De ambtenaar die deze e-mail heeft verzonden, heeft dit verklaard. Daarom heeft het college niet verder onderzoek gedaan naar documenten hierover.
7.2. Het besluit op bezwaar dat in beroep ter beoordeling staat, is genomen op 24 oktober 2023, dus na 1 mei 2022. Dat betekent dat in beroep ook de Woo van toepassing is.
Beroep
8. Porco betoogt dat niet duidelijk is op welke wijze het college naar de gevraagde documenten heeft gezocht. Verder betoogt Porco dat het college ten onrechte niet heeft voldaan aan de door de rechtbank gestelde vervolgopdracht om bij onderzoeksbureau Tauw navraag te doen. Daarbij voert Porco aan dat de verklaring van de ambtenaar dat nooit een vervolgopdracht is gegeven ongeloofwaardig is. Gezien de e-mail van 26 oktober 2021 moet hierover volgens Porco intern of extern zijn gecommuniceerd. De zoektocht van het college is dus niet inzichtelijk en onvolledig geweest.
8.1. Op de zitting bij de Afdeling heeft het college opgemerkt de dag voor de zitting alsnog navraag te hebben gedaan bij Tauw. In de ter zitting overgelegde e-mail van 15 januari 2026 staat dat Tauw verklaart geen vervolgopdracht van de gemeente te hebben ontvangen en dat het Tauw dan ook geen werkzaamheden heeft verricht in verband met de aanvraag tot verlening van de betreffende omgevingsvergunning. Porco heeft bij e-mail van 16 januari 2026 verklaard het met het college erover eens te zijn dat het informatieverzoek aan Tauw toereikend was en dat uit het antwoord van Tauw genoegzaam volgt dat geen vervolgopdracht is verstrekt. Wat Porco verder over de gestelde vervolgopdracht bij onderzoeksbureau Tauw heeft aangevoerd, behoeft daarom geen bespreking meer.
8.2. Hetgeen Porco verder heeft aangevoerd, leidt niet tot het oordeel dat het besluit van 24 oktober 2023 voor vernietiging in aanmerking komt.
Conclusie beroep
9. Het beroep is ongegrond.
Eindconclusie
10. Het hoger beroep is ongegrond. Het beroep tegen het besluit van
24 oktober 2023 is ongegrond.
11. Het college hoeft de proceskosten niet te vergoeden.
Overschrijding redelijke termijn
12. Porco heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade in verband met de overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM.
12.1. De redelijke termijn, die uitgangspunt is voor de afdoening van bestuursrechtelijke geschillen die bestaan uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties, is in dit geval vier jaar. De redelijke termijn vangt aan op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift heeft ontvangen. Zie de uitspraak van de Afdeling van 18 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:155, onder 6.2.
12.2. Het college heeft het door Porco gemaakte bezwaar ontvangen op 24 september 2021. Dat betekent dat de redelijke termijn op die datum is aangevangen.
12.3. Met de uitspraak van vandaag heeft de Afdeling op het hoger beroep beslist. Dat betekent dat de redelijke termijn met ruim vijf maanden is overschreden.
12.4. De Afdeling zal, uitgaande van een forfaitair tarief van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, de schadevergoeding voor Porco vaststellen op een bedrag van € 500,00, als vergoeding van de door haar geleden immateriële schade.
12.5. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren. Zie de uitspraak van de Afdeling van 18 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:176, onder 5.1.
12.6. Uit het voorgaande blijkt dat de overschrijding van de redelijke termijn aan zowel het college als aan de Afdeling is toe te rekenen. Het college heeft het bezwaar namelijk ontvangen op 24 september 2021 en heeft daarop besloten op 9 augustus 2022. De behandeling van het bezwaar heeft daarmee ruim vier maanden te lang geduurd. Het beroepschrift is op 19 september 2022 door Porco ingediend. De Afdeling heeft het hoger beroepschrift ontvangen op 9 oktober 2023 en heeft met de uitspraak van vandaag op dat hoger beroep beslist. De behandeling van het hoger beroep heeft daarmee vijf maanden te lang geduurd. De Afdeling zal daarom het college en de Staat der Nederlanden (te voldoen door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) veroordelen tot betaling van € 500,00 aan Porco als vergoeding van de door hem geleden immateriële schade (4/9 aan het college en 5/9 aan de Staat der Nederlanden).
12.7. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt daarom toegewezen.
13. Het college en de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) moeten ieder voor de helft de proceskosten vergoeden die Porco heeft gemaakt in verband met het verzoek om schadevergoeding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep ongegrond;
II. verklaart het beroep tegen het besluit van 24 oktober 2023 ongegrond;
III. wijst het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn toe;
IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal om aan Porco B.V. te betalen een vergoeding voor immateriële schade van € 222,22;
V. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan Porco B.V. te betalen een vergoeding voor immateriële schade van € 277,78;
VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal tot vergoeding van bij Porco B.V. in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 233,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VII. veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot vergoeding van bij Porco B.V. in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 233,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. G.O. van Veldhuizen, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, griffier.
w.g. Daalder
voorzitter
w.g. Bindels
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2026
85-1050