202404341/1/A3.
Datum uitspraak: 18 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Maastricht,
appellante,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg (rechtbank) van 7 juni 2024 in zaken nrs. 24/2643 en 24/2647 in het geding tussen:
[appellant]
en
de burgemeester van Maastricht.
Procesverloop
Bij besluit van 14 december 2023 heeft de burgemeester [appellant] gelast de woning aan de [locatie] in Maastricht te sluiten voor de duur van drie maanden.
Bij besluit van 28 februari 2024 heeft de burgemeester het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en besloten om de woning op 17 april 2024 voor de duur van drie maanden te sluiten.
Bij uitspraak van 7 juni 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 28 februari 2024 vernietigd, het besluit van 14 december 2023 herroepen en de burgemeester opgedragen opnieuw te beslissen op het door [appellant] gemaakte bezwaar.
Tegen deze uitspraak heeft de burgemeester hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 17 juli 2024 heeft de burgemeester uitvoering gegeven aan de opdracht van de rechtbank en het bezwaar van [appellant] opnieuw ongegrond verklaard en besloten om de woning op 26 juli 2024 voor de duur van drie maanden te sluiten.
[appellant] heeft zowel incidenteel hoger beroep als voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld en een schriftelijke uiteenzetting en een zienswijze gegeven.
Bij besluit van 17 december 2025 heeft de burgemeester het besluit van 17 juli 2024 ingetrokken en het besluit van 14 december 2023 herroepen.
De burgemeester heeft nadere stukken ingediend.
Geen van partijen heeft binnen de gestelde termijn van twee weken verklaard gebruik te willen maken van het recht op een zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in samenhang met artikel 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft gesloten.
Overwegingen
Inleiding
1. De burgemeester heeft het door hem ingestelde hoger beroep bij brief van 17 december 2025 ingetrokken. Daarmee is het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van [appellant] komen te vervallen. De Afdeling zal hierna wel nog een oordeel geven over het door [appellant] ingestelde incidenteel hoger beroep. Verder zal de Afdeling het verzoek van [appellant], om de burgemeester in de door haar voor het door de burgemeester ingestelde hoger beroep gemaakte proceskosten te veroordelen, beoordelen.
Incidenteel hoger beroep
2. [appellant] betoogt terecht dat de rechtbank de burgemeester ook had moeten gelasten het griffierecht voor het door haar ingediende verzoek om een voorlopige voorziening te betalen. Zoals [appellant] terecht aanvoert is haar verzoek alleen afgewezen omdat het beroep met toepassing van artikel 8:86 van de Awb gegrond is verklaard.
3. Het incidenteel hoger beroep van [appellant] is gegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd voor zover de burgemeester daarbij niet ook is gelast om het door [appellant] voor het door haar ingediende verzoek om een voorlopige voorziening betaalde griffierecht aan haar te betalen. De Afdeling zal doen wat de rechtbank zou behoren te doen en ze zal gelasten dat de burgemeester het griffierecht vergoedt.
Verzoek om proceskostenvergoeding
4. Op grond van artikel 8:118, eerste lid, van de Awb kan in het geval het hoger beroep door het bestuursorgaan wordt ingetrokken het bestuursorgaan op verzoek van een partij in de kosten worden veroordeeld. De burgemeester heeft het hoger beroep ingetrokken nadat [appellant] een schriftelijke uiteenzetting heeft gegeven. [appellant] heeft verzocht om vergoeding van de proceskosten die zij hiervoor heeft gemaakt. Deze kosten komen voor vergoeding in aanmerking. Het verzoek moet op na te melden wijze worden toegewezen.
5. De burgemeester moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg van 7 juni 2024 in zaken nrs. 24/2643 en 24/2647 voor zover de burgemeester van Maastricht daarbij niet ook is gelast om het door [appellant] voor het door haar ingediende verzoek om een voorlopige voorziening betaalde griffierecht aan haar te betalen;
III. gelast dat de burgemeester van Maastricht aan [appellant] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 187,00 voor de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen vergoedt;
IV. veroordeelt de burgemeester van Maastricht tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, voorzitter, en mr. N.H. van den Biggelaar en mr. M.J.M. Ristra-Peeters, leden, in tegenwoordigheid van mr. W. Dijkshoorn, griffier.
w.g. Willems
voorzitter
w.g. Dijkshoorn
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2026
735-1146