202500620/1/A2.
Datum uitspraak: 18 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 december 2024 in zaak nr. 23/3099 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Financiën (voorheen: de Belastingdienst/Toeslagen).
Procesverloop
Bij besluiten van 26 juli 2022 en 27 oktober 2022 heeft de minister aanvragen van [appellant] om overneming van private schulden afgewezen.
Bij besluit van 21 maart 2023 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 19 december 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 23 februari 2026, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. drs. A. Divis-Stein en mr. M. Bouhoud, is verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. In deze zaak gaat het over besluiten op grond van de regeling voor overneming en betaling van private schulden die is opgenomen in de Wet hersteloperatie toeslagen (de Wht).
2. In hoofdstuk 4 van de Wht is geregeld onder welke voorwaarden gedupeerden in aanmerking komen voor het overnemen en betalen van private schulden. Uit artikel 4.1, tweede lid, van de Wht volgt dat het bij schulden die worden overgenomen moet gaan om geldschulden die zijn ontstaan na 31 december 2005, die vóór 1 juni 2021 opeisbaar waren en niet zijn voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan. In artikel 4.1, derde lid, van de Wht is opgenomen welke geldschulden en kosten worden overgenomen. Dat is, zoals opgenomen in onderdeel b van het derde lid, onder meer een private schuld die is vastgelegd in een notariële akte, of waarvan blijkt uit een rechterlijke uitspraak, indien de daaraan voorafgaande ingebrekestelling of dagvaarding of het daaraan voorafgaande verzoekschrift dateert van vóór 1 juni 2021. In artikel 4.1, vierde lid, van de Wht is opgenomen welke geldschulden en kosten niet worden overgenomen.
3. [appellant] is aangemerkt als gedupeerde ouder van de toeslagenaffaire. Hij heeft de minister verzocht om overname van private schulden. Het gaat om een informele schuld aan zijn zus [persoon] van € 18.000,00, een schuld van € 680,01 aan Coderingsvrij, een schuld van € 565,32 aan D&S Vastgoed en twee schulden aan De Friesland van € 792,05 en € 196,00.
4. De minister heeft geweigerd deze schulden over te nemen, omdat er sprake is van een informele schuld aan [persoon] waarvoor geen notariële akte is opgemaakt, de schuld aan Coderingsvrij reeds is voldaan en de schulden aan D&S Vastgoed en De Friesland zijn ontstaan na 31 mei 2021 en dus niet vóór 1 juni 2021 opeisbaar waren. De minister heeft de afwijzing van deze aanvragen in bezwaar gehandhaafd.
Uitspraak van de rechtbank
5. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister terecht de overname van de private schulden heeft afgewezen. Zij heeft daartoe overwogen dat de schulden niet voldoen aan de wettelijke vereisten van artikel 4.1, tweede lid en onderdeel b van het derde lid, van de Wht. Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld dat de informele schuld aan [persoon] niet is vastgelegd in een notariële akte en dat de rechtbank deze eis niet opzij kan zetten, dat de schuld aan Coderingsvrij reeds was voldaan ten tijde van de aanvraag en dat de schulden aan D&S Vastgoed (huur over de maand februari 2022) en De Friesland (maandelijkse zorgpremies van na juni 2021) buiten de in de wet vastgestelde referteperiode opeisbaar zijn geworden.
Beoordeling van het hoger beroep
6. De gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd, zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden door de rechtbank onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 4.1, 5.1, 6.1, 7.1 en 8.1 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Het betoog dat aan de onderhandse akte van de schuld aan [persoon] op grond van artikel 157 tweede lid van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering - overigens alleen tussen de betreffende partijen - dwingende bewijskracht toekomt, maakt niet dat aan het ontbreken van de notariële akte voorbij moet worden gegaan.
7. De Afdeling voegt daaraan verder nog toe dat het betoog van [appellant], dat de rechtbank ten onrechte heeft afgezien van exceptieve toetsing van de Wht, niet slaagt. Ook het betoog dat de rechtbank ten onrechte de omstandigheden, waaronder het oordeel van de civiele rechter, dat de Staat in de toeslagenaffaire onrechtmatig heeft gehandeld, alsook de bevindingen van het College voor de Rechten van de Mens over discriminatie in de toeslagenaffaire, niet heeft betrokken, slaagt niet. Deze gronden raken aan rechtsvragen die de Afdeling al eerder heeft beantwoord. De Afdeling verwijst hierbij naar haar uitspraken van 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2040 en 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2996.
Conclusie
8. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
9. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Yildiz, griffier.
w.g. Willems
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Yildiz
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2026
594-1189