ECLI:NL:RVS:2026:1571

ECLI:NL:RVS:2026:1571

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 18-03-2026
Datum publicatie 18-03-2026
Zaaknummer 202302137/1/R4
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Bij besluit van 15 april 2021 heeft het college het verzoek van [appellante] om handhavend op te treden tegen het verbranden van afvalstoffen op grond van artikel 10.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer (Wm) op het perceel [locatie 1] in Eindhoven, afgewezen. [appellante] woont aan de [locatie 2] in Eindhoven. Zij ervaart overlast door het stoken van een houtkachel in de aangrenzende woning aan de [locatie 1]. Volgens [appellante] wordt de overlast veroorzaakt doordat wordt gestookt met afvalstoffen, zoals oud meubilair en afvalhout. Mede daarom heeft zij op 1 maart 2021 een verzoek ingediend bij het college om tegen deze situatie handhavend op te treden. Het college heeft dit verzoek bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 15 april 2021 afgewezen.

Uitspraak

202302137/1/R4.

Datum uitspraak: 18 maart 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend in Eindhoven,

appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 15 april 2021 heeft het college het verzoek van [appellante] om handhavend op te treden tegen het verbranden van afvalstoffen op grond van artikel 10.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer (Wm) op het perceel [locatie 1] in Eindhoven, afgewezen.

Bij besluit van 15 september 2021 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

[appellante] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 9 januari 2026, waar [appellante] en via een videoverbinding het college, vertegenwoordigd door mr. G.D. van Leeuwen en mr. E. van Klinken, zijn verschenen. De zaak is op de zitting gelijktijdig behandeld met zaak nr. 202405973/1/R4.

Overwegingen

1. [appellante] woont aan de [locatie 2] in Eindhoven. Zij ervaart overlast door het stoken van een houtkachel in de aangrenzende woning aan de [locatie 1]. Volgens [appellante] wordt de overlast veroorzaakt doordat wordt gestookt met afvalstoffen, zoals oud meubilair en afvalhout. Mede daarom heeft zij op 1 maart 2021 een verzoek ingediend bij het college om tegen deze situatie handhavend op te treden. Het college heeft dit verzoek bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 15 april 2021 afgewezen.

2. Een aantal beroepsgronden over onder andere de onzorgvuldige voorbereiding van het besluit en de onzorgvuldig uitgevoerde controles door de toezichthouder, heeft [appellante] ook aangevoerd in de procedure met zaak nr. 202405973/1/R4. Deze beroepsgronden zijn reeds beoordeeld en verworpen bij uitspraak van de Afdeling van heden, ECLI:NL:RVS:2026:1446. Nu [appellante] in de onderhavige procedure geen andere feiten of omstandigheden heeft aangevoerd, geven deze beroepsgronden geen aanleiding tot een ander oordeel dan in die uitspraak is gegeven.

3. [appellante] betoogt dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat artikel 10.2, eerste lid, van de Wm niet van toepassing is. Zij wijst erop dat dit verbod zich niet uitsluitend richt tot bedrijven of inrichtingen, maar tot een ieder die zich van afvalstoffen ontdoet door deze buiten een inrichting te verbranden. Volgens [appellante] is in dit geval sprake van het verbranden van afvalstoffen, nu op het betreffende adres afvalhout en oud meubilair worden gebruikt als brandstof in een houtkachel. Ter onderbouwing heeft zij foto’s en meldingen overgelegd. Deze tonen onder meer houtresten en delen van meubels in de tuin van [persoon].

4. Het college heeft zich in het bestreden besluit van 15 september 2021 op het standpunt gesteld dat artikel 10.2, eerste lid, van de Wm niet van toepassing is, omdat het slechts geldt voor bedrijven. Tijdens de zitting heeft het college echter erkend dat dit artikel zich ook richt tot particulieren. Het college heeft daarbij toegelicht dat in dit geval niet tot handhavend optreden is overgegaan, omdat geen overtreding is vastgesteld.

4.1. De Afdeling constateert dat het college zich hiermee in zoverre op een ander standpunt heeft gesteld dan in het bestreden besluit. Niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiervoor aanleiding hebben gegeven. Het betoog slaagt in zoverre.

5. Artikel 10.2, eerste lid, van de Wm luidde ten tijde van belang als volgt: "Het is verboden zich van afvalstoffen te ontdoen door deze - al dan niet in verpakking - buiten een inrichting te storten, anderszins op of in de bodem te brengen of te verbranden."

6. Het college heeft meerdere onaangekondigde controles verricht, waaronder controles op drie achtereenvolgende dagen. Uit het rapport van 17 mei 2021 blijkt dat tijdens ten minste één van deze controles de toezichthouder zowel bij [persoon] als bij [appellante] in de woning is geweest. Tijdens deze controles is vastgesteld dat in de houtkachel droog, onbehandeld hout werd gestookt. Niet is waargenomen dat afvalstoffen, zoals geverfd hout, meubelstukken of andere afvalmaterialen, in de kachel werden verbrand.

Voor zover [appellante] zich beroept op foto’s en meldingen waaruit blijkt dat zich afvalhout en andere materialen in de tuin bevinden, overweegt de Afdeling dat deze omstandigheden op zichzelf onvoldoende zijn om vast te stellen dat deze materialen daadwerkelijk in de houtkachel zijn verbrand. Doorslaggevend is wat door de toezichthouder tijdens de controles in de kachel is waargenomen. De aanwezigheid van materialen in de tuin en de eventuele handhaving daartegen ligt niet ter beoordeling voor in deze procedure.

Van een overtreding van het verbod in artikel 10.2, eerste lid, van de Wm is niet gebleken. Het college heeft zich, gelet op de beschikbare controlerapporten en de toelichting op de zitting, daarom terecht op het standpunt gesteld dat geen grond bestond om handhavend op te treden.

7. Gelet op wat de Afdeling onder 4.1 heeft overwogen is het beroep gegrond. Het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht en moet worden vernietigd. De Afdeling ziet, gelet op wat hiervoor onder 6 is overwogen, aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. Dit betekent dat het college geen nieuw besluit op het handhavingsverzoek van [appellante] hoeft te nemen.

8. Het college moet de proceskosten van [appellante] vergoeden. [appellante] heeft verzocht om vergoeding van de kosten van professionele rechtsbijstand vanwege ondersteuning die is verleend bij het opstellen van het beroepschrift. Eventuele kosten voor bijstand door een rechtsbijstandverlener bij het opstellen van een beroepschrift komen echter niet voor vergoeding in aanmerking, nu het beroepschrift niet door een rechtsbijstandverlener is ingediend. Verder overweegt de Afdeling dat de door [appellante] opgegeven verblijfskosten voor een hotelovernachting niet voor vergoeding in aanmerking komen. Zij heeft niet aannemelijk gemaakt dat een hotelovernachting gelet op de reisafstand, het tijdstip en de duur van de zitting nodig was voor het kunnen bijwonen van de zitting. Voor zover [appellante] heeft verzocht om vergoeding van de kosten voor porti, kopiëren en printen, overweegt de Afdeling dat uitsluitend de kostenposten genoemd in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen. De kosten voor porti, kopiëren en printen vallen niet onder een van de genoemde kostenposten. Hetzelfde geldt voor de kosten voor de aanschaf van een fijnstofmeter.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven van 15 september 2021, kenmerk BZ-21-0439-001;

III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van 15 september 2021, kenmerk BZ-21-0439-001, geheel in stand blijven;

IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 60,45;

V. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht voor het bedrag van € 184,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. A.B. Blomberg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.V. Vreugdenhil, griffier.

w.g. Blomberg

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Vreugdenhil

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2026

571-1077

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. J.V. Vreugdenhil

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?