ECLI:NL:RVS:2026:1572

ECLI:NL:RVS:2026:1572

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 18-03-2026
Datum publicatie 18-03-2026
Zaaknummer 202405069/1/A2
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 28 juli 2020 heeft het Instituut Mijnbouwschade Groningen aan [appellant] een vergoeding van € 42.166,42, inclusief bijkomende kosten en wettelijke rente, toegekend voor schade aan zijn boerderij. [appellant] is sinds 1995 eigenaar van de monumentale [boerderij] aan de [locatie] te [woonplaats]. Op 28 augustus 2018 heeft [appellant] bij het Instituut een vergoeding voor schade aan de boerderij aangevraagd. Na een in opdracht van het Instituut uitgebracht advies van 14 juli 2020, opgesteld door deskundige P. Soet van schade-expertisebureau CED (CED), heeft het Instituut bij besluit van 28 juli 2020 een schadevergoeding van € 42.166,42, inclusief bijkomende kosten en de wettelijke rente, toegekend. Onder verwijzing naar het advies van de bezwaaradviescommissie van 20 september 2021 heeft het Instituut het bezwaar van [appellant] gegrond verklaard. Het Instituut heeft hem een aanvullende schadevergoeding van € 2.592,41, inclusief bijkomende kosten, wettelijke rente en proceskosten, toegekend.

Uitspraak

202405069/1/A2.

Datum uitspraak: 18 maart 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-­Nederland van 10 juli 2024 in zaak nr. 22/3499 in het geding tussen:

[appellant]

en

Instituut Mijnbouwschade Groningen.

Procesverloop

Bij besluit van 28 juli 2020 heeft het Instituut aan [appellant] een vergoeding van € 42.166,42, inclusief bijkomende kosten en wettelijke rente, toegekend voor schade aan zijn boerderij.

Bij besluit van 22 augustus 2022 heeft het Instituut het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, de beslissing van 28 juli 2020 gedeeltelijk herroepen en een aanvullende vergoeding van € 2.592,41, inclusief bijkomende kosten, wettelijke rente en proceskosten, toegekend.

Bij uitspraak van 10 juli 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard voor de schades 40, 44, 58, 60-63 en 69, het besluit van 22 augustus 2022 vernietigd en het Instituut opgedragen om opnieuw te beslissen op het bezwaar.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het Instituut heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Bij besluit van 14 augustus 2025 heeft het Instituut het bezwaar van [appellant] opnieuw gedeeltelijk gegrond verklaard, de beslissing van 28 juli 2020 herroepen en aan [appellant] een aanvullende schadevergoeding van € 16.542,36, inclusief wettelijke rente en bijkomende kosten, toegekend.

[appellant] heeft gronden ingediend tegen het besluit van 14 augustus 2025.

Het Instituut heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 28 januari 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat in Middelharnis, vergezeld door [persoon], en het Instituut, vertegenwoordigd door mr. P. Zoeten, advocaat in Groningen, en mr. S.C. Goldbohm, vergezeld door ing. J.J. Timmer, deskundige, zijn verschenen.

Overwegingen

1. [appellant] is sinds 1995 eigenaar van de monumentale [boerderij] aan de [locatie] te [woonplaats].

2. Op 28 augustus 2018 heeft [appellant] bij het Instituut een vergoeding voor schade aan de boerderij aangevraagd.

3. Na een in opdracht van het Instituut uitgebracht advies van 14 juli 2020, opgesteld door deskundige P. Soet van schade-expertisebureau CED (CED), heeft het Instituut bij besluit van 28 juli 2020 een schadevergoeding van € 42.166,42, inclusief bijkomende kosten en de wettelijke rente, toegekend.

4. Onder verwijzing naar het advies van de bezwaaradviescommissie van 20 september 2021 heeft het Instituut het bezwaar van [appellant] gegrond verklaard. Het Instituut heeft hem een aanvullende schadevergoeding van € 2.592,41, inclusief bijkomende kosten, wettelijke rente en proceskosten, toegekend.

5. Bij de Afdeling is - mede gelet op de gronden tegen het nieuwe besluit van 14 augustus 2025 - nog in geschil of het Instituut het bewijsvermoeden heeft weerlegd voor schade 40 en 42 en of de voorgestelde herstelwijze voor de schades 9 en 10 volstaat. Verder is in geschil of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het Instituut geen toepassing heeft hoeven geven aan de hardheidsclausule.

Uitspraak van de rechtbank

6. De rechtbank is van oordeel dat het beroep op de hardheidsclausule niet slaagt wat betreft de in 2012 bij de NAM gemelde schades. [appellant] heeft berust in de uitkomst van het NAM-rapport uit 2013 en heeft vervolgens de destijds gemelde schades laten herstellen.

7. Wat schade 40 betreft is de rechtbank van oordeel dat het Instituut er niet in is geslaagd om met voldoende mate van zekerheid een autonome andere oorzaak dan mijnbouw aan te wijzen. Volgens haar is niet inzichtelijk gemaakt hoe de duidelijk op de foto’s zichtbare scheefstand het gevolg is van doorbuiging van de gevelopening. De door het Instituut ingeschakelde deskundigen hebben toegelicht dat de doorbuiging wordt veroorzaakt door gebruiksbelasting door mensen/inboedel, maar die toelichting is onvoldoende specifiek om het bewijsvermoeden te kunnen weerleggen ten aanzien van de ontstane scheefstand en bolling van de achtermuur. Het nadere advies in beroep van deskundige ing. J.J. Timmer van CED biedt evenmin duidelijkheid hierover.

8. Wat schade 42 betreft is de rechtbank van oordeel dat het Instituut met een voldoende mate van zekerheid een roestend gevelanker door corrosie als autonome oorzaak heeft aangewezen. Zij volgt daarbij de toelichting van deskundige Timmer dat als het gevelanker beweging door aardbevingen had moeten opvangen, op een veel grotere schaal scheurvorming zichtbaar zou moeten zijn.

9. De rechtbank is verder van oordeel dat wat de schades 9 en 10 betreft niet aannemelijk is gemaakt dat voor deugdelijk herstel zou zijn vereist dat de gehele trap wordt vervangen. Afdoende is toegelicht dat herstel met speciale mortel en een arbeidsduur van 12 uur volstaat voor herstel van de trap. De rechtbank wijst erop dat deskundige Timmer heeft toegelicht dat de trap al eerder op soortgelijke wijze is hersteld, wat ook duidelijk zichtbaar is op foto 6 van schade 10 in het eerdere advies van deskundige Soet.

Beoordeling van het hoger beroep

10. De Afdeling bespreekt hieronder de hogerberoepsgronden gericht tegen het oordeel van de rechtbank over de toepassing van de hardheidsclausule, de weerlegging van het bewijsvermoeden voor schade 42 en de voorgestelde herstelwijze voor schade 9 en 10.

Hardheidsclausule oude schades

11. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het Instituut geen toepassing heeft hoeven geven aan de hardheidsclausule. Hij wijst erop dat uit een e-mail van 11 oktober 2013 ondubbelzinnig volgt dat hij niet berust heeft in de uitkomst van de conclusies van het NAM-rapport uit 2013. Daarnaast wijst hij erop dat het Centrum Veilig Wonen (CVW) hem bij brief van 7 november 2016 heeft bericht dat het dossier van de NAM over de eerder gemelde schades in fase 3 wordt meegenomen voor inspectie en dat hij in januari/februari 2017 benaderd zou worden. Vervolgens heeft de NAM de minister te kennen gegeven dat alle schades die nog openstaan van voor 31 maart 2017 voor 1 juli 2018 zouden worden afgehandeld. [appellant] heeft nadien echter nooit een aanbod van de NAM ontvangen, waardoor hem de gelegenheid is onthouden zijn schade aan de Arbiter Bodembeweging voor te leggen. Verder wijst hij erop dat inmiddels het bewijsvermoeden geldt.

12. Artikel 2, vierde lid en onder a, van de Tijdelijke wet Groningen (TwG) luidt als volgt:

Het Instituut is niet bevoegd om een aanvraag om vergoeding van schade te behandelen indien deze schade betreft waarvoor:

a. voor 31 maart 2017, 12:00 uur een schademelding - of claim is voorgelegd aan het Centrum Veilig Wonen of de exploitant;

(…)

Artikel 2, vijfde lid:

Het Instituut kan, indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven, afwijken van het bepaalde in het vierde lid, onder a en b, ten einde onbillijkheden van overwegende aard te voorkomen.

13. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het Instituut geen toepassing heeft hoeven geven aan de hardheidsclausule. Zij overweegt daartoe als volgt.

14. Uit de overgelegde e-mail van 11 oktober 2013 volgt weliswaar dat [appellant] het niet eens was met de conclusies van het NAM-rapport, maar dat is nog geen omstandigheid waarin hij in het bijzonder is getroffen. In de e-mail staat ook dat [appellant] zich juridisch zou laten adviseren, maar niet is gebleken dat hij daar ook gevolg aan heeft gegeven. In zoverre heeft hij in de juridische betekenis berust in de afwijzing.

15. Dat [appellant] ondanks de brief van 7 mei 2016 van het CVW geen aanbod van de NAM heeft ontvangen, maakt in dit geval nog niet dat sprake is van een buitengewoon procesverloop. [appellant] heeft nadat hij op 14 december 2015 een melding had gedaan bij het CVW op 13 april 2016 de Technische commissie bodembeweging om advies gevraagd over de bij de NAM gemelde schades. Deze heeft geconcludeerd dat er redelijkerwijs geen causaal verband is tussen de bij de NAM gemelde schades en aardbeving en/of bodemdaling als gevolg van gaswinning door de NAM. Daarom was de inspectie van het CVW die plaatsvond in het kader van de Proef Buitengebied niet meer aan de orde. Uit de interne notities volgt bovendien dat het dossier daardoor op 27 februari 2018 in overleg met [appellant] is geannuleerd. Daargelaten wat verder de aanleiding voor de in opdracht van de NAM opgestelde coulanceberekening is, [appellant] heeft na annulering van het dossier geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een vordering tot schadevergoeding in te dienen bij de burgerlijke rechter.

16. Dat de NAM bij de beoordeling van de schade in 2013 nog geen toepassing hoefde te geven aan het wettelijke bewijsvermoeden, is ook geen omstandigheid waarin [appellant] in het bijzonder wordt getroffen. Dat gold voor iedereen die vóór 1 januari 2017 een schadeclaim bij de NAM had ingediend. Daarbij komt dat het in dit geval niet gaat om uitzonderlijk grote schades. De door de NAM in 2013 beoordeelde schades betreffen allemaal scheurvorming, die ook in vele andere woningen en boerderijen in het aardbevingsgebied (en daarbuiten) is waar te nemen. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de scheurvorming in zijn geval uitzonderlijk groot was.

17. Het betoog slaagt niet.

Schade 42

18. Onder verwijzing naar een tegenadvies van 26 november 2022, opgesteld door [persoon] van Adviesbureau Engelage, en een tegenadvies van 17 maart 2024, opgesteld door deskundige ir. W.A.B. Meiborg, betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat voor schade 42 het Instituut met een voldoende mate van zekerheid een roestend gevelanker door corrosie als autonome oorzaak heeft aangewezen. Volgens hem kan niet worden uitgesloten dat de schade mede door bevingen is veroorzaakt. Daarbij wijst hij erop dat Engelage geen roest op de foto’s heeft gezien. Bovendien is er ruimte tussen de gevel en het gevelanker. Als roest de oorzaak zou zijn, dan was deze schade ook al voor 2012 zichtbaar geweest. Verder zou het schadebeeld in dat geval kleiner en alleen aanwezig zijn rond de plaats waar het anker door de muur gaat.

Beoordelingskader bewijsvermoeden

19. Het bewijsvermoeden van artikel 6:177a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek is van toepassing op de schades. Bij fysieke schade aan gebouwen en werken die naar haar aard redelijkerwijs schade zou kunnen zijn door beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of de exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld, wordt vermoed dat die schade is veroorzaakt door de aanleg of de exploitatie van dat mijnbouwwerk.

20. Het Instituut weerlegt het bewijsvermoeden met succes als het aan de hand van een deskundigenadvies aantoont dat de schadeoorzaak aantoonbaar uitsluitend een andere is dan bodembeweging als gevolg van de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk. In dat geval is het voldoende aannemelijk dat de schade niet is veroorzaakt door mijnbouwactiviteiten.

21. De Afdeling verwijst voor de toepassing van het wettelijke bewijsvermoeden in bestuursrechtelijke context verder naar onder meer de uitspraak van de Afdeling van 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1631, onder 30-40. Van het Instituut wordt niet gevraagd dat het met 100% zekerheid kan uitsluiten dat de schade is ontstaan en/of verergerd door bodembeweging door mijnbouwactiviteiten. Zie de uitspraak van de Afdeling van 24 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:374, onder 69. Voldoende is dat de schade zeer waarschijnlijk is veroorzaakt door een andere oorzaak dan mijnbouwactiviteiten. Zie de uitspraak van de Afdeling van 11 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:96, onder 75.

22. Sinds 1 juli 2021 hanteert het Instituut voor de toepassing van het wettelijke bewijsvermoeden een geactualiseerd en aangevuld kader voor de beoordeling van fysieke schade door deskundigen. Dit is neergelegd in de Praktische Uitwerking Tijdelijke wet Groningen voor Deskundigen. Zie de hiervoor genoemde uitspraak van 8 juni 2022, onder 55-58. Als de deskundige heeft geconstateerd dat er een autonome oorzaak voor de schade bestaat, moet hij aanvullend nagaan of het aannemelijk is dat trillingen door aardbevingen de schade toch hebben veroorzaakt of hebben verergerd. Het Instituut betrekt daarbij het advies van Van Staalduinen en Everts van 16 december 2020 en de SBR Trillingsrichtlijn A: schade aan gebouwen uit 2017. Het advies van Van Staalduinen en Everts ziet op de beoordeling van schade als gevolg van zettingen en de SBR Trillingsrichtlijn ziet op schade als gevolg van overbelasting, inclusief de verergering van een scheur door autonome zettingsschade. Het Instituut geeft hiermee nader invulling aan het wettelijke bewijsvermoeden voor de beoordeling van de vraag of schade uitsluitend een andere oorzaak dan bodembeweging door mijnbouwactiviteiten heeft. Dit is dus aanvullend op de vraag of er een andere uitsluitende oorzaak bestaat. De Afdeling acht dit aanvaardbaar. Zie de hiervoor genoemde uitspraak van 8 juni 2022, onder 88.

Toepassing

23. Schade 42 betreft scheurvorming in de buitenmuur. De scheuren zijn zichtbaar rondom het gevelanker en hebben een totale lengte van 0,5 m door het voegwerk. Ook zijn er vijf stenen gescheurd.

24. De Afdeling stelt vast dat de door het Instituut ingeschakelde deskundigen eensluidend hebben toegelicht dat de scheur is ontstaan door het uitzetten van roestend ijzerwerk, in het bijzonder het roestende gevelanker. Door corrosie zet het metaal uit, waarbij deze volumetoename gepaard gaat met grote drukkrachten.

25. Verder heeft deskundige Timmer in een in hoger beroep overgelegd nader advies van 30 juli 2025 toegelicht dat de roestvorming van het anker niet op foto’s zichtbaar is, omdat dat een proces is dat plaatsvindt in het metselwerk. Bij regen tegen de gevel zal het metselwerk nat worden en daarmee het deel van het anker dat in het metselwerk zit. De scheve positie van het anker bevordert dat regenwater dat op het rechterdeel van het anker terechtkomt, afstroomt langs het deel van het anker dat in het metselwerk is opgenomen. Doordat dit deel van het anker is opgesloten in het metselwerk, kan het na een regenbui of een periode van aanhoudende neerslag aanzienlijk minder snel drogen dan het aan de buitenzijde zichtbare deel. Door deze langdurige vochtbelasting werkt het vocht gedurende langere tijd in op het ijzer van het ingemetselde deel van het anker, wat leidt tot corrosie (roestvorming). Roest neemt een groter volume in dan het oorspronkelijke ijzer, waardoor het anker lokaal expandeert. Bij het zichtbare deel van het anker levert dit geen noemenswaardige problemen op, aangezien daar voldoende ruimte aanwezig is voor volumetoename en dit deel bovendien door middel van schilderwerk kan worden beschermd. Bij het ingemetselde deel ontbreekt die ruimte, waardoor de volumetoename leidt tot spanningen in het omliggende metselwerk. Deze spanningen resulteren in scheurvorming en schade aan het voegwerk. Dit betreft een langzaam voortschrijdend proces. Daarbij wijst deskundige Timmer ook op foto’s die het waargenomen schadebeeld bevestigen, aangezien het voegwerk aldaar eerder is hersteld. Ook zit de scheurvorming rondom het deel van het anker dat in het metselwerk zit. In het geval andere krachten op het anker zouden inwerken die de breukspanning van het metselwerk zouden doen overschrijden, bijvoorbeeld in het geval zich forse trillingen door bevingen zouden hebben voorgedaan (> dan de voor deze locatie berekende maximale trilsnelheid van 2,68 mm/s), dan zou er rondom het gehele ankeroppervlak, ook meer bij de uiteinden van het anker, scheurvorming zijn ontstaan en dat is niet aan de orde.

26. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het Instituut inzichtelijk heeft onderbouwd waarom voor schade 42 uitsluitend een andere oorzaak dan bodembeweging door gaswinning is aangewezen. In het betoog van [appellant] is geen aanleiding om te twijfelen aan deze conclusie. Verroesting is een langzaam voortschrijdend proces, zodat het aannemelijk is dat de schade voor 2012 niet zichtbaar was. Bovendien heeft deskundige Timmer navolgbaar toegelicht dat roest uitzettingen veroorzaakt, wat spanning in het omliggende metselwerk veroorzaakt. Daardoor hoeft de schade niet alleen rond de plaats waar het anker door de muur gaat aanwezig te zijn. De Afdeling is verder niet gebleken dat er ruimte zit tussen de gevel en het gevelanker.

27. Het betoog slaagt niet.

Schade 9 en 10

28. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat schades 9 en 10 op de door het Instituut voorgestelde wijze hersteld kunnen worden. Volgens hem zou herstel met een speciale mortel de schade niet afdoende wegnemen en de schade is ook niet eerder op deze wijze hersteld. Bovendien staan de veelheid en grootte van de scheuren aan de voorgestelde herstelwijze in de weg, waarbij ook het herstel altijd zichtbaar zal blijven. Daarbij is aan de monumentale stoep ernstige schade ontstaan. Volgens [appellant] is het vervangen van de platen van de stoep noodzakelijk. Hiervoor verwijst hij naar een offerte van Bouwbedrijf Jansen dat de herstelkosten op € 10.621,66, inclusief btw, heeft geraamd.

29. Schades 9 en 10 betreffen grillige scheurvorming in de stoep en trap bij de voordeur. Daarvan kan niet worden uitgesloten dat de schade is ontstaan of verergerd door mijnbouw. De door het Instituut ingeschakelde deskundigen hebben geadviseerd om de schade te herstellen met een speciale mortel. Daarvoor heeft het Instituut een totale schadevergoeding van € 1.002,01, inclusief btw, toegekend.

30. In het nader advies van 30 juli 2025 heeft deskundige Timmer verder toegelicht dat het toegekende bedrag gebaseerd is op partieel scheurherstel. Daarbij is rekening gehouden met alle werkzaamheden die daarvoor moeten plaatsvinden. Verder heeft hij toegelicht dat voor elke soort natuursteen een reparatiekit bestaat waarmee mortels/hars/steenlijm in vrijwel elke kleur aan te maken zijn. Ook heeft hij verwezen naar foto’s van de trap waaruit volgt dat met een soort voegmateriaal eerder herstel heeft plaatsgevonden, maar dat er meer geëigende producten zijn voor fraaier cosmetisch herstel.

31. De Afdeling ziet in het betoog van [appellant] geen grond voor twijfel aan de juistheid van de door CED geadviseerde methode van herstel. Zij acht de door het Instituut ingeschakelde deskundige toelichting dat schades 9 en 10 fraai hersteld kunnen worden door ondernemingen die gespecialiseerd zijn in het herstellen van monumentale natuurstenen navolgbaar. De werkzaamheden waarvan de kosten in de door [appellant] overgelegde offerte zijn omschreven en begroot, betreffen ook verbeteringswerkzaamheden. In de offerte wordt bijvoorbeeld uitgegaan van de vervanging van de ondersteuning van de natuurstenen, waarmee aanzienlijk verder wordt gegaan dan herstel van schade die ontstaan kan zijn door bevingstrillingen. [appellant] wenst daarmee fundamenteel herstel van de stoep en trap, wat verder gaat dan herstel in de oude toestand. De Afdeling ziet in de offerte dan ook geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de calculaties van de toegekende schadebedragen.

32. Het betoog slaagt niet.

Beoordeling van het beroep tegen het besluit van 14 augustus 2025

33. Het besluit van 14 augustus 2025 wordt, gelet op artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van die wet, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.

34. Het Instituut heeft nader onderzoek laten verrichten naar schade 40. De schade bestaat uit scheefstand van de muur aan de linkerkant van de achtergevel, in het bijzonder in de vorm van een doorbuiging van de gevelopening. De doorbuiging geeft scheefstand in het horizontale vlak. Om duidelijkheid te krijgen over de oorzaak van de scheefstand heeft er op 2 september 2024 nader onderzoek plaatsgevonden door Timmer samen met Koops grondmechanica b.v. (Koops). Daarbij heeft Koops een lintvoegwaterpassing van de achtergevel en van de zijgevel en een scheefstandmeting van de achtergevel uitgevoerd. Deskundige Timmer heeft de achtergevel van binnen en buiten visueel geïnspecteerd.

35. In het nader advies van 16 december 2024 concludeert deskundige Timmer dat op de plaats waar het uitbuiken van de gevel het grootst is, rechts van de linker deuropening (van buitenaf gezien), dat het gevolg is van een aanrijding in het verleden. Daarbij komt dat hoge gevels als de onderhavige achtergevel gevoelig zijn voor uitbuiken. Dat heeft allereerst te maken met excentrische belasting vanuit het dak. Door het uitbuiken zorgt het eigen gewicht van de hoge gevel daarnaast voor een extra toename van de excentrische belasting. Sinds het aanbrengen van de stalen HE-kolommen (voor 2005) als definitieve oplossing ter stabilisatie van het uitbuiken van de achtergevel is de situatie ter plaatse niet zichtbaar veranderd. Daarmee is het proces van verdergaande uitbuiking (met succes) een halt toegeroepen. Aangezien het uitbuiken van voor 2005 is en zich daarvoor geen trillingen hebben voorgedaan met een berekende trilsnelheid van >1,6 en 2 mm/s, acht deskundige Timmer het uitgesloten dat deze schade is veroorzaakt of verergerd door mijnbouwactiviteiten. Het Instituut heeft daarom in het besluit van 14 augustus 2025 opnieuw geen vergoeding toegekend voor schade 40.

36. Onder verwijzing naar een tegenadvies van 11 februari 2025 van deskundige Meiborg betoogt [appellant] dat het Instituut ten onrechte geen vergoeding voor schade 40 heeft toegekend. Volgens hem slaagt het Instituut er niet in om een andere uitsluitende oorzaak voor de scheefstanden en verschilzettingen aan te wijzen. Daarbij wijst hij erop dat de aanrijdingsschade al dateert van voor 2005 en aanwezig was tijdens elk onderzoek van de deskundigen, maar niet eerder is aangewezen als autonome oorzaak. Bovendien betrekt deskundige Timmer ten onrechte niet de scheefstand in alle opgemeten profielen. Daaruit volgt evident dat de scheefstand niet het gevolg kan zijn van aanrijdingsschade. Bovendien nemen de scheefstand en de verschilzettingen in de tijd toe. De opgemeten verschilzettingen zouden naar hun aard redelijkerwijs kunnen zijn veroorzaakt door bodembeweging als gevolg van gaswinning.

37. Naar het oordeel van de Afdeling heeft deskundige Timmer afdoende toegelicht dat de scheefstand in de achtergevel, bestaand uit het uitbuiken van de achtergevel, rechts van de linker deuropening (van buitenaf gezien) niet is veroorzaakt of verergerd door mijnbouwactiviteiten. Daarbij heeft hij in zijn advies van 16 december 2024 inzichtelijk gemaakt dat deze mechanische schade het gevolg is van een aanrijding in combinatie met de excentrische belasting vanuit het dak en het eigen gewicht op de bolling die is ontstaan na de aanrijding.

38. Deskundige Timmer heeft vastgesteld dat de achtergevel oorspronkelijk is opgetrokken uit steens metselwerk. De kap bestaat uit houten gebinten en sporen. De bedekking van het dak bestaat uit kippengaas, banen dakleer en keramische dakpannen. Daarbij heeft hij vastgesteld dat het achterste dakschild rust op de achtergevel. Ook heeft hij geconstateerd dat precies boven elkaar aan de buitenzijde op twee niveaus een rij van drie gevelankers zichtbaar is. Deze gevelankers zijn gekoppeld met draadeinden aan drie niet oorspronkelijke stalen HE-kolommen die aan de binnenzijde tegen het gevelmetselwerk zijn geplaatst. De stalen kolommen staan niet strak tegen het metselwerk, waarbij naar onderen toe een breder wordende naadvorming waarneembaar is. Rechts van de grote deuropening bevinden zich ook precies boven elkaar vier gevelankers die gekoppeld zijn aan een houten kolom.

39. Daarnaast heeft deskundige Timmer geconstateerd dat aan de binnenzijde vanaf de grote deuropening rechts tot aan de deuropening links (van de inpandige garage) in 2005 een niet oorspronkelijke voorzetwand van 52 lagen is gemetseld. Bij een standaardlagenmaat leidt dat tot een hoogte van ongeveer 3,25 m. De wand is halfsteensverband gemetseld, wat erop duidt dat de voorzetwand als halfsteens metselwerk en met spouw langs de oorspronkelijke gevel is opgetrokken. Op de bovenzijde van de gemetselde voorzetwand ligt een afdekker (een soort houten muurplaat). De voorzetwand sluit links van de rechter deuropening en rechts van de linker deuropening (van de inpandige garage) met een staande voeg aan op het gevelmetselwerk. Ter plaatse van de rechter deuropening betreft dat het oorspronkelijk metselwerk en ter plaatse van de linker deuropening betreft dat het metselwerk ter plaatse van het deel van de achtergevel dat in het verleden is vervangen en aansluit op de vernieuwde kleinere schuur waarvan de bouwtekeningen dateren van 1997. Het metselwerk van de kleinere schuur en van het in het verleden vervangen deel van de achtergevel komt overeen, wat erop wijst dat het metselwerk van dezelfde periode is. Het voegwerk ter plaatse van de rechter dagkant van de linker deuropening (inpandige garage), van zowel de voorzetwand als van het vervangen metselwerk van de achtergevel is gelijk. Dat wijst er ook op dat het metselwerk van de voorzetwand van dezelfde periode is als dat van het vervangen deel van de achtergevel. Het deel van de gemetselde wand tussen de inpandige garage en de (grote) schuurruimte dat aansluit op de hiervoor genoemde voorzetwand is in het verleden ook vervangen en het metselwerk is gelijk daaraan. Dit wijst erop dat de vernieuwde kleine schuur, het vervangen deel metselwerk van de achtergevel, de voorzetwand en het vervangen deel van de tussenwand (van de inpandige garage en grote schuurruimte) dateren van tussen 1997 en 2005.

40. Verder heeft deskundige Timmer vastgesteld dat de tussenwand sinds realisatie nog steeds naadloos aansluit op de gemetselde voorzetwand. De gemetselde voorzetwand sluit ter plaatse van de dagkanten van de gevelopeningen in het oorspronkelijke deel van de achtergevel eveneens naadloos aan op het oorspronkelijke gevelmetselwerk. Links van de grote deuropening rechts is het metselwerk in het verleden aangereden. Het metselwerk laat een forse mechanische beschadiging zien, precies op de plaats waar aan de buitenzijde het "uitbuiken" van de gevel zichtbaar is langs de rechte lijn van de deur. Aan de buitenzijde is de aanrijdingsschade hersteld door het intanden van nieuwe gevelstenen. De kopse zijde van de voorzetwand links van de grote deuropening is aan de onderzijde smaller dan aan de bovenzijde. Dat geldt ook voor de staande voeg, waarmee de voorzetwand aansluit op het oorspronkelijke gevelmetselwerk. Deze aansluiting volgt ook het uitbuiken van de oorspronkelijke gevel ter plaatse van de mechanische beschadiging en vertoont geen naadvorming en/of hersteld voegwerk. Ook zijn de scheuren in de achtergevel die eerder door de NAM zijn beoordeeld onveranderd gebleven. Hieruit concludeert deskundige Timmer dat de mechanische beschadiging en het uitbuiken van de gevel bij het opmetselen van de voorzetwand al aanwezig was en dat de huidige stand van de achtergevel sinds de verbouwingen (tussen 1997 en 2005) niet of niet noemenswaardig is veranderd.

41. Ook uit de scheefstandsmeting van Koops volgt volgens deskundige Timmer dat alle locaties blijk geven van het uitbuiken van de achtergevel, met name tussen een hoogte van ongeveer 2,5 en 3,5 m. Dit is ook te zien aan de breedte van de naden op dat niveau tussen de stalen HE-kolommen aan de binnenzijde en het gevelmetselwerk. Enigszins vanaf de (stijve) zijkanten varieert het uitbuiken van 21 tot 40 mm. Rechts van de linker deuropening (vanaf buiten gezien) neemt het uitbuiken toe tot 53 mm (profiel 9) en 63 mm (profiel 10), juist op het niveau van de aanrijdingsschade.

42. De Afdeling ziet in het betoog van [appellant] verder geen grond om te twijfelen aan de vaststellingen van deskundige Timmer en de conclusies uit het nadere advies van 16 december 2024. Uit het nadere advies volgt dat niet alleen naar profiel 10 van de meting is gekeken, maar de gehele opmeting van de scheefstand is betrokken in het onderzoek. Daar komt bij dat deskundige Timmer in het addendum van 30 juli 2025 heeft toegelicht dat al in de eerdere adviezen is gewezen op de doorbuiging van de gevelopening, maar dat de verticale scheefstand naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank pas nader is onderzocht. De stelling dat de verschilzettingen toenemen in de tijd is, wat daar verder ook van zij, niet onderbouwd.

43. Verder is de maximaal berekende trilsnelheid voor deze locatie 2,68 mm/s. Volgens de grenswaarden zoals opgenomen in het beoordelingsschema is invloed vanuit trillingen onaannemelijk. Ook volgens het advies van Everts en Van Staalduinen ontstaan of verergeren zettingen niet door trillingen met een trilsnelheid <10 mm/s. [appellant] heeft hier onvoldoende tegenover gesteld.

44. Het betoog slaagt niet.

Conclusie

45. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

46. Het beroep tegen het besluit van het Instituut van 14 augustus 2025 is ook ongegrond.

47. Het instituut hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart het beroep tegen het besluit van 14 augustus 2025 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. B. Meijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Kouidar, griffier.

w.g. Willems

voorzitter

w.g. Kouidar

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2026

1120

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. J.M. Willems
  • mr. C.H.M. van Altena
  • mr. B. Meijer

Griffier

  • mr. C. Kouidar

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?