202504709/1/R1.
Datum uitspraak: 18 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in Hulst,
appellant,
en
de raad van de gemeente Hulst,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 3 juli 2025 heeft de raad het bestemmingsplan "Groote Kreek II" vastgesteld.
Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
De raad heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 4 februari 2026, waar [appellant] en de raad, vertegenwoordigd door C.G.M. de Maat, bijgestaan door mr. A. Schreijenberg, advocaat in Middelburg, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
1.1. Het ontwerpplan is op 21 december 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. Het plan maakt de uitbreiding van de bestaande woonwijk Groote Kreek met maximaal 133 woningen mogelijk. Het plan voorziet daarnaast in een nieuwe ontsluitingsweg ter beperking van een toename van gemotoriseerde verkeersbewegingen op de bestaande wegen. Deze ontsluitingsweg zal ter plaatse van de huidige Waterstraat komen. De Waterstraat zal worden verbreed en door middel van een rotonde op de Molenstraat worden aangesloten.
[appellant] woont op de [locatie] in Hulst. Hij heeft beroep ingesteld tegen het plan omdat hij zich niet kan verenigen met het voorziene tracé van de ontsluitingsweg.
Keuze voor tracé en alternatieven
3. [appellant] betoogt dat zijn verzoek om de keuze voor een alternatief tracé van de ontsluitingsweg te onderzoeken ten onrechte door de raad is afgewezen. [appellant] voert hiertoe aan dat het verzoek terzijde is geschoven met de argumentatie dat er reeds een alternatief aanwezig is. Deze handelswijze van de raad is volgens [appellant] in strijd met de Omgevingswet. Het door [appellant] voorgestelde alternatief is volgens hem aantoonbaar beter en heeft meer draagvlak. Verder heeft [appellant] hierover op de zitting gesteld dat het plan leidt tot meer verkeersstromen ter hoogte van zijn woning dan het door hem voorgestelde alternatief. Verder leidt het door hem voorgestelde alternatief tot een betere verkeersafwikkeling en minder verkeershinder in de omgeving van zijn woning. De raad heeft volgens hem gelet hierop niet kunnen kiezen voor het in het plan voorziene tracé van de ontsluitingsweg.
3.1. De raad stelt dat het door [appellant] voorgestelde alternatieve tracé geen reëel alternatief vormt, omdat dit alternatief in strijd is met de Omgevingsverordening Zeeland 2018. De raad stelt verder dat meerdere varianten voor het tracé voor de ontsluitingsweg zijn onderzocht en dat het voorziene tracé verkeerskundig toereikend is.
3.2. Voor zover [appellant] stelt dat de handelswijze van de raad inzake de keuze van het voorziene tracé in strijd is met de Omgevingswet, overweegt de Afdeling dat op grond van het hiervoor onder 1 genoemde overgangsrecht op deze beroepsprocedure de Wet ruimtelijke ordening, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing is. Dit betekent dat de Omgevingswet niet van toepassing is op het bestreden besluit.
Dit betoog slaagt daarom niet.
3.3. De Afdeling overweegt verder dat de raad bij de keuze van een bestemming een afweging moet maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsruimte. De voor- en nadelen van alternatieven moeten in die afweging worden meegenomen.
3.4. De raad heeft toegelicht dat meerdere varianten voor de ontsluiting van de voorziene woonwijk zijn onderzocht en dat bij de keuze voor het tracé van de ontsluiting meerdere aspecten zijn onderzocht, waaronder aanlegkosten, effecten op de beschermde natuur, verkeersveiligheid en verkeersafwikkeling. De raad heeft daarbij gewezen op de memo "Variantenstudie ontsluiting Groote Kreek II" van Rho Adviseurs van 12 december 2022. De raad heeft verder gesteld dat gekozen is voor de voorziene ontsluiting, omdat uit verkeersonderzoek naar voren is gekomen dat deze ontsluiting niet leidt tot onaanvaardbare gevolgen voor de verkeersafwikkeling en de verkeersveiligheid.
De Afdeling overweegt dat aan het plan meerdere verkeersonderzoeken ten grondslag liggen, te weten de ‘Notitie ontsluiting’ van Rho adviseurs van 5 april 2022, die als bijlage 3 bij de plantoelichting is gevoegd, en de ‘Memo verkeerstoedeling nieuwe ontsluiting’ van Rho adviseurs van 13 september 2024, die als bijlage 4 bij de plantoelichting is gevoegd. In de ‘Notitie ontsluiting’ staat dat met de nieuwe woonwijk een goede verkeersafwikkeling gewaarborgd blijft. In de ‘Notitie ontsluiting’ staat verder dat de nieuwe woonwijk had kunnen worden aangesloten op het reeds bestaande wegennet. In de ‘Memo verkeerstoedeling nieuwe ontsluiting’ staat dat ondanks dat de bestaande infrastructuur toereikend is, besloten is om de verkeersontsluiting voor gemotoriseerd verkeer van de nieuwe woonwijk uitsluitend via de Waterstraat af te wikkelen. Tussen Groote Kreek I en Groote Kreek II worden daarom enkel aansluitingen gerealiseerd voor langzaam verkeer en calamiteitenverkeer. In laatstgenoemde memo staat verder dat de verkeersintensiteit ter hoogte van de woning van [appellant] naar alle waarschijnlijkheid zal toenemen als gevolg van de gekozen verkeersontsluiting.
3.5. Waar [appellant] stelt dat het voorziene tracé Waterstraat leidt tot meer verkeersstromen ter hoogte van zijn woning ten opzichte van het door hem voorgestelde alternatief, overweegt de Afdeling dat de raad heeft toegelicht dat uit verkeersonderzoeken blijkt dat er geen grote toename van het aantal verkeersbewegingen zal plaatsvinden ter hoogte van zijn woning en dat gelet op de capaciteit van de weg deze toename makkelijk kan worden opgevangen. Dit laatste is door [appellant] bovendien niet weersproken. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de raad zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat de verkeerstoename als gevolg van het voorziene tracé Waterstraat ter hoogte van zijn woning aanvaardbaar is. Ook voor het overige ziet de Afdeling in wat [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad vanwege de verkeersintensiteiten niet heeft kunnen kiezen voor het in het plan vastgestelde tracé voor de ontsluiting van de voorziene woonwijk.
3.6. Voor zover [appellant] betoogt dat de raad ten onrechte niet voor het door hem voorgestelde alternatief heeft gekozen, overweegt de Afdeling het volgende.
Op grond van artikel 2.23, vijfde lid, van de Omgevingsverordening Zeeland 2018, mag een bestemmingsplan niet leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte van de gronden of tot een significante aantasting van de samenhang tussen gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Zeeland. Dit is op grond van artikel 2.23, zesde lid, van de Omgevingsverordening Zeeland 2018, wel toegestaan indien voldaan wordt aan een aantal cumulatieve voorwaarden, waaronder de voorwaarde dat er voor het aanwijzen van een bestemming of het geven van regels in een bestemmingsplan geen reële andere mogelijkheden zijn.
De Afdeling overweegt dat het door [appellant] voorgestelde alternatieve tracé voor de ontsluiting van de voorziene woonwijk door het Natuurnetwerk Zeeland loopt. Realisatie van dit alternatief zal leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte van de gronden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Zeeland. Aangezien er reeds een reële mogelijkheid voorhanden is via het voorziene tracé Waterstraat, brengt het voorgaande mee dat de raad terecht heeft gesteld dat het door [appellant] voorgestelde alternatief in strijd is met artikel 2.23, vijfde lid, van de Omgevingsverordening Zeeland 2018. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat ook het provinciebestuur van Zeeland met het oog op artikel 2.23, zesde lid, onder b, van de Omgevingsverordening er op heeft gewezen dat nu er een reële andere mogelijkheid is, de door [appellant] voorgestelde ontwikkeling niet mogelijk is wegens strijd met de Omgevingsverordening Zeeland 2018. Onder deze omstandigheden heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling mogen afzien van nader onderzoek naar het door [appellant] voorgestelde alternatief.
3.7. Gelet op het voorgaande heeft de raad het door [appellant] voorgestelde alternatief afgewogen bij de vaststelling van het plan en toereikend gemotiveerd waarom niet voor dat alternatief is gekozen.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
4. Het beroep is ongegrond.
5. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.F. de Groot, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D. Tieleman, griffier.
w.g. De Groot
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Tieleman
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2026
817-1188
BIJLAGE
Omgevingsverordening Zeeland 2018
Artikel 2.23 Bestaande natuur
[…]
5. In een bestemmingsplan worden geen bestemmingen aangewezen of regels gesteld die, ten opzichte van het daaraan voorafgaande bestemmingsplan, mogelijk maken dat de wezenlijke kenmerken of waarden van de in bijlage 9 aangegeven gebieden met de aanduiding Bestaande natuur per saldo significant worden aangetast. Ook mag de bestemming niet leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte van de gronden of tot een significante aantasting van de samenhang tussen gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Zeeland. In de toelichting bij een bestemmingsplan waarin, ten opzichte van het daaraan voorafgaande bestemmingsplan, nieuwe bebouwing of nieuwe vormen van grondgebruik worden toegelaten wordt aannemelijk gemaakt dat de in de vorige volzin bedoelde aantasting en vermindering zich niet voordoet.
6. Het eerste en vijfde lid zijn niet van toepassing op het aanwijzen van bestemmingen of het geven van regels waarbij:
a. sprake is van een groot openbaar belang en
b. er geen reële andere mogelijkheden zijn en
c. de negatieve effecten op de in het vierde lid bedoelde wezenlijk e kenmerken en waarden, oppervlakte en samenhang zoveel mogelijk worden beperkt door het treffen van mitigerende maatregelen en de overblijvende effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd volgens de in bijlage F beschreven voorwaarden/
[…].