ECLI:NL:RVS:2026:1576

ECLI:NL:RVS:2026:1576

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 18-03-2026
Datum publicatie 18-03-2026
Zaaknummer 202303299/1/R1
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig

Samenvatting

Bij besluit van 6 april 2023 heeft de raad van de gemeente Lingewaard het bestemmingsplan "Haalderen Oudewei 1-1a" vastgesteld. Met het plan wordt het onbebouwde bouwvlak in westelijke richting verplaatst en vergroot ten opzichte van het vorige plan om ook daar een woning te realiseren. Dat bouwvlak behoudt de bouwaanduiding "vrijstaand". Op basis van het plan is de maximale bouwhoogte voor de voorziene woning in dat bouwvlak 8 m. Onder het vorige plan was de maximale bouwhoogte daarvoor 6 m. In het plan is verder - anders dan in het vorige plan - een maximum volume van 850 m³ voor dat bouwvlak opgenomen. In paragraaf 1.1 van de plantoelichting staat dat de reden voor de verplaatsing van het bouwvlak is dat er een waardevolle walnotenboom staat in het ongebruikte bouwvlak, waardoor daar geen woning gerealiseerd kan worden. Die boom heeft een beschermde status en staat op de gemeentelijke bomenlijst. [appellant] en anderen wonen aan Ringdijk [nummers] tegenover het plangebied. Hun beroep richt zich tegen de verplaatsing en vergroting van het bouwvlak en de bijgebouwen die het plan mogelijk maakt. Zij vinden dat de landschappelijke waarden van het gebied door het plan worden aangetast.

Uitspraak

202303299/1/R1.

Datum uitspraak: 18 maart 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend in Bemmel, gemeente Lingewaard,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Lingewaard,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 6 april 2023 heeft de raad het bestemmingsplan "Haalderen Oudewei 1-1a" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[partij A] en [partij B] (hierna samen en in enkelvoud: [partij]) hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] en anderen en [partij] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 18 december 2025, waar [appellant] en anderen, bij monde van [appellant] en [andere appellant], en de raad, vertegenwoordigd door ing. N.J. Stam en A.W. de Benis, zijn verschenen. Verder is op de zitting [partij A], bijgestaan door mr. M.P.K. Ahsmann, advocaat in Utrecht, als partij gehoord.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.

Het ontwerpplan is op 24 november 2022 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.

Inleiding

2. Aan de gronden in het plangebied was in het vorige bestemmingsplan "Kom Bemmel" de enkelbestemming "Wonen" toegekend. Onder dat vorige plan waren twee bouwvlakken aanwezig met de bouwaanduiding "vrijstaand". Op dit moment staat er op één van de twee bouwvlakken een twee-aaneen-woning. Het andere bouwvlak is onbebouwd.

Met het plan wordt het onbebouwde bouwvlak in westelijke richting verplaatst en vergroot ten opzichte van het vorige plan om ook daar een woning te realiseren. Dat bouwvlak behoudt de bouwaanduiding "vrijstaand". Op basis van het plan is de maximale bouwhoogte voor de voorziene woning in dat bouwvlak 8 m. Onder het vorige plan was de maximale bouwhoogte daarvoor 6 m. In het plan is verder - anders dan in het vorige plan - een maximum volume van 850 m³ voor dat bouwvlak opgenomen. In paragraaf 1.1 van de plantoelichting staat dat de reden voor de verplaatsing van het bouwvlak is dat er een waardevolle walnotenboom staat in het ongebruikte bouwvlak, waardoor daar geen woning gerealiseerd kan worden. Die boom heeft een beschermde status en staat op de gemeentelijke bomenlijst.

Voor het andere bouwvlak wordt met het plan de bouwaanduiding gewijzigd van "vrijstaand" naar "twee-aaneen". Op het moment van de vaststelling van het plan was voor de twee-aaneen-woning een omgevingsvergunning verleend. Tijdens de zitting hebben [appellant] en anderen duidelijk gemaakt dat hun beroepsgronden alleen nog zijn gericht tegen de met het plan voorziene verplaatsing en vergroting van het ongebruikte bouwvlak en de bijgebouwen die het plan mogelijk maakt.

3. [appellant] en anderen wonen aan Ringdijk [nummers] tegenover het plangebied. Hun beroep richt zich tegen de verplaatsing en vergroting van het bouwvlak en de bijgebouwen die het plan mogelijk maakt. Zij vinden dat de landschappelijke waarden van het gebied door het plan worden aangetast. Ook vinden zij dat bij de vaststelling van het plan onvoldoende rekening is gehouden met hun belangen als omwonenden.

Toetsingskader

4. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.

Ingetrokken beroepsgronden

5. Tijdens de zitting hebben [appellant] en anderen hun beroepsgronden over artikel 1.3.1 van het Besluit ruimtelijke ordening , de participatieprocedure, de terinzagelegging van stukken en de bekendmaking van het vaststellingsbesluit ingetrokken.

Aantasting woongenot: uitzicht, privacy en bezonning

6. [appellant] en anderen betogen dat de raad onvoldoende rekening heeft gehouden met de gevolgen die het plan volgens hen zal hebben voor hun woon- en leefklimaat. Zij stellen in dat kader dat de bouwhoogte met het plan substantieel toeneemt. Ook wijzen zij erop dat met het plan de functieaanduiding "erf" verschuift, waardoor het perceel volgens hen een meer bebouwd karakter krijgt en er meer bijgebouwen mogen worden gerealiseerd. Volgens [appellant] en anderen is daarom ten onrechte geen voorwaardelijke verplichting in het plan opgenomen voor de landschappelijke inpassing.

Volgens hen zal het plan leiden tot een onaanvaardbaar verlies aan uitzicht, privacy en bezonning bij hun woningen. Ten onrechte is volgens hen geen bezonningsonderzoek gedaan. Zij wijzen er verder op dat een van de voornaamste redenen van de koop van hun woningen aan dit deel van de Ringdijk de parallelle ligging aan de Waaldijk was en het zicht op de Waaldijk met achterliggende uiterwaarden vanuit hun woningen. Deze woningen werden om die reden ook wel "Dijkwoningen" of het "Dijkblok" genoemd in verkoopbrochures. [appellant] en anderen hebben foto’s bij hun beroepschrift gevoegd om dit te tonen.

[appellant] en anderen vrezen ook voor waardedaling van hun woningen door het plan. Zij wijzen er ten slotte op dat de voorziene woning, zoals die is afgebeeld in onder meer de plantoelichting, niet het hele bouwvlak omvat. Dit leidt volgens hen tot onzekerheid, omdat volgens hen een nog grotere woning kan worden vergund.

6.1. Over de vrees van [appellant] en anderen dat een grotere woning wordt vergund dan afgebeeld in de plantoelichting overweegt de Afdeling dat in deze procedure het plan ter beoordeling voorligt. De afbeeldingen in de plantoelichting maken daarvan geen deel uit. De plantoelichting is niet juridisch bindend. Bij de beoordeling van de gevolgen van het plan voor het woon- en leefklimaat van [appellant] en anderen gaat de Afdeling uit van wat het plan, bestaande uit de verbeelding en de planregels, mogelijk maakt.

De Afdeling stelt vast dat de afstand tussen de woningen van [appellant] en anderen en de voorziene woning ongeveer 16 m bedraagt. De voorziene bijgebouwen kunnen op een afstand van ongeveer 10 m van hun woningen worden gebouwd. Het voorheen geldende bestemmingsplan maakte al bebouwing mogelijk op nagenoeg dezelfde afstand van de woningen van [appellant] en anderen. Verder bedragen de maximale bouw- en goothoogte op basis van het plan respectievelijk 8 en 3,5 m, waar deze op basis van het voorheen geldende bestemmingsplan respectievelijk 6 en 3 m bedroegen. Met het plan neemt de maximale bouw- en goothoogte toe ten opzichte van het vorige plan en verschuift het bouwvlak meer naar het midden van het plangebied. De raad heeft verder uiteengezet dat zowel in dit plan als in het vorige plan 120 m2 aan bijgebouwen mag worden gerealiseerd.

6.2. De voorzieningenrechter heeft in haar uitspraak van 13 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3440, onder 4.2, over de gevolgen van het plan voor het uitzicht van [appellant] en anderen geoordeeld dat de raad zich op het standpunt heeft mogen stellen dat er voor [appellant] en anderen weliswaar een verandering in het uitzicht plaatsvindt, maar dat die verandering niet leidt tot onevenredige gevolgen voor hen. De voorzieningenrechter overwoog daarover dat de raad daarbij in aanmerking heeft mogen nemen dat de woningen van [appellant] en anderen hoger liggen dan het bouwvlak van de beoogde woning en dat zij door dat hoogteverschil in mindere mate in hun uitzicht worden belemmerd. De Afdeling ziet geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Daarbij neemt de Afdeling ook in aanmerking dat een recht op blijvend vrij uitzicht niet bestaat.

6.3. In het verweerschrift heeft de raad toegelicht dat hij ook rekening heeft gehouden met de gevolgen van het plan voor de privacy van [appellant] en anderen. Hij heeft wat dat betreft betekenis toegekend aan de ruime afstand tussen de woningen van [appellant] en anderen en de voorziene woning in het verschoven bouwvlak. De raad heeft daarbij ook van belang geacht dat op basis van het vorige plan al bebouwing was toegestaan op nagenoeg dezelfde afstand van de woningen van [appellant] en anderen. Verder heeft de raad betrokken dat de maximale bouwhoogte van de woning nog steeds lager is dan de woningen in de omgeving. De raad heeft daarnaast toegelicht dat het niet mogelijk is om het bouwvlak verder van de woningen van [appellant] en anderen af naar het zuiden te verschuiven, vanwege de vrijwaringszone van de dijk. Gelet op deze toelichting ziet de Afdeling ook in het aspect privacy geen aanleiding voor het oordeel dat de gevolgen daarvan voor het woon- en leefklimaat van [appellant] en anderen zo groot zijn dat de raad niet tot dit plan had kunnen komen.

Gelet op wat hiervoor is overwogen over de gevolgen van het plan voor het uitzicht en de privacy van [appellant] en anderen, heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling ook op het standpunt mogen stellen dat de landschappelijke inpassing niet noodzakelijk is voor de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het plan. De raad hoefde daarom geen voorwaardelijke verplichting op te nemen om die landschappelijke inpassing in het plan te borgen.

6.4. Over het aspect bezonning overweegt de Afdeling het volgende. Voor de bezonning van woningen bestaan geen wettelijke normen. De Afdeling verwijst hiervoor bijvoorbeeld naar haar uitspraak van 27 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3630, onder 10.1. Dat neemt niet weg dat in het kader van de vaststelling van een bestemmingsplan een afweging moet plaatsvinden van alle bij het gebruik van de gronden betrokken belangen, waaronder het belang van omwonenden bij een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Volgens de raad zal het plan niet leiden tot onaanvaardbare gevolgen voor de bezonning op de woningen van [appellant] en anderen. De raad heeft daarbij betrokken dat de maximale bouwhoogte beperkt is, afgezet tegen de hoger gelegen woningen en dat het om een schuine kap gaat vanuit de maximale goothoogte van 3,5 m. De raad heeft er ook op gewezen dat in de feitelijke bestaande situatie al sprake is van schaduwwerking door de hoge bomen en de haag pal tegenover de woningen van [appellant] en anderen.

Gelet op de afstand van 16 m tussen het bouwvlak en de woningen van [appellant] en anderen en de maximaal toegestane bouwhoogte van 8 m in samenhang met de maximale inhoud van 850 m³ heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling op het standpunt mogen stellen dat de eventuele effecten van het plan op de bezonningssituatie voor [appellant] en anderen beperkt zijn. Een bezonningsonderzoek kon daarom achterwege blijven. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woningen van [appellant] en anderen betreft, bestaat geen aanleiding voor de verwachting dat die waardevermindering zo groot zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan.

7. Gelet op wat hiervoor is overwogen onder 6.1 tot en met 6.4, biedt het aangevoerde geen grond voor het oordeel dat de raad bij de afweging van de betrokken belangen onvoldoende gewicht heeft toegekend aan het belang van [appellant] en anderen bij een goed woon- en leefklimaat en redelijkerwijs het plan niet heeft mogen vaststellen.

Het betoog slaagt niet.

Omgevingsverordening Gelderland (hierna: de omgevingsverordening)

8. [appellant] en anderen betogen dat het plan in strijd is met artikel 2.56 van de Omgevingsverordening. Het plangebied ligt in het Nationaal Landschap Gelderse Poort. Volgens hen tast het plan de kernkwaliteiten van dit Nationale Landschap aan en wordt niet voldaan aan een van de voorwaarden uit het tweede lid. Zij hebben specifiek gewezen op de volgende kernkwaliteiten: een overwegend open landschap, vrij uitzicht vanaf de dijk over het binnendijkse landschap en rust, ruimte en donkerte in een steeds verder verstedelijkende omgeving.

8.1. Artikel 2.56 van de omgevingsverordening luidde ten tijde van de vaststelling van het plan als volgt:

"1. Een bestemmingsplan voor gronden binnen een Nationaal landschap maar buiten de Groene ontwikkelingszone, het Gelders natuurnetwerk en de Nieuwe Hollandse Waterlinie, maakt ten opzichte van het op 17 oktober 2014 geldende bestemmingsplan alleen bestemmingen mogelijk die de kernkwaliteiten van een Nationaal Landschap, bedoeld in bijlage Kernkwaliteiten Nationale Landschappen, niet aantasten.

2. In afwijking van het eerste lid zijn activiteiten die deze kernkwaliteiten aantasten alleen mogelijk als:

a. er geen reële alternatieven zijn;

b. er sprake is van redenen van groot openbaar belang;

c. compenserende maatregelen plaatsvinden ter waarborging van de kernkwaliteiten van de Nationale Landschappen zoals vastgelegd in bijlage Kernkwaliteiten Nationale Landschappen.

8.2. In de omgevingsverordening is het gebied aangemerkt als "Nationaal landschap maar buiten de Groene ontwikkelingszone, het Gelders natuurnetwerk en de Nieuwe Hollandse Waterlinie". Op grond van artikel 2.56 van de omgevingsverordening mag het bestemmingsplan ten opzichte van het bestemmingsplan dat op 17 oktober 2014 gold alleen bestemmingen mogelijk maken die de kernkwaliteiten van het nationale landschap niet aantasten. In dit geval gold in het plangebied op 17 oktober 2014 het vorige bestemmingsplan "Kom Bemmel". In hoofdstuk 3 van de bijlage Kernkwaliteiten Nationale Landschappen staan de kernkwaliteiten van Nationaal landschap de Gelderse Poort beschreven.

De raad stelt dat het plan ten opzichte van het vorige plan de kernkwaliteiten van Nationaal landschap de Gelderse Poort niet aantast. Daarover heeft de raad toegelicht dat in het plan wat betreft de bouwmogelijkheden, waar het [appellant] en anderen om gaat, ten opzichte van het vorige plan de verschuiving en vergroting van een bestaand bouwvlak is opgenomen. Over de kernkwaliteiten waar [appellant] en anderen op hebben gewezen heeft de raad het volgende toegelicht. Over het vrije uitzicht vanaf de dijk op het binnendijkse landschap heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat er vanaf de Waaldijk richting het plangebied al geen vrij uitzicht is op het binnendijkse landschap, omdat aan de Ringdijk al hogere woningen staan die dat uitzicht belemmeren. Het plangebied had verder onder het vorige plan al een woonbestemming. Gelet daarop heeft het plan volgens de raad geen invloed op de kernkwaliteiten die gaan over het overwegend open landschap en de rust, ruimte en donkerte. Het was onder het vorige plan namelijk al mogelijk om bebouwing in de vorm van een woning met bijgebouwen te realiseren in het plangebied. De stelling van [appellant] en anderen dat het plangebied met het plan een meer bebouwd karakter krijgt zodat deze kernkwaliteiten worden aangetast, volgt de raad niet.

De Afdeling ziet in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet op dit standpunt mocht stellen. Daarom ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het plan in strijd is met artikel 2.56 van de omgevingsverordening.

Het betoog slaagt niet.

Structuurvisie Lingewaard 2012-2022 (hierna: Structuurvisie Lingewaard)

9. [appellant] en anderen betogen dat het plan in strijd is met de Structuurvisie Lingewaard. Zij hebben op verschillende passages daaruit gewezen, waaraan volgens hen niet getoetst is. Deze passages gaan over, kort gezegd, de bescherming van het Nationale Landschap, de herkenbaarheid van het dijkzonelandschap en het open landschap.

9.1. De Structuurvisie Lingewaard fungeert als leidraad om ervoor te zorgen dat veranderingen in het landschap op een gestructureerde manier gebeuren. In paragraaf 3.3.1 van de plantoelichting is beschreven dat het plan in overeenstemming is met de Structuurvisie Lingewaard. Daar staat dat de voorgenomen ontwikkeling rekening houdt met de historisch gegroeide omgeving en de structuren die daarin bepalend zijn. De Afdeling ziet in zoverre geen aanleiding voor het oordeel dat het plan niet in overeenstemming is met de Structuurvisie Lingewaard.

Ook in de door [appellant] en anderen genoemde passages daaruit, ziet de Afdeling daarvoor geen aanleiding. Op de bescherming van het Nationale Landschap is hiervoor onder 8.2 ingegaan. De raad heeft in het verweerschrift verder toegelicht dat het plan de herkenbaarheid van het dijkzonelandschap en de mogelijkheid om vanaf de dijk van het open landschap te genieten niet aantast. [appellant] en anderen hebben niet concreet gemaakt waarom dit volgens hen wel zo is.

Het betoog slaagt niet.

Stikstofdepositie (gebiedsbescherming)

10. [appellant] en anderen betogen dat het plan in strijd met artikel 2.7 in samenhang met artikel 2.8, van de Wet natuurbescherming (hierna: de Wnb) is vastgesteld. Zij voeren aan dat in het rapport "Stikstofdepositieonderzoek Oudewei 1-1a te Haalderen" van 15 februari 2023 van De Roever Omgevingsadvies, (hierna: het stikstofonderzoek) een aantal onjuiste uitgangspunten is gehanteerd bij de berekening van de stikstofdepositie op het nabij gelegen Natura 2000-gebied "Rijntakken". Verder is volgens hen ten onrechte geen rekening houden met cumulatie. Zij hebben ter ondersteuning van hun betoog het rapport "contra-expertise Aerius projectberekening" (hierna: de contra-expertise) van RGP Consult van 21 oktober 2023 overgelegd.

10.1. Artikel 2.7, eerste lid, van de Wnb luidt: "Een bestuursorgaan stelt een plan dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, en dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, uitsluitend vast indien is voldaan aan artikel 2.8."

Artikel 2.8, eerste lid, luidt: "Voor een plan als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, of een project als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, maakt het bestuursorgaan, onderscheidenlijk de aanvrager van de vergunning, een passende beoordeling van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied."

10.2. Uit artikel 2.8 van de Wnb, gelezen in samenhang met artikel 2.7 van de Wnb, volgt dat de raad in een voortoets moet onderzoeken of de ruimtelijke ontwikkeling waarin een bestemmingsplan voorziet, op zichzelf, of in combinatie met andere plannen en projecten, significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Bij die beoordeling mogen de positieve gevolgen van inherente standaardonderdelen van de ruimtelijke ontwikkeling worden betrokken. Als uit de voortoets volgt dat significante gevolgen van de ruimtelijke ontwikkeling niet op voorhand op grond van objectieve gegevens kunnen worden uitgesloten, dan moet een passende beoordeling worden gemaakt. Het plan kan dan worden vastgesteld als uit de passende beoordeling de zekerheid wordt verkregen dat de ruimtelijke ontwikkeling waarin het bestemmingsplan voorziet de natuurlijke kenmerken van de betrokken Natura 2000-gebieden niet zal aantasten (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 14 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:193, onder 14 en 15).

10.3. Het Natura 2000-gebied "Rijntakken" ligt op een afstand van ongeveer 40 m van het plangebied. Aan het plan is het stikstofonderzoek ten grondslag gelegd. In het stikstofonderzoek is de stikstofdepositie in de aanlegfase en gebruiksfase berekend. De conclusie is dat op voorhand op grond van objectieve gegevens is uitgesloten dat het plan significante gevolgen heeft voor het Natura-2000 gebied "Rijntakken".

10.4. In reactie op de door [appellant] en anderen overgelegde contra-expertise heeft de initiatiefnemer een nieuw stikstofonderzoek laten uitvoeren. De uitkomsten daarvan zijn neergelegd in het rapport "Stikstofdepositieonderzoek Oudewei 1-1A te Haalderen" van 4 december 2025 van De Roever Omgevingsadvies, (hierna: het tweede stikstofonderzoek). In het tweede stikstofonderzoek is ingegaan op een groot deel van de (kritiek-)punten van de contra-expertise. De conclusie van het tweede stikstofonderzoek is dat op voorhand op grond van objectieve gegevens is uitgesloten dat het plan significante gevolgen heeft voor het Natura-2000 gebied "Rijntakken". Daarmee onderschrijft dit tweede stikstofonderzoek de conclusie uit het stikstofonderzoek dat ten grondslag is gelegd aan het bestemmingsplan.

10.5. Tijdens de zitting hebben [appellant] en anderen kenbaar gemaakt dat hun beroep zich, gelet op het tweede stikstofonderzoek, wat betreft de gehanteerde uitgangspunten voor de berekening van de stikstofdepositie alleen nog richt tegen de uitgangspunten voor de benodigde werkzaamheden, de benodigde werktuigen en de duur van het gebruik van bepaalde werktuigen tijdens de aanlegfase.

Bouwwerkzaamheden

10.6. [appellant] en anderen betogen dat een deel van de bouwwerkzaamheden ten onrechte niet is betrokken in het stikstofonderzoek. Zij wijzen op de kap van twee fruitbomen, de aanplant van nieuwe bomen en beplanting, de verplaatsing van de heg, het bouwrijp maken, inclusief aanleg van nutsvoorzieningen en het realiseren van de verharding. Onder verwijzing naar de contra-expertise betogen [appellant] en anderen verder dat de uitgangspunten die zijn gehanteerd voor het gebruik van mobiele werktuigen niet reëel en aannemelijk zijn. Het aantal draaiuren van de graafmachine en de heistelling is volgens hen te laag ingeschat. Ook is een aantal werktuigen dat volgens hen gebruikt zal moeten worden, ten onrechte niet vermeld, zoals onder meer een betontruckmixer en een trilnaald.

10.7. Voor het antwoord op de vraag of het stikstofonderzoek ten grondslag kan worden gelegd aan het besluit is het van belang of de uitgangspunten waarop het onderzoek is gebaseerd reëel en aannemelijk zijn (vergelijk de uitspraak van 14 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:193, onder 14).

In paragraaf 3.1 van het stikstofonderzoek staat dat in de aanlegfase de emissies met name afkomstig zijn van (bouw-)verkeer en mobiele machines voor het bouwen van de woning en het verzetten van grond. Omdat op het moment van het stikstofonderzoek niet bekend was welke machines gebruikt zullen worden, zijn de emissies in het stikstofonderzoek bepaald met behulp van informatie uit vergelijkbare projecten. Volgens de raad vallen onder deze inschatting alle door [appellant] en anderen genoemde werkzaamheden die onderdeel zijn van de aanlegfase. De raad heeft er verder op gewezen dat in de "Handreiking woningbouw en AERIUS" voor de bouw van een woning wordt uitgegaan van een emissie van 3 kg NOx per woning door bouwwerkzaamheden. In de stikstofberekening is uitgegaan van een emissie van 7,4 kg NOx daarvoor. In het tweede stikstofonderzoek is bovendien de totale emissie in de aanlegfase berekend op 10,8 kg/j NOx en is de conclusie dat het plan in de aanlegfase geen stikstofdepositie veroorzaakt op het Natura-2000 gebied. De raad heeft daarnaast toegelicht dat de door [appellant] en anderen genoemde betontruckmixer meegenomen is bij de verkeersbewegingen en dat de andere door hen genoemde werktuigen niet noodzakelijk zijn voor het realiseren van de woning. [appellant] en anderen hebben dat niet gemotiveerd betwist.

Het aangevoerde biedt naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende grond voor de conclusie dat in het stikstofonderzoek niet is uitgegaan van reële en aannemelijke uitgangspunten en dat de stikstofemissies vanwege de bouwfase van de in het plan voorziene woning in het stikstofonderzoek zijn onderschat.

Het betoog slaagt niet.

Cumulatie

11. [appellant] en anderen betogen dat ten onrechte geen rekening is gehouden met cumulatie met de effecten van andere plannen en projecten die de komende jaren worden uitgevoerd.

11.1. In een onderzoek naar de gevolgen voor Natura 2000-gebieden hoeven de cumulatieve effecten niet te worden beoordeeld, als uit dat onderzoek blijkt dat een bestemmingsplan geen gevolgen heeft voor Natura 2000-gebieden. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 1 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1960, onder 26.1. Uitgaande van het tweede stikstofonderzoek, waarin het grootste deel van de in de contra-expertise genoemde (kritiek)punten is overgenomen en waarin de conclusie van het stikstofonderzoek is gehandhaafd, is de conclusie dat het plan geen gevolgen heeft voor Natura 2000-gebieden. De raad behoefde daarom geen onderzoek te doen naar de cumulatieve effecten van het plan.

Het betoog slaagt niet.

Overige effecten op het Natura 2000-gebied

12. [appellant] en anderen betogen dat onvoldoende rekening is gehouden met de effecten van lichthinder in de gebruiksfase en de effecten van de heiwerkzaamheden op het Natura 2000-gebied. Volgens hen kunnen deze effecten invloed hebben op het Natura 2000-gebied. Zij wijzen er in dat kader in het bijzonder op dat het gebied een functie heeft als rustgebied voor ganzensoorten.

12.1. De raad stelt zich op het standpunt dat in het gebied al een woning stond en dat een woning die erbij komt niet zal leiden tot een toename van geluid, licht en trillingen. De Afdeling acht het aannemelijk dat de effecten van het gebruik van de woning zeer beperkt zullen zijn. Over de effecten van de heiwerkzaamheden in de vorm van trillingen en geluid heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat deze zo kortstondig plaatsvinden dat gevolgen daardoor kunnen worden uitgesloten. In wat [appellant] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding daaraan te twijfelen. Het aantal draaiuren voor de heistelling is in het stikstofonderzoek namelijk ingeschat op 8. Daarbij betrekt de Afdeling ook de afstand tot het plangebied en dat er tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied een dijk ligt. Mede gelet op de afschermende en dempende werking van de tussenliggende dijk ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat onvoldoende rekening is gehouden met overige effecten op het Natura 2000-gebied.

Het betoog slaagt niet.

Soortenbescherming

13. [appellant] en anderen betogen dat ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar de aanwezigheid van flora en fauna in het plangebied. Zij wijzen erop dat met het plan het verhard oppervlak toeneemt en twee bomen worden verwijderd. Uit eigen waarneming is hen bekend dat het plangebied een mogelijk leefgebied vormt voor onder meer de vleermuis, het konijn, de egel, de boerenzwaluw en de ekster.

13.1. De raad mag het plan niet vaststellen als en voor zover hij op voorhand redelijkerwijs had moeten inzien dat het wettelijke soortenbeschermingsregime aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Volgens paragraaf 4.8.2 van de plantoelichting zijn binnen het plangebied geen beschermde soorten te verwachten, aangezien het gebied bestaat uit een gemaaid gazon en er geen opgaande beplanting in de vorm van bomen of struiken is. Er zijn alleen twee kleinere fruitbomen die verwijderd moeten worden, omdat deze op de locatie van het verschoven bouwvlak liggen. De walnotenboom blijft behouden. Volgens de raad is het uitgesloten dat in de twee fruitbomen beschermde nest- of rustlocaties voorkomen. Verder ligt het plangebied in het midden van een woonwijk, waar veel menselijke activiteit plaatsvindt. Gelet daarop is niet te verwachten dat er beschermde of bedreigde planten- en diersoorten aanwezig zijn en wordt nader onderzoek niet nodig geacht, zo staat in de plantoelichting. [appellant] en anderen hebben geen gegevens overgelegd die een aanknopingspunt bieden voor de juistheid van hun stelling dat zich ter plaatse (rust- en verblijfplaatsen van) te beschermen soorten bevinden. Alleen de stelling dat hen uit eigen waarneming bekend is dat het plangebied een mogelijk leefgebied vormt voor beschermde soorten, is daarvoor onvoldoende. Daarom heeft de raad zich redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat het wettelijke soortenbeschermingsregime op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. De raad hoefde daarvoor geen ecologisch onderzoek uit te voeren.

Het betoog slaagt niet.

Overige beroepsgronden

13.2. Tijdens de zitting hebben [appellant] en anderen laten weten dat de hiervoor besproken gronden gelden als hun belangrijkste beroepsgronden en dat zij specifiek daarover een oordeel in de uitspraak verwachten. De Afdeling ziet in wat [appellant] en anderen verder hebben aangevoerd over het ontbreken van een m.e.r.-beoordeling, geluid, water, cultuurhistorie, de Nationale Omgevingsvisie, de Nota wonen 2020-2025, de Nota Individuele verzoeken om woningbouw en het groenstructuurplan Lingewaard geen grond voor het oordeel dat het plan gebreken bevat.

13.3. De andere gronden van [appellant] en anderen over de hinder door bouwwerkzaamheden en over welstand en verzoeken op grond van de Wet open overheid zijn niet ruimtelijk relevant of zijn aspecten die geen betrekking hebben op het plan of die niet in het plan hoeven te worden geregeld. Die gronden kunnen alleen al daarom niet slagen.

Conclusie

14. Het beroep is ongegrond.

15. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.F. de Groot, voorzitter, en mr. J. Gundelach en mr. C.H. Bangma, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.L. van Driel Kluit, griffier.

w.g. De Groot

voorzitter

w.g. Van Driel Kluit

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2026

703-1036

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. J.F. de Groot
  • mr. J. Gundelach
  • mr. C.H. Bangma

Griffier

  • mr. A.L. van Driel Kluit

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?