ECLI:NL:RVS:2026:1580

ECLI:NL:RVS:2026:1580

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 18-03-2026
Datum publicatie 18-03-2026
Zaaknummer 202505932/1/A2
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig

Samenvatting

Bij besluit van 4 september 2025 heeft het College van Bestuur van de Universiteit Leiden het verzoek van [appellante] tot herstel van de aanmelding voor een bacheloropleiding Biologie met Verplichte Matching afgewezen. [appellante] volgde in het studiejaar 2024-2025 de opleiding Biofarmaceutische Wetenschappen. Zij heeft op 12 augustus 2025 voor deze studie een negatief bindend studieadvies (BSA) gekregen. Vervolgens heeft [appellante] zich op 30 augustus 2025 aangemeld voor de bacheloropleiding Biologie. Dit is een opleiding met een verplichte studiekeuzeactiviteit (matching). Het college heeft de inschrijving op 1 september 2025 geannuleerd, omdat zij zich niet op tijd heeft aangemeld. Op 3 september 2025 heeft [appellante] een verzoek tot herstel aanmelding Verplichte Matching ingediend. Op 4 september 2025 heeft het college het verzoek afgewezen, omdat het verzoek om inschrijving voor studenten met een negatief BSA voor een opleiding met verplichte matching voor het studiejaar 2025-2026 uiterlijk op 17 augustus 2025 moest zijn ingediend.

Uitspraak

202505932/1/A2.

Datum uitspraak: 18 maart 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend in [woonplaats],

appellante,

en

College van Bestuur van de Universiteit Leiden,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 4 september 2025 heeft het college het verzoek van [appellante] tot herstel van de aanmelding voor een bacheloropleiding Biologie met Verplichte Matching afgewezen.

Bij besluit van 17 november 2025 heeft het college het door [appellante] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 20 januari 2026, waar [appellante], bijgestaan door mr. R. Verspaandonk, advocaat in Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door mr. E.M.A. van der Linden en mr. S. van der Harm, zijn verschenen.

Overwegingen

1. [appellante] volgde in het studiejaar 2024-2025 de opleiding Biofarmaceutische Wetenschappen. Zij heeft op 12 augustus 2025 voor deze studie een negatief bindend studieadvies (BSA) gekregen.

2. Vervolgens heeft [appellante] zich op 30 augustus 2025 aangemeld voor de bacheloropleiding Biologie. Dit is een opleiding met een verplichte studiekeuzeactiviteit (matching). Het college heeft de inschrijving op 1 september 2025 geannuleerd, omdat zij zich niet op tijd heeft aangemeld.

3. Op 3 september 2025 heeft [appellante] een verzoek tot herstel aanmelding Verplichte Matching ingediend. Op 4 september 2025 heeft het college het verzoek afgewezen, omdat het verzoek om inschrijving voor studenten met een negatief BSA voor een opleiding met verplichte matching voor het studiejaar 2025-2026 uiterlijk op 17 augustus 2025 moest zijn ingediend. Op 17 november 2025 heeft het college onder verwijzing naar het advies van 13 november 2025 van de Commissie voor de beroep- en bezwaarschriften aan [appellante] laten weten bij de afwijzing te blijven.

Oordeel van de Afdeling

4. De Afdeling bespreekt hieronder de hogerberoepsgronden van [appellante].

Strijdigheid van de afwijzing met de WHW

5. [appellante] betoogt dat artikel 2.2, tweede lid, van de Regeling Inschrijving, College- en Examengeld studiejaar 2024-2025 (de regeling) en artikel 2 van het Kader Verplichte Matching Universiteit Leiden (het kader) op grond waarvan zij zich in dit geval uiterlijk 17 augustus 2025 had moeten inschrijven om aan de matching deel te kunnen nemen, in strijd zijn met de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW). Zij wijst erop dat in artikel 7.31a, vijfde lid, van de WHW een uitzondering wordt gemaakt op de inschrijftermijn van 1 mei voor studenten die na 1 mei een BSA krijgen. Ook wijst ze erop dat op grond van artikel 7.31d, tweede lid, de bevoegdheid de betrokkene de inschrijving te weigeren niet van toepassing is op studenten als bedoeld in artikel 7.31a, vijfde lid.

5.1. Niet in geschil is dat [appellante] op grond van artikel 7.31a, vijfde lid, van de WHW is uitgezonderd van de uiterlijke inschrijftermijn op 1 mei.

5.2. Op grond van artikel 2.2 van de regeling is deelname aan de matchingsactiviteiten een voorwaarde voor inschrijving bij opleidingen met verplichte matching, en moet deze activiteit vóór de start van het studiejaar zijn afgerond. Onder 2 van het kader is bepaald dat een laatste ronde matchingsactiviteiten voor alle matchingsopleidingen in de één na laatste volle week van augustus is. De aanmelding daarvoor is uiterlijk op de dag voorafgaand aan die week in augustus. Daarna is deelname aan de matching en dus ook de inschrijving niet meer mogelijk. Tenzij zich nog studenten van andere universiteiten of hogescholen melden met een negatief BSA besluit, dat na deze laatste ronde van de matching aan hen is bekendgemaakt. Deze kandidaten kunnen zich via een e-mail melden bij de matchingsopleiding.

5.3. Naar het oordeel van de Afdeling zijn de regeling en het kader niet in strijd met de WHW. Uit artikel 7.31c van de WHW volgt dat het college mag besluiten de betrokkene die zich na 1 mei voor een andere opleiding inschrijft, te verplichten deel te nemen aan de studiekeuzeactiviteiten bedoeld in artikel 7.31b, eerste lid, van de WHW, de zogenoemde matching. In artikel 7.31c, tweede lid, van de WHW is expliciet bepaald dat het artikel van overeenkomstige toepassing is op de student, bedoeld in artikel 7.31a, vijfde lid, van de WHW en daarmee op de student die zich als gevolg van een negatief BSA na 1 mei aanmeldt voor een andere opleiding. Artikel 7.31b, vierde lid, WHW geeft het college de bevoegdheid de inschrijving te weigeren als een student zonder geldige reden niet heeft deelgenomen aan verplichte studiekeuzeactiviteiten in het geval van aanmelding op uiterlijk 1 mei. Dit artikellid is in artikel 7.31c WHW niet van overeenkomstige toepassing verklaard op de student met een negatief BSA die zich na 1 mei aanmeldt. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de artikelen 7.31a tot en met 7.31d WHW leidt de Afdeling niettemin af dat de wetgever wel beoogd heeft die mogelijkheid ook te openen voor de student die zich na 1 mei aanmeldt als gevolg van een negatief BSA. De Afdeling wijst op de tabel die is opgenomen in de nota naar aanleiding van het verslag bij het voorstel tot wijziging van de WHW, p. 20 (Kamerstukken II, 33.519, nr.6), waaruit blijkt dat de switcher die kan aantonen dat hij switcht als gevolg van een negatief BSA een toelatingsrecht heeft, mits hij heeft voldaan aan de (eventuele) verplichting tot deelname aan de studiekeuzeactiviteit.

5.4. Verder heeft de wetgever in artikel 7.31d, tweede lid, van de WHW de bevoegdheid van het college de betrokkene die zich na 1 mei voor het eerst voor een opleiding heeft aangemeld, de inschrijving voor de desbetreffende opleiding te weigeren, niet van toepassing verklaard op een student als bedoeld in artikel 7.31a, vijfde lid, van de WHW. De bevoegdheid om deze student te verplichten deel te nemen aan matching is in deze bepaling niet uitgezonderd. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling (Kamerstukken II 2013/14, 33840, nr. 3, p. 5) volgt ook dat de wetgever heeft beoogd de instelling de bevoegdheid te bieden om deze studenten te verplichten deel te nemen aan matching. In artikel 7.31d, derde lid, van de WHW was aanvankelijk ten onrechte opgenomen dat het volledige artikel niet van toepassing is op de student, bedoeld in artikel 7.31a, vijfde lid, WHW, maar dat is bij wetswijziging dus beperkt tot de bevoegdheid om de student de inschrijving te weigeren. Uit de wetsgeschiedenis van deze bepaling blijkt dus dat de wetgever met deze wijziging ook beoogde studenten met een negatief BSA onder het bereik van deze bepaling te brengen. Ook in dat licht valt niet in te zien waarom voor studenten met een negatief BSA die zich na 1 mei als switcher bij een andere opleiding aanmelden en waarop dus artikel 7.31c WHW van toepassing is, niet de mogelijkheid zou bestaan hen de toegang tot de opleiding te weigeren als zij zonder geldige reden geen studiekeuzeactiviteit hebben gevolgd.

5.5. Verder is de Afdeling niet gebleken dat de op grond van het kader gehanteerde termijn voor inschrijving voor een opleiding met verplichte matching onredelijk is. Het college heeft hierover toegelicht dat deze termijn ligt nadat studenten aan de Universiteit Leiden een BSA hebben gekregen. Dat [appellante] eerst rechtsmiddelen heeft willen aanwenden tegen het negatieve BSA is een omstandigheid die voor haar rekening dient te komen.

5.6. Het betoog slaagt niet.

Ondeugdelijk gemotiveerd onderscheid bij maatwerkoplossing

6. [appellante] betoogt verder dat het kader ongerechtvaardigd en ongemotiveerd onderscheid maakt tussen Leidse studenten met een BSA en studenten van andere universiteiten en hogescholen met een BSA. Niet-Leidse-studenten die een BSA na de laatste ronde van matching hebben ontvangen, kunnen zich nog via e-mail melden bij de matchingsopleiding. Aan hen wordt een maatwerkoplossing geboden. Daarbij wijst zij erop dat zij op 12 augustus 2025 pas het BSA heeft ontvangen, vijf dagen voor de sluitingstermijn. Voor haar was dat ook te kort om zich te beraden over haar positie en het vervolg.

6.1. Niet in geschil is dat niet-Leidse-studenten met een BSA dat na de laatste ronde van matching is ontvangen, zich nog via e-mail kunnen melden bij de matchingsopleiding.

6.2. Naar het oordeel van de Afdeling is het onderscheid tussen Leidse studenten en niet-Leidse-studenten dat in het kader wordt gemaakt deugdelijk gemotiveerd. Het college heeft erop gewezen dat studenten van de Universiteit Leiden uiterlijk op 15 augustus een BSA ontvangen, terwijl het college geen zicht heeft op wanneer andere universiteiten een BSA afgeven. Verder wordt slechts een maatwerkoplossing aan studenten van andere universiteiten geboden, wanneer het negatieve BSA aantoonbaar na de laatste ronde van matching bekend is gemaakt.

6.3. Daarnaast worden studenten van de Universiteit Leiden gedurende het studiejaar voorbereid op de mogelijkheid van een negatief BSA. In dit geval heeft [appellante] ook in het voorjaar van 2025 contact gehad met de studieadviseur van haar vorige opleiding, die haar heeft geadviseerd om biologie te gaan studeren. [appellante] had zich daarom eerder kunnen oriënteren op een vervolgopleiding en eerder kunnen bezien welke vereisten daarvoor gelden.

6.4. Het betoog slaagt niet.

De evenredigheid van de afwijzing van de inschrijving

7. [appellante] betoogt verder dat de afwijzing om haar in te schrijven voor de opleiding Biologie voor het studiejaar 2025-2026 onevenredig is. Zij wijst erop dat haar verblijfsrecht afhankelijk is van een inschrijving en dat een inschrijving na 1 september niet meer mogelijk is aan een andere instelling. Het leidt ertoe dat zij moet terugkeren naar haar land van herkomst, haar woonruimte moet opzeggen en alles wat zij in Nederland heeft geregeld een jaar later opnieuw moet regelen. Ook wijst ze op psychische problemen.

7.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het kader alleen een hardheidsclausule bevat voor studenten die zijn aangemeld voor een matchingsactiviteit, maar die daar door uitzonderlijke omstandigheden niet aan kunnen deelnemen. Verder bevat de regeling wel een mogelijkheid om een beroep te doen op de hardheidsclausule bij zwaarwegende persoonlijke omstandigheden of aantoonbare onderwijskundige overmacht, maar daarvan is niet gebleken.

7.2. De Afdeling is van oordeel dat het college de inschrijving van [appellante] in dit geval mocht weigeren, omdat zij zich niet tijdig heeft ingeschreven voor een opleiding met verplichte matching. Dat [appellante] mogelijk haar verblijfsrecht verliest doordat zij geen studie volgt met alle gevolgen van dien, is een relevante omstandigheid, maar op zichzelf beschouwd onvoldoende bijzonder. Dat geldt immers voor alle studenten waarvan het verblijf afhankelijk is van het volgen van een studie. De stelling dat zij psychische problemen heeft, heeft [appellante] niet onderbouwd met stukken.

7.3. Het betoog slaagt niet.

Conclusie

8. Het beroep is ongegrond.

9. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. J. Schipper-Spanninga, leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Kouidar, griffier.

w.g. Daalder

voorzitter

w.g. Kouidar

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2026

1120

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. E.J. Daalder
  • mr. C.H.M. van Altena
  • mr. J. Schipper-Spanninga

Griffier

  • mr. C. Kouidar

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?