202406094/1/A3.
Datum uitspraak: 18 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellante], gevestigd in [plaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 23 augustus 2024 in zaken nrs. 23/6154, 23/6160 en 23/6164 in het geding tussen:
[appellante]
en
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Openbare zitting gehouden op 18 maart 2026 om 10:00 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad: mr. E.A. Minderhoud, lid van de enkelvoudige kamer
griffier: mr. T. Hartsuiker
jurist: mr. B. Dijkhoff
Verschenen:
[appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde]
====================================
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 23 augustus 2024. In die uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van [appellante] tegen de drie besluiten van 25 juli 2023 niet-ontvankelijk verklaard.
Beslissing:
De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Gronden:
1. De minister heeft aan [appellante] drie boetes opgelegd vanwege het overtreden van de Arbeidstijdenwet, Wet arbeid vreemdelingen en Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. Met de drie besluiten van 25 juli 2023 is de minister hierbij gebleven.
2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de beroepen niet-ontvankelijk zijn. [appellante] heeft de beroepschriften te laat, op 14 september 2023, ingediend en zij heeft naar het oordeel van de rechtbank geen omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan het te laat indienen van de beroepschriften niet aan haar kan worden toegerekend. Het te laat indienen van de beroepschriften is dan ook niet verschoonbaar, aldus de rechtbank.
3. [appellante] betoogt dat de beroepschriften tijdig en correct zijn verzonden. Verder wijst [appellante] op een e-mail namens haar van 16 april 2024 waarin volgens haar wordt bevestigd dat toekomstige communicatie per e-mail zal plaatsvinden.
4. De Afdeling verwijst kortheidshalve naar de onder 5 tot en met 6.2 opgenomen overwegingen van de rechtbank. In wat [appellante]j in hoger beroep aanvoert, ziet de Afdeling geen aanleiding voor een ander oordeel.
5. Het hoger beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Minderhoud
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Hartsuiker
griffier
620-1101