202600157/1/A2.
Datum uitspraak: 25 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
en
het college van beroep voor examens van de Universiteit Utrecht (CBE),
verweerder.
Procesverloop
Bij beslissing van 25 augustus 2025 heeft de directeur van het departement Farmaceutische Wetenschappen, faculteit Bètawetenschappen, een definitief negatief bindend studieadvies (NBSA) aan [appellante] gegeven.
Bij beslissing van 18 december 2025 heeft het CBE het door [appellante] daartegen ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze beslissing heeft [appellante] bij de Afdeling beroep ingesteld.
Het CBE heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 3 maart 2026, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. D. Hartevelt, en het CBE, vertegenwoordigd door F. Baijens, drs. M.J.A. Thijssen en dr. R.J. Kok, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellante] is in september 2024 gestart met de bacheloropleiding Farmacie. Zij heeft in het studiejaar 2024-2025 7,5 studiepunten (EC’s) behaald. Daarmee heeft zij niet voldaan aan de norm voor het bindend studieadvies (BSA) voor het eerste jaar van 45 EC’s. In het voorlopig studieadvies van 17 januari 2025 heeft de directeur [appellante] uitgenodigd om contact op te nemen met één van de studieadviseurs en daarbij opgemerkt dat als er bijzondere omstandigheden zijn die de studievoortgang negatief beïnvloeden, zoals langdurige ziekte, het belangrijk is om die zo snel mogelijk bij de studieadviseur te melden, zodat daar bij het BSA rekening mee kan worden gehouden. [appellante] heeft op 29 april 2025 en eind juli 2025 contact opgenomen met de studieadviseur over haar persoonlijke omstandigheden en op 20 augustus 2025 heeft zij daarover een toelichting gegeven bij de BSA-commissie.
Beslissingen directeur en CBE
2. Aan de beslissing van 25 augustus 2025 heeft de directeur ten grondslag gelegd dat de BSA-commissie tot de conclusie is gekomen dat er geen aantoonbaar verband bestaat tussen de door [appellante] aangevoerde overmachtssituatie en het niet behalen van de BSA-norm. Daarnaast heeft de directeur zich op het standpunt gesteld dat er onvoldoende redenen zijn om aan te nemen dat volgend studiejaar wel de vereiste studiepunten behaald kunnen worden. [appellante] mag daarom de opleiding Farmacie bij de Universiteit Utrecht niet voortzetten gedurende een periode van vier jaar. In het verweer in administratief beroep heeft de directeur dit als volgt nader toegelicht. Het studiejaar heeft vier periodes met twee cursussen. De directeur heeft betrokken dat er in periode 2, die loopt van 11 november 2024 tot 27 januari 2025, sprake was van persoonlijke omstandigheden. De zus van [appellante] is op 29 december 2024 met spoed opgenomen in het ziekenhuis en in januari 2025 moest [appellante] aanwezig zijn bij ziekenhuisbezoeken en telefonische consulten omdat haar ouders de Nederlandse taal niet goed beheersen. Zij heeft daardoor in deze periode de reguliere cursussen en de herkansingen van begin januari van periode 1 niet gehaald. De directeur heeft het NBSA gegeven omdat [appellante] in de andere drie periodes slechts één cursus heeft gehaald. In periode 1 heeft zij normaal kunnen studeren, maar geen studiepunten behaald omdat zij moeite had met het niveau van de opleiding en de manier van studeren. In periode 3 heeft [appellante] zich weer kunnen inzetten voor de studie en een keuzecursus met een voldoende afgerond. [appellante] heeft aangegeven in die periode veel stress te hebben ervaren, maar heeft daarover geen contact opgenomen met de studieadviseur of haar huisarts. Zij heeft pas op 9 juli 2025 contact opgenomen met de huisarts. Daarover heeft [appellante] volgens de directeur opgemerkt dat zij na één gesprek met de praktijkondersteuner voldoende was hersteld. In periode 4 heeft [appellante] het reguliere onderwijs gevolgd en ook een module leerstrategieën. Zij heeft echter de reguliere toetsen van periode 4 en de herkansing van periode 3 niet gehaald. De directeur heeft verder betrokken dat de resultaten van vier van de niet behaalde cursussen lager dan het cijfer 4 waren en dat [appellante] heeft verzuimd om tijdig contact op te nemen met de studieadviseur. Dit heeft zij pas half mei (lees: 29 april 2025) en eind juli 2025 gedaan. Ook heeft zij pas in een zeer laat stadium contact opgenomen met haar huisarts.
3. Het CBE heeft geoordeeld dat voldoende aannemelijk is geworden dat de door [appellante] gestelde persoonlijke omstandigheden in enige mate van invloed kunnen zijn geweest op de door haar behaalde studieresultaten, maar dat het bewijs dat zij ter onderbouwing van haar persoonlijke omstandigheden heeft aangedragen, haar verminderde studiebelastbaarheid onvoldoende ondersteunt. Het CBE heeft hieraan ten grondslag gelegd dat [appellante] alleen bewijs heeft aangedragen dat ziet op haar situatie in december 2024 en januari 2025. Enig bewijs van een verminderde studiebelastbaarheid voor en na deze tijd ontbreekt volgens het CBE. Ook heeft [appellante] geen contact onderhouden met de studieadviseur. Het CBE heeft daarbij in aanmerking genomen dat zij in het voorlopig studieadvies van 17 januari 2025 wel is uitgenodigd om dit te doen. Hierdoor heeft het CBE geen causaal verband kunnen vaststellen tussen de persoonlijke omstandigheden van [appellante] en het niet behalen van de eerstejaarsvakken.
Beoordeling van het beroep
4. Wat [appellante] in beroep heeft aangevoerd slaagt niet. Het CBE heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de directeur [appellante] een NBSA heeft mogen geven. De motivering daarvan is naar het oordeel van de Afdeling toereikend. Wat [appellante] op de zitting heeft toegelicht leidt niet tot een ander oordeel. Ook in beroep heeft zij geen medische stukken overgelegd over de periode voor en na periode 2. De Afdeling wijst verder voor het tijdig melden bij de studieadviseur op haar vaste rechtspraak in onder meer de uitspraken van 17 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6189, onder 4, en 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3777, onder 5.1 tot en met 5.3.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond.
6. Het CBE hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, griffier.
w.g. Van Altena
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. De Vink
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026
154-972