202207489/2/R2.
Datum uitspraak: 25 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
1. [appellant sub 1] en anderen,
2. [appellant sub 2],
3. [appellant sub 3],
allen wonend in Weert,
appellanten,
en
de raad van de gemeente Weert,
verweerder.
Procesverloop
Bij tussenuitspraak van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3232, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen zestien weken na verzending van de tussenuitspraak met inachtneming van wat daarin is overwogen, de daarin onder 15.3, 16.4 en 17.3 omschreven gebreken in het besluit van 16 november 2022, waarbij het bestemmingsplan "Zevensprong" is vastgesteld, te herstellen.
Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de raad bij besluit van 22 oktober 2025 het bestemmingsplan "Zevensprong" (hierna: het herstelbesluit) opnieuw en gewijzigd vastgesteld.
Daartoe in de gelegenheid gesteld hebben [appellant sub 3], [appellant sub 2], en [appellant sub 1] en anderen een zienswijze naar voren gebracht over de wijze waarop de gebreken zijn hersteld.
De Staat der Nederlanden (minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) is partij in dit geding.
De Afdeling heeft met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 3 december 2020 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Crisis- en herstelwet (Chw), zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
De tussenuitspraak
2. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak onder 15.3 geoordeeld dat de raad het standpunt dat het bestemmingsplan niet zal leiden tot onevenredige verkeershinder onvoldoende heeft onderbouwd. Daarbij achtte de Afdeling van belang dat de raad onvoldoende heeft onderbouwd dat de omliggende wegen de toename van de verkeersbewegingen als gevolg van het plan aankunnen.
Verder heeft de Afdeling in de tussenuitspraak onder 16.4 geoordeeld dat het bestemmingsplan onvoldoende waarborg bood dat de parkeervraag die uitgaat van bezoekersparkeren niet tot onevenredige parkeerhinder zou leiden. Daartoe overwoog de Afdeling dat de aanleg van bezoekersparkeerplaatsen niet was geborgd in de planregels.
Onder 17.3 van de tussenuitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat de raad onvoldoende heeft onderbouwd dat [appellant sub 3] geen onevenredige geluidhinder zal ondervinden als gevolg van de verkeersgeneratie van het plan.
2.1. Gelet op wat de Afdeling in overwegingen 15.3, 16.4, 17.3 en 21 van de tussenuitspraak heeft overwogen, zijn de beroepen van [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2] en [appellant sub 3] tegen het besluit van 16 november 2022 gegrond. Dat besluit moet worden vernietigd, omdat het wat betreft het gebrek geconstateerd in 16.4 in strijd is met artikel 3:2 van de Awb, en wat betreft de gebreken geconstateerd in 15.3 en 17.3 van de tussenuitspraak ook in strijd met artikel 3:46 van de Awb.
2.2. De Afdeling heeft onder 23 van de tussenuitspraak overwogen dat de raad het onder 15.3 van die uitspraak geconstateerde gebrek kan herstellen door inzichtelijk te maken wat de verkeerscapaciteit van de omliggende wegen is, wat de toename van het aantal verkeersbewegingen als gevolg van het bestemmingsplan is, en of de omliggende wegen deze toename aankunnen.
De Afdeling heeft onder 24 van de tussenuitspraak overwogen dat de raad het onder 16.4 van die uitspraak geconstateerde gebrek kan herstellen door een planregeling vast te stellen die waarborgt dat het aantal benodigde bezoekersparkeerplaatsen in het plangebied wordt gerealiseerd en in stand gehouden.
Onder 25 van de tussenuitspraak heeft de Afdeling overwogen dat de raad het onder 17.3 geconstateerde gebrek kan herstellen door inzichtelijk te maken of ter plaatse van de tuin van [appellant sub 3] sprake is van een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat, gelet op de toename van het aantal verkeersbewegingen als gevolg van het bestemmingsplan.
Het herstelbesluit
3. De raad heeft ter uitvoering van de tussenuitspraak het herstelbesluit genomen en het plan opnieuw en gewijzigd vastgesteld en voorzien van een nadere motivering.
4. De beroepen van [appellant sub 3], [appellant sub 2] en [appellant sub 1] en anderen zijn op de voet van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb van rechtswege mede gericht tegen het herstelbesluit.
5. De Afdeling zal op basis van de door [appellant sub 3], [appellant sub 2] en [appellant sub 1] en anderen ingebrachte zienswijzen beoordelen of de gebreken aan het besluit van 16 november 2022 door de vaststelling van het herstelbesluit zijn hersteld.
Beoordeling zienswijzen
Verkeer
6. Om het geconstateerde gebrek in verband met het onderzoek naar de verkeersgeneratie van het plan te herstellen, heeft de raad een nadere motivering gegeven in paragraaf 4.2 van de plantoelichting. In die paragraaf licht de raad toe wat de verkeersgeneratie van het plan is en wat de verwachte etmaalintensiteit in mvt/etmaal zal zijn van de omliggende wegen. De raad heeft de verkeersgeneratie van het plan met behulp van de kencijfers uit CROW-publicatie 381 berekend op 241 mvt/etmaal en geconcludeerd dat de omliggende wegen deze toename aankunnen.
6.1. [appellant sub 3], [appellant sub 2] en [appellant sub 1] en anderen hebben in hun zienswijzen te kennen gegeven dat zij zich niet met herstelbesluit kunnen verenigen. Het is onduidelijk hoe de raad de capaciteit van de omliggende wegen heeft ingeschat. Ook is de verkeersgeneratie van het plan mogelijk onderschat. De verkeersgeneratie van het plan is berekend door de 67 appartementen te vermenigvuldigen met 3,6 mvt/etmaal. Deze 3,6 mvt/etmaal is een gemiddelde. De raad had uit moeten gaan van 4 mvt/etmaal, het maximum. Verder is onduidelijk wat de gevolgen zijn van de wijziging van de functie van de Willem de Zwijgerstraat naar een eenrichtingsweg, en of dit ertoe leidt dat het aantal verkeersbewegingen langs de Anna van Saksenstraat en de Anna van Burenstraat toeneemt.
6.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad het in de tussenuitspraak onder 15.3 geconstateerde gebrek hersteld. De raad heeft zich op het standpunt mogen stellen dat de omliggende wegen een verkeersgeneratie van 241 mvt/etmaal kunnen verwerken. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de verkeersgeneratie heeft onderschat omdat is uitgegaan van een verkeersgeneratie van 3,6 mvt/etmaal per appartement. [appellant sub 3], [appellant sub 2] en [appellant sub 1] en anderen hebben ook geen omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat de raad van het maximum van 4 mvt/etmaal had moeten uitgaan. Daarbij acht de Afdeling nog van belang dat als de raad was uitgegaan van 4 mvt/etmaal, de verkeersgeneratie met 268 mvt/etmaal 27 mvt/etmaal hoger zou zijn geweest dan bij 3,6 mvt/etmaal. De omliggende wegen kunnen ook die verkeersgeneratie aan. De Afdeling overweegt voorts dat [appellant sub 3], [appellant sub 2] en [appellant sub 1] niet nader hebben onderbouwd dat de raad de verkeersgeneratie verkeerd heeft ingeschat omdat de Willem de Zwijgerstraat een eenrichtingsweg is geworden. De Afdeling vindt in deze zienswijzen geen aanknopingspunten voor het oordeel dat met die omstandigheid in de verwijzing door de raad naar de capaciteit van de omliggende wegen geen rekening is gehouden, mede in aanmerking genomen de berekende absolute verkeersgeneratie van dit plan.
De betogen slagen niet.
Parkeren
7. Voor het herstel van het onder 16.4 van de tussenuitspraak vastgestelde gebrek heeft de raad met artikel 4.5.4 een voorwaardelijke verplichting aan de planregels toegevoegd. Daarmee wil de raad borgen dat het gebruik van de nieuwe woningen in het plangebied uitsluitend is toegestaan indien negentien openbare parkeerplaatsen met een afmeting van 2,0 bij 6,0 m per parkeerplaats aangrenzend aan het plangebied zijn gerealiseerd en in stand worden gehouden.
7.1. [appellant sub 3], [appellant sub 2] en [appellant sub 1] en anderen hebben in hun zienswijze te kennen gegeven zich niet met het herstelbesluit te kunnen verenigen. De formulering van de nieuwe voorwaardelijke verplichting is onduidelijk en rechtsonzeker, omdat niet duidelijk is wat wordt bedoeld met ‘aangrenzend aan het plangebied’. Omdat niet duidelijk is op welke gronden de parkeerplaatsen aangelegd zullen worden is niet duidelijk of het plan op dit punt uitvoerbaar is. Met de voorwaardelijke verplichting is de aanleg van de bezoekersparkeerplaatsen nog steeds niet geborgd, omdat het niet waarschijnlijk is dat de appartementen als zij eenmaal gebouwd zijn, niet bewoond mogen worden als de bezoekersparkeerplaatsen niet zijn gerealiseerd.
7.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad het in de tussenuitspraak onder 16.4 geconstateerde gebrek hersteld. Artikel 4.5.4 van de planregels verplicht tot het aanleggen en het instandhouden van negentien openbare parkeerplaatsen aangrenzend aan het plangebied. De Afdeling is van oordeel dat de voorwaardelijke verplichtingvoldoende duidelijk is geformuleerd. Naar het oordeel van de Afdeling biedt het plan daarmee voldoende waarborg dat de parkeervraag die uitgaat van bezoekersparkeren niet tot onevenredige parkeerhinder zal leiden. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de formulering van artikel 4.5.4 van de planregels niet handhaafbaar is.
De betogen slagen niet.
Woon- en leefklimaat
8. Voor het herstel van het onder 17.3 van de tussenuitspraak vastgestelde gebrek heeft de raad een akoestisch onderzoek laten uitvoeren. Het doel van dit onderzoek is om inzicht te geven in de toename van de geluidsbelasting bij de woning en tuin van [appellant sub 3] aan de Anna van Burenstraat 35 als gevolg van de verkeersgeneratie van het plan. In het akoestisch onderzoek zijn de toekomstige geluidbelastingen vergeleken met de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de geluidbelasting die bij de woning van [appellant sub 3] zal optreden als gevolg van het plan acceptabel is.
8.1. [appellant sub 3] heeft in haar zienswijze te kennen gegeven het niet eens te zijn met het standpunt van de raad dat de toename in de geluidbelasting acceptabel is. De geluidbelasting bij haar tuin bedraagt maximaal 48,42 dB. Dat is meer dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de
Wet geluidhinder.
8.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad het onder 17.3 van de tussenuitspraak geconstateerde gebrek hersteld. De raad heeft aan de hand van de geschatte verkeersgeneratie onderzocht wat de verwachte geluidbelasting bij de woning en tuin van [appellant sub 3] zal zijn. De hoogste geluidbelasting is berekend op 48,42 dB bij de tuin van [appellant sub 3]. De geluidbelasting op de gevel van haar woning bedraagt 43,68 dB. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de toename van de geluidbelasting acceptabel is. De Afdeling kan dit standpunt volgen. De Wet geluidhinder is niet rechtstreeks van toepassing, zodat niet hoeft te worden voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De raad kan een hogere geluidbelasting ook ruimtelijk aanvaardbaar achten. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich op het standpunt mogen stellen dat de gevolgen van het plan op het akoestisch woon- en leefklimaat van [appellant sub 3] aanvaardbaar zijn.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
9. De conclusie is dat de gebreken met het herstelbesluit zijn hersteld. De beroepen tegen het herstelbesluit zijn ongegrond.
10. De raad moet, gelet op wat de Afdeling in overwegingen 15.3, 16.4, 17.3 en 21 van de tussenuitspraak en in deze uitspraak onder 2.1 heeft overwogen, de proceskosten van [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 3] en [appellant sub 2] vergoeden.
11. Voor [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 3] en [appellant sub 2] dient de raad op na te melden wijze te worden veroordeeld in de proceskosten. Over de veroordeling in de proceskosten van [appellant sub 3] en [appellant sub 2] overweegt de Afdeling als volgt. Het gaat hier om twee afzonderlijke beroepen die op dezelfde gronden tegen het besluit van 16 november 2022 zijn ingesteld en waarbij door één persoon rechtsbijstand is verleend, en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek kon zijn. De beroepen worden daarom op grond van artikel 3, eerste lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de toepassing van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bpb beschouwd als één zaak.
Overschrijding redelijke termijn
12. [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 3] en [appellant sub 2] hebben verzocht om een schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn.
12.1. De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit één rechterlijke instantie bestaat zonder voorafgaande bezwaarprocedure, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste twee jaar redelijk. De termijn begint op het moment van ontvangst van het beroepschrift door de Afdeling.
12.2. De Afdeling heeft het beroepschrift van [appellant sub 1] en anderen ontvangen op 3 januari 2023, en de beroepschriften van [appellant sub 3] en [appellant sub 2] op 28 december 2022. De redelijke termijn is in deze procedure dus met bijna 15 maanden overschreden.
Hoogte van de vergoeding
13. Voor [appellant sub 1] en anderen is de redelijke termijn aangevangen met het indienen van hun beroepschrift op 3 januari 2023. [appellant sub 3] en [appellant sub 2] hebben afzonderlijk hun beroepschriften ingediend op 28 december 2022. Op het moment van het doen van deze uitspraak is voor hen de redelijke termijn met 15 maanden overschreden.
13.1. De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Het bedrag van de schadevergoeding zou daarmee € 1.500 per persoon bedragen.
Daarbij wordt opgemerkt dat de beroepen van [appellant sub 3] en [appellant sub 2] gezamenlijk zijn behandeld en betrekking hebben op dezelfde onderwerpen, waarin de Afdeling in dit geval aanleiding ziet om het bedrag per persoon te matigen. Het berekende bedrag aan schadevergoeding wordt gedeeld door het aantal belanghebbenden dat aan het geding heeft deelgenomen, met dien verstande dat aan een ieder van hen minimaal 25% van dat bedrag wordt toegekend. Dat betekent dat aan [appellant sub 3] en [appellant sub 2] afzonderlijk een bedrag van € 750,00 moet worden toegekend.
De schadevergoeding van [appellant sub 1], [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 1C] wordt ook vastgesteld op € 1.500,00. Ook hierbij wordt opgemerkt dat zij samen procederen, waarin de Afdeling in dit geval aanleiding ziet om het bedrag te matigen in de zin dat zij per persoon € 375,00 krijgen toegekend.
De matiging van de schadevergoedingen acht de Afdeling redelijk vanwege de matigende invloed die het instellen van een gezamenlijk beroep in het voorliggende geval heeft gehad op de mate van stress, ongemak en onzekerheid die zij hebben ondervonden vanwege de te lang durende procedure. Door gezamenlijk beroep in te stellen hebben zij de voor- en nadelen van het voeren van deze procedure kunnen delen.
Toerekening
13.2. In de tussenuitspraak van 16 juli 2025 zijn door de Afdeling meerdere gebreken geconstateerd in het bestemmingsplan. Daarop heeft de Afdeling een bestuurlijke lus toegepast om de raad de gelegenheid te geven de besluiten te herstellen. Hierdoor is de redelijke termijn met nog meer maanden overschreden dan al het geval was. De overschrijding van de redelijke termijn voor zover die het gevolg is van het toepassen van een bestuurlijke lus om gebreken te herstellen, moet aan het bestuursorgaan worden toegerekend. Voor zover de overschrijding komt doordat de Afdeling de redelijke behandelingsduur voor de beroepen heeft overschreden, dat wil zeggen omdat niet binnen twee jaar de tussenuitspraak is gedaan en niet binnen één jaar na ontvangst van de herstelbesluiten einduitspraak is gedaan, moet deze aan de Afdeling worden toegerekend (vergelijk de uitspraak van 13 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ1289).
13.3. De tussenuitspraak was voor [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 3] en [appellant sub 2] zeven maanden te laat. Deze overschrijding moet aan de Afdeling worden toegerekend. Omdat de einduitspraak is gedaan binnen een jaar nadat de Afdeling bericht heeft gekregen dat het herstelbesluit was genomen, moet de overschrijding voor het overige aan de raad worden toegekend.
13.4. Omdat de overschrijding deels aan de Afdeling en deels aan de raad is toe te rekenen, wordt de vergoeding van de schade naar evenredigheid uitgesproken ten laste van de raad en de Staat. De raad wordt veroordeeld tot betaling van 8/15e deel, dus € 400,00 aan [appellant sub 3], € 400,00 aan [appellant sub 2] en € 200,00 aan [appellant sub 1], [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 1C] elk. De Staat wordt veroordeeld tot betaling van 7/15e deel, dus € 350,00 aan [appellant sub 3], € 350,00 aan [appellant sub 2] en € 175,00 aan [appellant sub 1], [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 1C] elk.
Conclusie verzoeken
14. De verzoeken van [appellant sub 3], [appellant sub 2] en [appellant sub 1] en anderen om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn worden toegewezen.
Proceskosten
15. De raad en de Staat worden ieder veroordeeld tot vergoeding van de helft van de proceskosten die [appellant sub 3], [appellant sub 2] en [appellant sub 1] en anderen hebben gemaakt in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding. De Afdeling ziet aanleiding om ook voor de vergoeding van de proceskosten voor het verzoek de verzoeken van [appellant sub 3] en [appellant sub 2] te beschouwen als één zaak. De Afdeling zal de veroordeling van de proceskosten ook in zoverre ieder voor de helft uitspreken.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2] en [appellant sub 3] tegen het besluit van 16 november 2022, waarbij de raad van de gemeente Weert het bestemmingsplan "Zevensprong" heeft vastgesteld, gegrond;
II. vernietigt het besluit 16 november 2022 van de gemeente Weert tot vaststelling van het bestemmingsplan "Zevensprong";
III. verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2] en [appellant sub 3] tegen het besluit van 22 oktober 2025, waarbij de raad van de gemeente Weert het bestemmingsplan "Zevensprong" opnieuw en gewijzigd heeft vastgesteld, ongegrond;
IV. veroordeelt de raad van de gemeente Weert tot vergoeding van bij:
a. [appellant sub 1] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
b. [appellant sub 2] en [appellant sub 3] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
V. gelast dat de raad van de gemeente Weert aan:
a. [appellant sub 1] en anderen het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 184,00 voor de behandeling van het beroep vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
b. [appellant sub 2] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 184,00 voor de behandeling van het beroep vergoedt;
c. [appellant sub 3] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 184,00 voor de behandeling van het beroep vergoedt;
VI. veroordeelt de raad van de gemeente Weert tot betaling van een schadevergoeding van:
a. € 800,00 aan [appellant sub 1] en anderen, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen, het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
b. € 400,00 aan [appellant sub 2];
c. € 400,00 aan [appellant sub 3];
VII. veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot betaling van een schadevergoeding van:
a. € 700,00 aan [appellant sub 1] en anderen, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen, het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
b. € 350,00 aan [appellant sub 2];
c. € 350,00 aan [appellant sub 3];
VIII. veroordeelt de raad van de gemeente Weert tot vergoeding van bij:
a. [appellant sub 1] en anderen in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 233,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de Staat aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
b. [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 116,75;
c. [appellant sub 3] in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 116,75;
IX. veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot vergoeding van bij:
a. [appellant sub 1] en anderen in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 233,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de Staat aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
b. [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 116,75;
c. [appellant sub 3] in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 116,75.
Aldus vastgesteld door mr. A. ten Veen, voorzitter, en mr. M. Soffers en mr. J.F. de Groot, leden, in tegenwoordigheid van mr. K.M. Arneri, griffier.
w.g. Ten Veen
voorzitter
w.g. Arneri
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026
1010