202600153/1/A2.
Datum uitspraak: 25 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
en
het College van Beroep voor de Examens (CBE) van de Universiteit van Amsterdam (UvA),
verweerder.
Procesverloop
Bij beslissing van 15 augustus 2025 heeft de BSA-commissie, namens de decaan van de Faculteit Economie en Bedrijfskunde van de UvA, het verzoek van [appellant] om uitstel van het bindend studieadvies (BSA) afgewezen en aan hem een negatief BSA gegeven.
Bij beslissing van 3 december 2025 heeft het CBE het daartegen ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze beslissing heeft [appellant] beroep ingesteld.
Het CBE heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 24 februari 2026, waar [appellant], vergezeld door [persoon], en het CBE, vertegenwoordigd door A. van der Weerd-Kramer, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] is in het studiejaar 2023-2024 gestart met de bacheloropleiding Economics and Business Economics aan de UvA. Voor deze opleiding geldt in het eerste jaar een BSA-norm van 48 studiepunten. In het studiejaar 2023-2024 heeft [appellant] 42 studiepunten gehaald en daarmee niet aan deze norm voldaan. Aan hem is toen uitstel verleend onder de voorwaarde dat hij in het studiejaar 2024-2025 de drie nog openstaande eerstejaarsvakken (totaal 18 studiepunten) moet behalen. [appellant] heeft in dat studiejaar twee eerstejaarsvakken (totaal 12 studiepunten) behaald en daarmee niet aan deze voorwaarde voldaan. Hij heeft verzocht om uitstel op grond van persoonlijke omstandigheden bestaande uit het bestuurslidmaatschap van de Marketing Association Amsterdam (MAA). De BSA-commissie heeft dit verzoek afgewezen en een negatief BSA uitgebracht.
De beslissing van het CBE
2. Volgens het CBE is weliswaar op basis van de stukken en wat op de zitting is besproken aannemelijk geworden dat de door [appellant] aangedragen persoonlijke omstandigheden in enige mate van invloed kunnen zijn geweest op de door hem behaalde studieresultaten in de periode vanaf mei 2025, maar bieden deze geen voldoende verklaring voor het in redelijkheid niet hebben kunnen voldoen aan de BSA-voortgangsnorm. Zo heeft [appellant] nog voordat hij voorzitter werd van MAA de eerste kans voor het eerstejaarsvak ‘Statistics 1 for Economics’ niet gehaald. Verder heeft hij er steeds bewust voor gekozen om in de twee tentamenperiodes in het studiejaar 2024-2025 ook tentamens af te leggen voor tweedejaarsvakken, hoewel hij meermaals is gewezen op het belang om de eerstejaarsvakken prioriteit te geven. Bovendien heeft hij onvoldoende contact onderhouden met de studieadviseur en diens adviezen niet opgevolgd, hoewel dit gelet op het eerder verleende uitstel wel van hem mocht worden verwacht. Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden komt het voor rekening en risico van [appellant] dat hij niet heeft voldaan aan de voor hem vastgestelde BSA-voortgangsnorm. De BSA-commissie heeft dan ook in redelijkheid kunnen besluiten om aan hem een negatief BSA uit te brengen. Verder is de beslissing van de BSA-commissie niet onvoldoende zorgvuldig voorbereid noch onvoldoende gemotiveerd.
Beoordeling van het beroep
3. [appellant] betoogt dat het CBE niet heeft onderkend dat sprake is van een causaal verband tussen zijn persoonlijke omstandigheden en het niet hebben kunnen voldoen aan de BSA-voortgangsnorm. De periode waarin hij voorzitter van de studentenvereniging werd, viel immers samen met de periode waarin hij het tweede tentamenmoment voor het vak ‘Statistics 1 for Economics’ heeft voorbereid en afgelegd. Verder is de besluitvorming onzorgvuldig geweest, omdat die mede steunt op aannames over zijn studieplanning en het niet opvolgen van het advies van de studieadviseur. Verder heeft de beslissing onevenredig zware gevolgen, omdat hij niet alleen zijn studie niet mag voortzetten, maar hij ook zijn rol als voorzitter van een studentenvereniging met meer dan 550 leden moet neerleggen.
3.1. [appellant] heeft op de zitting verklaard dat voor het voorzitterschap van de studentenvereniging gemiddeld 20 uur per week staat. Dat betekent dat hij naast het voorzitterschap nog tijd over had om voor het vak ‘Statistics 1 for Economics’ te studeren. Daar komt bij dat hij er bewust voor heeft gekozen om zowel tijdens het eerste, als het tweede toetsmoment voor ‘Statistics 1 for Economics’ ook tentamens voor tweedejaarsvakken af te leggen, terwijl hij wist dat hij dat vak moest halen om aan de BSA-voortgangsnorm te voldoen en de studieadviseur hem had geadviseerd om al zijn tijd in dat vak te steken. Gelet op dit samenstel van omstandigheden is de Afdeling met het CBE van oordeel dat het bestuurslidmaatschap onvoldoende verklaring biedt voor het niet hebben kunnen voldoen aan de BSA-voortgangsnorm.
3.2. Dat [appellant] graag had gezien dat het CBE een andere betekenis aan het advies van de studieadviseur had gegeven en aan de vraag of hij er verstandig aan deed om zich ook te richten op tweedejaarsvakken, maakt niet dat de beslissing van het CBE in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel.
3.3. Aan [appellant] is al een keer uitstel van het BSA verleend. Bovendien is hij er meermaals, ook al in het begin van het studiejaar, op is gewezen dat hij in het studiejaar 2024-2025 alle eerstejaarsvakken moest halen om aan de BSA-voortgangsnorm te voldoen. Onder deze omstandigheden heeft het CBE zich terecht op het standpunt gesteld dat de beslissing om een negatief BSA te geven niet onevenredig is. De mogelijke gevolgen van de beslissing voor MAA zien niet op het belang van [appellant] bij het kunnen voortzetten van zijn opleiding, waardoor het CBE deze gevolgen niet bij de beoordeling van de evenredigheid van de beslissing heeft hoeven meewegen.
Conclusie
4. Het beroep is ongegrond.
5. Het CBE hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.
w.g. Daalder
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Loon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026
284-1160