202500657/1/A2.
Datum uitspraak: 25 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 december 2024 in zaak nr. 23/6883 in het geding tussen:
[appellante]
en
de minister van Financiën.
Procesverloop
Bij besluit van 5 oktober 2022 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aanvraag van [appellante] tot overname van haar schulden gedeeltelijk afgewezen.
Bij besluit van 6 september 2023 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 19 december 2024 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting van 10 maart 2026 aan de orde gesteld.
Overwegingen
1. Deze uitspraak gaat over een besluit op grond van de regeling voor overneming en betaling van private schulden die is opgenomen in de Wet hersteloperatie toeslagen (de Wht).
2. In hoofdstuk 4 van de Wht is geregeld onder welke voorwaarden gedupeerden in aanmerking komen voor het overnemen en betalen van private schulden. De voor dit geschil relevante bepalingen van die wet zijn opgenomen in de bijlage.
3. [appellante] is een erkend gedupeerde ouder van de kinderopvangtoeslagenaffaire. Zij heeft de minister in het kader van de hersteloperatie toeslagen verzocht om overname van ongeveer zeventig schulden.
4. De minister heeft de aanvraag tot overname van sommige schulden volledig afgewezen. Andere schulden heeft de minister slechts gedeeltelijk overgenomen. Er zijn verschillende afwijzingsgronden aan ten grondslag gelegd. Zo voldeden sommige schulden niet aan het vereiste dat (een deel van) de schuld na 31 december 2015 is ontstaan of vóór 1 juni 2021 opeisbaar was. Daarnaast zijn er schulden die [appellante] al (gedeeltelijk) had voldaan of niet meer openstonden op het tijdstip van de aanvraag. Ook waren er schulden waarvan niet kon worden vastgesteld dat die op naam van [appellante] staan. Tot slot waren sommige schulden geen private schulden, maar publieke schulden aan de overheid, waardoor die niet in behandeling zijn genomen.
5. Voor zover [appellante] in hoger beroep betoogt dat de eisen, gesteld in artikel 4.1, tweede lid, van de Wht, in strijd zijn met het evenredigheidsbeginsel, betreft dit een rechtsvraag die de Afdeling eerder heeft beantwoord (zie de uitspraken van de Afdeling van 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2040 en ECLI:NL:RVS:2024:2045). De rechtbank heeft voor haar oordeel of de door [appellante] overgelegde schulden moeten worden overgenomen terecht de eisen uit voornoemd artikel als uitgangspunt genomen.
6. Voor zover [appellante] betoogt dat de eisen, bepaald in artikel 4.1, tweede lid, van de Wht onjuist zijn toegepast, heeft zij dit in hoger beroep niet nader onderbouwd en is dit een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellante] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 5 tot en met 9.1 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.
7. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
8. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. W. den Ouden, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.T.J. van de Voort, griffier.
w.g. Den Ouden
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van de Voort
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026
1062
BIJLAGE
WETTELIJK KADER
Wet hersteloperatie toeslagen
Artikel 4.1. Overneming of betaling privaatrechtelijke geldschulden gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag, partner en ex-partner van gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag
1. Onze Minister neemt op aanvraag de geldschulden en kosten over op grond van artikel 155 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek van een aanvrager van een kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 of diens partner, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, onderdelen b of c, of een ex-partner die in aanmerking komt voor de compensatie, bedoeld in artikel 2.14h, eerste lid, en aan wie deze is toegekend, tenzij op die aanvrager, die partner of die ex-partner artikel 4.6 of 4.7 van toepassing is.
2. De geldschulden die worden overgenomen:
a. zijn ontstaan na 31 december 2005;
b. waren voor 1 juni 2021 opeisbaar; en
c. zijn niet voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan.
[…].