202502082/1/A2.
Datum uitspraak: 25 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 26 februari 2025 in zaak nr. 23/8653 in het geding tussen:
[appellante]
en
de minister van Financiën.
Procesverloop
Bij besluit van 21 februari 2023 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het verzoek van [appellante] tot overname van haar private schulden afgewezen.
Bij besluit van 21 november 2023 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 26 februari 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
[appellante] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op de zitting van 10 maart 2026 aan de orde gesteld.
Overwegingen
1. Deze uitspraak gaat over een besluit op grond van de regeling voor overneming en betaling van private schulden die is opgenomen in de Wet hersteloperatie toeslagen (de Wht).
2. In hoofdstuk 4 van de Wht is geregeld onder welke voorwaarden gedupeerden in aanmerking komen voor het overnemen en betalen van private schulden. De voor dit geschil relevante bepalingen van die wet zijn opgenomen in de bijlage.
3. [appellante] is een erkend gedupeerde ouder van de kinderopvangtoeslagenaffaire. Zij heeft de minister in het kader van de hersteloperatie toeslagen verzocht tot overname van een schuld bij haar vader van € 22.500,00.
4. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat de schuld bij de vader een informele schuld is die niet is vastgelegd in een notariële akte en ook niet blijkt uit een rechterlijke uitspraak. Daardoor kan niet worden vastgesteld of de schuld (nog) bestaat en wat daarvan de betalingsafspraken zijn. De door [appellante] overgelegde stukken zijn daartoe onvoldoende. Ook zijn er geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan kan worden afgeweken van het vereiste dat een informele schuld in een notariële akte moet zijn vastgelegd.
5. [appellante] betoogt dat het tegenwerpen van het ontbreken van een notariële akte in strijd is met het doel van het herstelproces. Daarnaast heeft [appellante] wel een onderhandse akte overgelegd waaruit de schuld blijkt. Op grond van artikel 157, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is dit dwingend bewijs.
6. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, volgt de eis van de notariële akte als bewijs van het bestaan van een informele schuld en van betalingsafspraken dwingend uit de Wht. Als daaraan niet is voldaan, dan kan de schuld niet worden overgenomen. De Afdeling heeft daarover eerder geoordeeld dat deze eis door de minister mocht worden gesteld (zie de uitspraken van de Afdeling van 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2040 en ECLI:NL:RVS:2024:2045). Nu de schuld aan de vader niet is neergelegd in een notariële akte, komt deze schuld niet voor overname in aanmerking. Het betoog dat aan de onderhandse akte van de schuld aan haar vader op grond van artikel 157, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering - overigens alleen tussen de betreffende partijen - dwingende bewijskracht toekomt, maakt verder niet dat aan het ontbreken van de notariële akte voorbij moet worden gegaan. De rechtbank is dus terecht tot het oordeel gekomen dat de minister de schuld niet hoefde over te nemen, omdat niet is voldaan aan artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Wht. Aan het betoog over de opeisbaarheid van de schuld komt de Afdeling daarom niet meer toe.
7. [appellante] heeft verder geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan de minister toepassing had moeten geven aan de hardheidsclausule. Zij is ook niet op de zitting van de Afdeling verschenen om haar beroep toe te lichten
8. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
9. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. W. den Ouden, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.T.J. van de Voort, griffier.
w.g. Den Ouden
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van de Voort
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026
1062
BJLAGE
WETTELIJK KADER
Wet hersteloperatie toeslagen
Artikel 4.1. Overneming of betaling privaatrechtelijke geldschulden gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag, partner en ex-partner van gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag
1. Onze Minister neemt op aanvraag de geldschulden en kosten over op grond van artikel 155 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek van een aanvrager van een kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 of diens partner, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, onderdelen b of c, of een ex-partner die in aanmerking komt voor de compensatie, bedoeld in artikel 2.14h, eerste lid, en aan wie deze is toegekend, tenzij op die aanvrager, die partner of die ex-partner artikel 4.6 of 4.7 van toepassing is.
[…].
3. Geldschulden en kosten die worden overgenomen, zijn:
[…].
b. een geldschuld die niet is ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling van de schuldeiser indien deze is vastgelegd in een notariële akte die is verleden in de periode tussen 1 januari 2006 en 1 juni 2021 of blijkt uit een rechterlijke uitspraak indien de daaraan voorafgaande ingebrekestelling of dagvaarding of het daaraan voorafgaande verzoekschrift dateert van voor 1 juni 2021, waarbij geldt dat de zaak bij de rechtbank binnen een redelijke termijn na de dagtekening van de ingebrekestelling aanhangig moet zijn gemaakt;
[…].
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
Artikel 157
[…].
2. Een authentieke of onderhandse akte levert ten aanzien van de verklaring van een partij omtrent hetgeen de akte bestemd is ten behoeve van de wederpartij te bewijzen, tussen partijen dwingend bewijs op van de waarheid van die verklaring, tenzij dit zou kunnen leiden tot een rechtsgevolg dat niet ter vrije bepaling van partijen staat. Onder partij wordt begrepen de rechtverkrijgende onder algemene of bijzondere titel, voor zover het desbetreffende recht is verkregen na het opmaken van de akte.