ECLI:NL:RVS:2026:1690

ECLI:NL:RVS:2026:1690

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 25-03-2026
Datum publicatie 25-03-2026
Zaaknummer 202205411/1/A3
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 5 oktober 2021, op schrift gesteld op 8 oktober 2021, heeft de burgemeester van Gorinchem de woning van [appellant sub 2] met toepassing van spoedeisende bestuursdwang voor twee weken gesloten. B[appellant sub 2] woonde samen met zijn inmiddels overleden vrouw en zijn zoon, [zoon], in de woning aan de [locatie] in Gorinchem. Op 5 oktober 2021 is de woning van [appellant sub 2] doorzocht op grond van de Wet wapens en munitie. Van de doorzoeking is op 11 oktober 2021 een bestuurlijke rapportage opgemaakt. In de slaapkamer van [appellant sub 2] zijn 0,9 gram cocaïne, verpakt in twee zogenoemde ‘ponypacks’, en tien lege wikkels, waarvan ambtshalve bekend is dat deze gebruikt worden voor het verpakken van verdovende middelen, aangetroffen. Op de zolderkamer, waar de zoon van [appellant sub 2] sliep, is 4,1 gram MDMA aangetroffen, verpakt in twee zakjes met elk vijf pillen. Ook zijn een alarmpistool met knalpatronen en € 4.400,00 aan contanten op de zolderkamer aangetroffen.

Uitspraak

202205411/1/A3.

Datum uitspraak: 25 maart 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. de burgemeester van Gorinchem,

2. [appellant sub 2], wonend in Gorinchem,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 september 2022 in zaak nr. 22/281 in het geding tussen:

[appellant sub 2]

en

de burgemeester.

Procesverloop

Bij besluit van 5 oktober 2021, op schrift gesteld op 8 oktober 2021, heeft de burgemeester de woning van [appellant sub 2] met toepassing van spoedeisende bestuursdwang voor twee weken gesloten.

Bij besluit van 19 oktober 2021 heeft de burgemeester de woning van [appellant sub 2] voor een periode van drie maanden gesloten, met aftrek van de spoedsluiting van twee weken.

Bij besluit van 7 januari 2022 heeft de burgemeester het door [appellant sub 2] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 september 2022 heeft de rechtbank het door [appellant sub 2] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 7 januari 2022 vernietigd en de burgemeester opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

Tegen deze uitspraak heeft de burgemeester hoger beroep ingesteld.

[appellant sub 2] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

De burgemeester en [appellant sub 2] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant sub 2] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 12 januari 2026, waar de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. F.A. Pommer, advocaat in Nijmegen, en mr. A. Aziz, en [appellant sub 2], bijgestaan door mr. J.R. van Manen, advocaat in Gorinchem, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. [appellant sub 2] woonde samen met zijn inmiddels overleden vrouw en zijn zoon, [zoon], in de woning aan de [locatie] in Gorinchem. Op 5 oktober 2021 is de woning van [appellant sub 2] doorzocht op grond van de Wet wapens en munitie. Van de doorzoeking is op 11 oktober 2021 een bestuurlijke rapportage opgemaakt. In de slaapkamer van [appellant sub 2] zijn 0,9 gram cocaïne, verpakt in twee zogenoemde ‘ponypacks’, en tien lege wikkels, waarvan ambtshalve bekend is dat deze gebruikt worden voor het verpakken van verdovende middelen, aangetroffen. Op de zolderkamer, waar de zoon van [appellant sub 2] sliep, is 4,1 gram MDMA aangetroffen, verpakt in twee zakjes met elk vijf pillen. Ook zijn een alarmpistool met knalpatronen en € 4.400,00 aan contanten op de zolderkamer aangetroffen.

1.1. De burgemeester is bij het besluit van 5 oktober 2021 overgegaan tot spoedsluiting van de woning voor twee weken op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet en met toepassing van de Beleidsregels met betrekking tot de toepassing van artikel 13b van de Opiumwet inzake woningen en lokalen. Bij het besluit van 19 oktober 2021 heeft de burgemeester de woning voor drie maanden gesloten, met aftrek van de spoedsluiting van twee weken. De burgemeester heeft de sluiting gehandhaafd bij het besluit van 7 januari 2022.

2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de burgemeester de bestuurlijke rapportage ten grondslag heeft mogen leggen aan het besluit tot sluiting en dat de burgemeester bevoegd was de woning te sluiten. Er is in totaal vijf gram harddrugs aangetroffen in de woning en van een substantieel deel van de aangetroffen drugs is niet aannemelijk gemaakt dat deze uitsluitend bestemd waren voor eigen gebruik. De zoon van [appellant sub 2] heeft verklaard de MDMA-pillen zelf te gebruiken op festivals maar ook aan vrienden weg te geven. Daarmee verstrekte hij drugs aan anderen. Volgens de rechtbank was de in de woning aangetroffen hoeveelheid harddrugs echter niet zodanig dat alleen al daarom sluiting gerechtvaardigd is. De aangetroffen hoeveelheid cocaïne is beperkt en de verklaring dat de cocaïne voor eigen gebruik was is niet onaannemelijk, nu het feitelijk minder is dan tweemaal de hoeveelheid voor eigen gebruik. De MDMA-pillen overschrijden wel de gebruikershoeveelheid voor één persoon, maar het aantal pillen is niet zodanig dat grootschalige verspreiding aannemelijk is, uitgaande van de verklaring van de zoon dat hij die had gekocht voor zichzelf en voor vrienden voor een festival met afterparty dat niet doorging in verband met corona. De rechtbank weegt ook mee dat de officier van justitie geen aanleiding heeft gezien voor een doorzoeking op grond van de Opiumwet omdat afstand is gedaan van de drugs en het om een kleine hoeveelheid ging. De omstandigheden leiden er niet toe dat sprake zou zijn van grootschalige en commerciële drugshandel en betrokkenheid bij een criminele organisatie.

De rechtbank is verder van oordeel dat niet kan worden gesproken over handel in of vanuit de woning. De rechtbank ziet naast het benoemde in de melding van het Team Criminele Inlichtingen (TCI) geen andere aanwijzingen, zoals waarnemingen van de politie of meldingen van buurtbewoners over loop op de woning. Er zijn ook geen handelsattributen in de woning aangetroffen. Verder volgt uit de bestuurlijke rapportage niet dat het alarmpistool daadwerkelijk gebruikt is ten behoeve van drugshandel, bijvoorbeeld voor afdreiging. Ook kan aan de summiere informatie over de antecedenten van [appellant sub 2] en zijn zoon uit 2008 en 2014 niet de conclusie worden verbonden dat van hen nog een actuele dreiging van Opiumwetdelicten uitgaat.

Ook heeft de rechtbank over de TCI-melding overwogen dat daarin slechts wordt vermeld dat een van de bewoners over een vuurwapen zou beschikken en een van bewoners zou handelen in verdovende middelen. De bron en betrouwbaarheid van de melding zijn niet benoemd. De doorzoeking heeft geen feiten en omstandigheden opgeleverd die steun bieden aan de melding. Daarom moet volgens de rechtbank het belang dat aan de TCI-melding kan worden gehecht worden gerelativeerd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de burgemeester dan ook onvoldoende gemotiveerd dat de sluiting van de woning noodzakelijk was en dat niet met een minder ingrijpend middel kon worden volstaan.

Hoger beroep van de burgemeester

3. De burgemeester betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de aangetroffen hoeveelheid harddrugs niet zodanig is dat alleen al daarom de sluiting van de woning gerechtvaardigd was. Volgens de burgemeester heeft de rechtbank niet onderkend dat alle omstandigheden niet afzonderlijk maar in samenhang moeten worden beschouwd. Ook is de uitspraak van de rechtbank tegenstrijdig omdat zij bij de beoordeling van de bevoegdheid van de burgemeester heeft geoordeeld dat sprake zou zijn van een handelshoeveelheid, maar bij de beoordeling van de noodzakelijkheid heeft geoordeeld dat sprake zou zijn van een gebruikshoeveelheid.

3.1. De burgemeester betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat uit de bestuurlijke rapportage niet blijkt dat de TCI-melding gaat over handel in of vanuit de woning. Volgens de burgemeester duiden de vondst van de handelshoeveelheid drugs, de lege wikkels en gripzakjes, het alarmpistool en het contante geld erop dat de harddrugs een handelsbestemming hadden. De rechtbank onderkent niet het bijzondere karakter van de informatie van het TCI. Uit de TCI-melding blijkt dat de zoon van [appellant sub 2] cocaïne zou verkopen en in de woning zou bewaren en in het bezit zou zijn van een vuurwapen en regelmatig een vuurwapen te koop aanbiedt. De rechtbank gaat uit van een onjuiste lezing van de TCI-melding. Volgens de burgemeester is de TCI-melding betrouwbaar omdat wat daarin staat ook daadwerkelijk in de woning is aangetroffen. Het is, anders dan de rechtbank oordeelt, bij de beoordeling van de noodzaak geen voorwaarde dat sprake zou moeten zijn van professionele en grootschalige drugshandel.

3.2. De burgemeester betoogt ten slotte dat de rechtbank niet heeft onderkend dat bij de beoordeling van de ernst van de overtreding betekenis toekomt aan de antecedenten van [appellant sub 2] en zijn zoon. Naast Opiumwet-antecedenten zijn er ook antecedenten van geweldpleging die relevant zijn omdat de drugscriminaliteit is omgeven met geweld en wapenbezit. Het feit dat de antecedenten gedateerd en onduidelijk zijn doet er volgens de burgemeester niet aan af dat hij deze mag betrekken bij de beoordeling van het recidiverisico.

Beoordeling

4. In haar uitspraak van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922, heeft de Afdeling de uitgangspunten weergegeven bij haar beoordeling van besluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De Afdeling zal deze uitgangspunten hanteren bij de beoordeling van het voorliggende hoger beroep.

4.1. In hoger beroep is niet in geschil dat de burgemeester bevoegd was handhavend op te treden op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Het hoger beroep draait om de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de burgemeester redelijkerwijs niet van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

4.2. Als de burgemeester op grond van artikel 13b van de Opiumwet bevoegd is om in een concreet geval op te treden met een last onder bestuursdwang en hij overweegt om een woning te sluiten, zal hij moeten beoordelen of dat in de omstandigheden van het geval gerechtvaardigd is, en zo ja, voor hoe lang. Wanneer hij daarvoor beleid heeft geformuleerd, zal hij dat beleid in de regel moeten toepassen en ook moeten bezien of er grond bestaat om daarvan af te wijken. Steeds zal hij daarbij moeten beoordelen of zijn optreden in een concreet geval evenredig is. De burgemeester moet zich ervan vergewissen dat de sluiting van een woning en de duur ervan met het oog op de hiervoor genoemde doelen geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is. De last onder bestuursdwang is een herstelmaatregel, in dit geval met als doel het beëindigen van de geconstateerde overtreding van de Opiumwet, het tenietdoen van de gevolgen daarvan en/of het voorkomen van verdere overtredingen van de Opiumwet, steeds in of vanuit de woning. Deze maatregel kan de vorm krijgen van een sluiting van de woning voor een bepaalde duur. De burgemeester kan - naar gelang de omstandigheden van het geval - kiezen voor een minder ingrijpend middel, zoals een last onder dwangsom of het geven van een waarschuwing.

4.3. De Afdeling is, in het licht van wat zij in de hiervoor genoemde uitspraak van 16 juli 2025 onder 10 tot en met 10.2 heeft geoordeeld, van oordeel dat de burgemeester niet aannemelijk heeft gemaakt dat sluiting van de woning noodzakelijk was en niet met een minder ingrijpend middel kon worden volstaan. De Afdeling onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de onder 9.2 tot en met 9.7 opgenomen overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd. Anders dan de burgemeester betoogt heeft de rechtbank de afzonderlijke omstandigheden ook in samenhang bezien. Zij heeft daarbij in het kader van de noodzakelijkheid van de sluiting terecht gewicht toegekend aan de beperkte hoeveelheid aangetroffen drugs en het ontbreken van indicaties voor handel in drugs vanuit de woning anders dan de TCI-melding, waarvan onduidelijk is waarop deze is gebaseerd. Dit is niet in strijd met het feit dat de aangetroffen hoeveelheid drugs is aan te merken als een handelshoeveelheid en daarmee een bevoegdheid tot sluiting oplevert. Het ontbreken van andere indicaties voor handel kan leiden tot het oordeel dat sluiten niet noodzakelijk is. De Afdeling ziet in hetgeen de burgemeester verder heeft aangevoerd geen aanknopingspunten voor de conclusie dat hij in dit geval niet met een minder ingrijpend middel heeft kunnen volstaan. Sluiting van de woning was niet noodzakelijk en daarom niet evenredig.

Incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2]

5. [appellant sub 2] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat in beroep de gronden enkel zijn gericht tegen de sluiting voor de duur van drie maanden en niet tegen de spoedsluiting. [appellant sub 2] heeft beroep ingediend tegen het besluit op bezwaar van 7 januari 2022. In dat besluit heeft de burgemeester besloten zowel het primaire besluit van 8 oktober 2021 (spoedsluiting) als dat van 19 oktober 2021 (sluiting voor drie maanden) niet te herroepen. Volgens [appellant sub 2] spreekt het dan voor zich dat hij zich ook niet met de spoedsluiting kan verenigen en dat zijn gronden zich eveneens daartegen richten. De rechtbank heeft gelet hierop ten onrechte de rechtmatigheid van het besluit tot spoedsluiting niet beoordeeld.

Beoordeling incidenteel hoger beroep

6. Dat het besluit van 7 januari 2022 is genomen op het bezwaar tegen zowel de spoedsluiting op 5 oktober 2021 als het besluit van 19 oktober 2021 betekent niet dat het beroep daartegen dus ook daarom op beide betrekking had. De spoedsluiting is een afzonderlijk besluit, genomen op de voet van artikel 5:31 van de Awb. [appellant sub 2] heeft in het beroepschrift verzocht om vernietiging van het besluit van 7 januari 2022 en herroeping van het besluit van 19 oktober 2021 en uitsluitend gronden gericht tegen laatstgenoemd besluit. De rechtbank heeft dan ook terecht geen oordeel gegeven over de rechtmatigheid van het besluit tot spoedsluiting.

6.1. Het betoog slaagt niet.

Conclusie

7. Het hoger beroep van de burgemeester is ongegrond. Het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2] is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank zal worden bevestigd. De burgemeester moet dus alsnog het besluit nemen waartoe de rechtbank hem had opgedragen. Hij moet dat doen met inachtneming van wat de Afdeling in deze uitspraak heeft overwogen.

8. De burgemeester moet de proceskosten vergoeden.

Overschrijding redelijke termijn

9. [appellant sub 2] heeft de Afdeling verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

9.1. De redelijke termijn, die uitgangspunt is voor de afdoening van bestuursrechtelijke geschillen die bestaan uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties, is in dit geval vier jaar. De redelijke termijn vangt aan op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift heeft ontvangen.

9.2. De burgemeester heeft het bezwaarschrift van [appellant sub 2] ontvangen op 18 november 2021. Bij uitspraak van vandaag beslist de Afdeling op het hoger beroep. Sinds 18 november 2021 en de uitspraak van heden zijn vier jaar, vier maanden en zeven dagen verstreken. Dit betekent dat de procedure ruim vier maanden te lang heeft geduurd.

9.3. De overschrijding van de redelijke termijn is geheel toe te rekenen aan de Afdeling. Uitgaande van een forfaitair tarief van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, bedraagt het aan [appellant sub 2] toe te kennen bedrag € 500,00. De Afdeling veroordeelt de Staat (minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties) tot vergoeding voor door [appellant sub 2] geleden immateriële schade tot betaling van € 500,00.

10. De Staat moet de proceskosten vergoeden in verband met het verzoek om schadevergoeding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de hoger beroepen ongegrond;

II. bevestigt de aangevallen uitspraak;

III. veroordeelt de burgemeester van Gorinchem tot vergoeding van bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.258,00, waarvan € 1.868,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand;

IV. veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan [appellant sub 2] een schadevergoeding van € 500,00 te betalen;

V. veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot vergoeding van bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

VI. bepaalt dat van de burgemeester van Gorinchem een griffierecht van € 548,00 wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, voorzitter, en mr. B. Vermeulen en mr. dr. J. Luijendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld, griffier.

w.g. Willems

voorzitter

w.g. Langeveld

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026

317-1104

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. J.M. Willems
  • mr. B. Vermeulen
  • mr. dr. J. Luijendijk

Griffier

  • mr. S. Langeveld

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?