202502121/1/V6.
Datum uitspraak: 25 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 12 maart 2025 in zaak nr. 24/8086 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 3 oktober 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen (het verzoek) afgewezen.
Bij besluit van 18 juni 2024 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 12 maart 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 februari 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. A. Orhan, advocaat in Den Haag, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. J. Laros, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] heeft de Tunesische nationaliteit. De minister van Asiel en Migratie heeft hem met ingang van 25 mei 2017 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor verblijf bij zijn partner. Bij besluit van 29 juni 2021 heeft de minister van Asiel en Migratie deze verblijfsvergunning met terugwerkende kracht ingetrokken vanaf 21 december 2020, de datum waarop het verzoekschrift tot echtscheiding is opgesteld en [appellant] niet meer aan de voorwaarden voor de verblijfsvergunning voldeed. In hetzelfde besluit heeft de minister van Asiel en Migratie een verzoek van [appellant] tot wijziging van de beperking naar verblijf bij zijn kind afgewezen. De minister van Asiel en Migratie heeft het bezwaar van [appellant] tegen dit besluit op 6 mei 2022 gegrond verklaard en heeft in hetzelfde besluit op bezwaar met terugwerkende kracht vanaf 11 april 2022 hem de gevraagde wijziging verleend.
De minister van Justitie en Veiligheid heeft het verzoek in de voorliggende procedure afgewezen, omdat [appellant] ten tijde van het besluit daarop niet voldeed aan het vereiste van vijf jaar toelating en hoofdverblijf in het Koninkrijk onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek (artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de Rijkswet op het Nederlanderschap; de RWN). [appellant] beschikte in de periode tussen 21 december 2020 en 11 april 2022 immers niet over een geldige verblijfsvergunning, aldus de minister van Justitie en Veiligheid.
1.1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Hoger beroep
2. [appellant] betoogt in zijn enige hogerberoepsgrond dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij in de periode tussen 21 december 2020 en 11 april 2022 geen rechtmatig verblijf heeft gehad en dat hij als gevolg daarvan niet vijf jaar aaneengesloten toelating heeft gehad als bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de RWN. Hij heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 29 juni 2021, waardoor hij in de hiervoor genoemde periode procedureel rechtmatig verblijf heeft gehad.
Daarnaast betoogt hij dat hij tijdens deze periode wel degelijk rechtmatig verblijf heeft gehad op grond van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Tijdens de zitting heeft hij zich daarnaast op het standpunt gesteld dat hij tijdens deze periode een van het Unierecht afgeleid verblijfsrecht had, gelet op het arrest van het Hof van Justitie van 10 mei 2017, Chavez-Vilchez, ECLI:EU:C:2017:354. Van een verblijfsgat is daarom volgens hem geen sprake geweest.
2.1. De hogerberoepsgrond gaat in de eerste plaats over een rechtsvraag die de Afdeling eerder heeft beantwoord. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 5 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2518, onder 4.1, 4.2 en 5.2. Daaruit volgt dat het de bedoeling van de wetgever is geweest het Nederlanderschap slechts toe te kennen als de verzoeker door middel van een verblijfsvergunning of verblijfsdocument voor bestendig verblijf aantoont direct voorafgaande aan het naturalisatieverzoek vijf jaar onafgebroken toelating te hebben genoten. Daarnaast volgt daaruit dat de omstandigheid dat een verzoeker aan de materiële voorwaarden heeft voldaan voor verblijf op grond van de Gezinsherenigingsrichtlijn, en daarmee voor verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning regulier, geen aanleiding vormt om af te wijken van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de RWN. Het bevoegd gezag moet namelijk actief instemmen met bestendig verblijf hier te lande. Hiervan was tussen 21 december 2020 en 11 april 2022 geen sprake in het geval van [appellant]. Wat hij aanvoert, biedt geen reden om hierover in dit geval anders te oordelen.
2.2. Tijdens de zitting heeft de minister van Justitie en Veiligheid toegelicht dat de minister van Asiel en Migratie in het besluit van 29 juni 2021 heeft getoetst aan artikel 20 van het VWEU, in samenhang bezien met het arrest Chavez-Vilchez, en artikel 8 van het EVRM. [appellant] heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Zoals onder 1 is weergegeven, heeft de minister van Asiel en Migratie het bezwaar bij besluit van 6 mei 2022 gegrond verklaard. [appellant] heeft daartegen geen beroep ingesteld waardoor dit besluit in rechte onaantastbaar is geworden. De Afdeling wijst ter vergelijking op haar uitspraak van 14 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:197, onder 4.4. De minister van Justitie en Veiligheid is dan ook terecht uitgegaan van een verblijfsgat tussen 21 december 2020 en 11 april 2022. Voor zover [appellant] betoogt dat de Afdeling ambtshalve moet toetsen of hij tijdens het verblijfsgat in aanmerking kwam voor een verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU, geldt dat ook de Afdeling moet uitgaan van het in rechte onaantastbaar geworden besluit van 6 mei 2022.
2.3. In de hogerberoepsgrond heeft [appellant] nog gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 3 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW1435, en drie uitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaatsen Amsterdam en Rotterdam, onderscheidenlijk van 10 augustus 2023 met zaak nr. NL22.21638, 24 januari 2024 met zaak nr. NL23.16560, en 2 februari 2024 met zaak nr. NL22.15214. Het beroep van [appellant] op deze uitspraken slaagt niet. Deze uitspraken gaan namelijk over verblijfsrechtelijke procedures en niet over een naturalisatieverzoek op grond van de RWN, zoals in het geval van [appellant].
2.4. De hogerberoepsgrond slaagt niet.
Conclusie
3. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister van Justitie en Veiligheid hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Nouta, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Nouta
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026
922
BIJLAGE
Rijkswet op het Nederlanderschap
Artikel 8
1. Voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 komt slechts in aanmerking de verzoeker
[…]
c. die tenminste sedert vijf jaren onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, toelating en hoofdverblijf heeft;
[…].