ECLI:NL:RVS:2026:1703

ECLI:NL:RVS:2026:1703

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 25-03-2026
Datum publicatie 25-03-2026
Zaaknummer 202501753/1/A2
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 11 januari 2023 heeft de Belastingdienst/Toeslagen geweigerd om een private schuld van [appellante] over te nemen. [appellante] is gedupeerde ouder van de toeslagenaffaire. Zij heeft verzocht om overname van een schuld aan [schuldeiser] (schuldeiser en thans haar echtgenoot) van € 95.000,00. De minister heeft geweigerd deze schuld over te nemen, omdat sprake is van een informele schuld en niet aan de voorwaarden voor overname daarvan is voldaan. De afwijzing van deze aanvraag is in bezwaar gehandhaafd, omdat de informele schuld aan de schuldeiser niet is vastgelegd in een notariële akte of blijkt uit een rechterlijke uitspraak, zodat niet is voldaan aan het vereiste van artikel 4.1, derde lid onder b, van de Wht. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat volgens de minister de huwelijkse voorwaarden van 2020 prevaleren boven de geldleningsovereenkomst van 2018, omdat deze later zijn opgesteld.

Uitspraak

202501753/1/A2.

Datum uitspraak: 25 maart 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend in [woonplaats],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-­Nederland van 12 februari 2025 in zaak nr. 23/4789 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Financiën.

Procesverloop

Bij besluit van 11 januari 2023 heeft de Belastingdienst/Toeslagen geweigerd om een private schuld van [appellante] over te nemen.

Bij besluit van 18 augustus 2023 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 februari 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 18 augustus 2023 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellante] heeft het hoger beroepschrift aangevuld en nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 23 februari 2026, waar [appellante], bijgestaan door mr. N. Köse-Albayrak, advocaat in Rotterdam, en de minister, vertegenwoordigd door mr. drs. A. Divis-Stein en mr. M. Bouhoud, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. In deze zaak gaat het over een besluit op grond van de regeling voor overneming en betaling van private schulden die is opgenomen in de Wet hersteloperatie toeslagen (de Wht).

2. In hoofdstuk 4 van de Wht is geregeld onder welke voorwaarden gedupeerden in aanmerking komen voor het overnemen en betalen van private schulden. Uit artikel 4.1, tweede lid, van de Wht volgt dat het bij schulden die worden overgenomen moet gaan om geldschulden die zijn ontstaan na 31 december 2005, die vóór 1 juni 2021 opeisbaar waren en niet zijn voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan. In artikel 4.1, derde lid, van de Wht is opgenomen welke geldschulden en kosten worden overgenomen. Dat is, zoals opgenomen in onderdeel b van het derde lid, onder meer een private schuld die is vastgelegd in een notariële akte, of waarvan blijkt uit een rechterlijke uitspraak, indien de daaraan voorafgaande ingebrekestelling of dagvaarding of het daaraan voorafgaande verzoekschrift dateert van vóór 1 juni 2021. In artikel 4.1, vierde lid, van de Wht is opgenomen welke geldschulden en kosten niet worden overgenomen.

3. [appellante] is gedupeerde ouder van de toeslagenaffaire. Zij heeft verzocht om overname van een schuld aan [schuldeiser] (schuldeiser en thans haar echtgenoot) van € 95.000,00. De minister heeft geweigerd deze schuld over te nemen, omdat sprake is van een informele schuld en niet aan de voorwaarden voor overname daarvan is voldaan. De afwijzing van deze aanvraag is in bezwaar gehandhaafd, omdat de informele schuld aan de schuldeiser niet is vastgelegd in een notariële akte of blijkt uit een rechterlijke uitspraak, zodat niet is voldaan aan het vereiste van artikel 4.1, derde lid onder b, van de Wht.

Uitspraak van de rechtbank

4. De rechtbank heeft het door [appellante] ingestelde beroep gegrond verklaard. Zij heeft daarbij overwogen dat de minister het bestreden besluit heeft gegrond op de vaststelling dat de private schuld niet voldoet aan de eis van vastlegging in een notariële akte, maar in het verweerschrift en op de zitting is teruggekomen van dat standpunt en heeft toegelicht dat wel aan dit vereiste is voldaan. De geldlening van € 95.000,00 is namelijk opgenomen in de akte van verpanding van roerende zaken van 22 december 2020, waarin staat dat [appellante] en haar echtgenoot een overeenkomst van geldlening zijn aangegaan op 23 augustus 2018. In deze akte wordt ook verwezen naar de notariële huwelijkse voorwaarden van 21 september 2020 waarin diezelfde lening is vermeld. Het bestreden besluit van 18 augustus 2023 is daarom in zoverre onjuist gemotiveerd en door de rechtbank vernietigd.

4.1. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten, omdat zij het standpunt van de minister volgt, dat niet is voldaan aan de eis dat de schuld voor 1 juni 2021 opeisbaar is geworden, als bedoeld in artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wht. Uit de huwelijkse voorwaarden volgt dat de vordering pas opeisbaar is bij scheiding, overlijden of faillissement van [appellante], en daarvan is geen sprake. Ook is niet gebleken dat partijen nadien schriftelijk andere afspraken hebben gemaakt over de opeisbaarheid op de voet van artikel 14 van de huwelijkse voorwaarden.

Beoordeling van het hoger beroep

Opeisbaarheid

5. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat volgens de minister de huwelijkse voorwaarden van 2020 prevaleren boven de geldleningsovereenkomst van 2018, omdat deze later zijn opgesteld. Zij stelt dat uit artikel 14 van de huwelijkse voorwaarden volgt dat partijen schriftelijk andere afspraken overeen kunnen komen over de opeisbaarheid en dat daarvan in dit geval sprake is, omdat in de geldleningsovereenkomst van 23 augustus 2018 eveneens afspraken over de opeisbaarheid zijn vastgelegd en op grond van die afspraken was de schuld wel opeisbaar voor 1 juni 2021. Artikel 6 van de geldleningsovereenkomst bepaalde namelijk dat de schuld onder meer opeisbaar werd als de rente niet tijdig is voldaan, en daarvan is volgens [appellante] sprake geweest.

5.1. In geschil is of voor de beoordeling van de opeisbaarheid bepalend is wat partijen daarover zijn overeengekomen in de overeenkomst van geldlening van 2018, of wat is overeengekomen in artikel 14 van de later opgestelde huwelijkse voorwaarden van 2020. In artikel 14 van de huwelijkse voorwaarden hebben [appellante] en de schuldeiser vastgelegd dat [appellante] verklaard hem € 95.000,00 schuldig te zijn en geregeld in welke gevallen deze schuld opeisbaar is, namelijk door echtscheiding, overlijden of faillissement. Daarin is ook opgenomen dat partijen over deze schuld schriftelijk andere afspraken kunnen maken.

5.2. De Afdeling volgt [appellante] niet in haar betoog dat de voorwaarden over de opeisbaarheid van de schuld in de geldleningsovereenkomst naast de afspraken daarover in de huwelijkse voorwaarden zijn blijven gelden. De huwelijkse voorwaarden zijn later opgesteld. Artikel 14 ervan legt specifiek deze tussen de echtgenoten bestaande vordering vast en bevat nieuwe afspraken over, onder meer, de opeisbaarheid van deze schuld. Net als in de geldleningsovereenkomst is een rentevergoeding van 1% per jaar afgesproken, maar het niet tijdig betalen van de rente is niet meer genoemd als grond voor onmiddellijke opeisbaarheid. Er zijn geen aanknopingspunten dat partijen hebben beoogd de eerdere opeisbaarheidsregeling uit de geldleningsovereenkomst te laten voortbestaan als aanvullende regeling. Als dat wel de bedoeling was geweest, lag het in de rede dat in de door de notaris opgemaakte huwelijkse voorwaarden uitdrukkelijk naar artikel 6 van de geldleningsovereenkomst zou zijn verwezen of anderszins expliciet zou zijn vastgelegd dat die naast de huwelijkse voorwaarden van toepassing zouden blijven, temeer nu in artikel 14 van de huwelijkse voorwaarden is bepaald dat de echtgenoten in onderling overleg schriftelijk anders overeen kunnen komen. Als, zoals [appellante] betoogt, dit toen al was gedaan, had dat zijn weerslag in artikel 14 gekregen. Nu dat niet het geval is, wordt voor de beoordeling van de opeisbaarheid uitgegaan van artikel 14 van de huwelijkse voorwaarden.

5.3. Omdat artikel 14 van de huwelijkse voorwaarden van toepassing is en niet in geschil is dat voor 1 juni 2021 de daarin genoemde voorwaarden voor opeisbaarheid zich niet hebben voorgedaan, is niet voldaan aan het vereiste van artikel 4.1, tweede lid onder b, van de Wht, dat de schuld vóór 1 juni 2021 opeisbaar was. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de minister deze schuld niet heeft hoeven over te nemen.

5.4. Het betoog slaagt niet.

Hardheidsclausule

6. In hoger beroep heeft [appellante] haar beroep op de hardheidsclausule voor het eerst nader onderbouwd, nadat zij daartoe bij brief van de Afdeling van 25 juli 2025 in de gelegenheid was gesteld. Zij heeft daartoe kort vóór de zitting zonder schriftelijke toelichting een groot aantal nadere stukken in geding gebracht. Op de zitting heeft zij de mogelijkheid gekregen om toe te lichten welke stukken volgens haar relevant zijn. Deze stukken zijn meegenomen bij de beoordeling.

6.1. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 12 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:456, kan de hardheidsclausule worden toegepast in bijzondere situaties, waarbij toepassing van de bepaling zelf gelet op de ratio ervan onbillijk uitpakt of wanneer sprake is van schrijnende omstandigheden waardoor toepassing van de wettelijke bepaling achterwege moet blijven. Bij schrijnende omstandigheden kan bijvoorbeeld worden gedacht aan serieuze en structurele financiële nood, aan ernstige medische omstandigheden, of aan andere ontwrichtende persoonlijke omstandigheden. Daarbij gaat het niet zozeer om omstandigheden die zich hebben voorgedaan in de periode waarin de toeslagenaffaire zich voltrok en die vanzelfsprekend in veel gevallen schrijnend zijn geweest en tot schade kunnen leiden en ook vaak hebben geleid en waarvoor de herstelmaatregelen uit de Wht beogen een oplossing te bieden. Het moet gaan om actuele omstandigheden die samenhangen met (de gevolgen van) een weigering om de schulden over te nemen of te compenseren. Met het toepassen van de hardheidsclausule wordt een uitzondering gemaakt op de gebruikelijke toepassing van de regel. Dat betekent dat degene die er een beroep op doet, in ieder geval inzichtelijk moet maken waar de bijzonderheid of schrijnendheid in zijn of haar situatie uit bestaat, en dit zo concreet mogelijk dient te onderbouwen.

6.2. De Afdeling is van oordeel dat de minister geen aanleiding hoefde te zien om de hardheidsclausule toe te passen. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat in haar geval sprake is van een schrijnende situatie als hiervoor bedoeld. Zij betoogt dat haar situatie onhoudbaar is omdat zij, mede door aflossing van andere schulden, maandelijks niets overhoudt. De Afdeling stelt vast dat het door haar kort vóór de zitting overgelegde en op de zitting toegelichte en besproken handgeschreven financiële overzicht van haar inkomsten en uitgaven geen volledig beeld geeft van de gehele huishoudelijke draagkracht, omdat het inkomen van haar echtgenoot daarin niet is meegenomen, terwijl dat inkomen er wel is en zij in haar betoog uitgaat van lasten en uitgaven die betrekking hebben op het hele gezin. Er is dan ook onvoldoende inzicht verschaft in de (financiële) situatie, zodat niet aannemelijk is geworden dat sprake is van een situatie van serieuze en structurele financiële nood of andere persoonlijke omstandigheden die tot toepassing van de hardheidsclausule hadden kunnen leiden.

6.3. Het betoog slaagt niet.

Conclusie

7. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

8. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Yildiz, griffier.

w.g. Willems

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Yildiz

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026

594-1189

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. S. Yildiz

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?