202500693/1/A2.
Datum uitspraak: 25 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in Amsterdam,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 december 2024 in zaak nr. 23/4859 in het geding tussen:
[appellante]
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.
Procesverloop
Bij besluit van 15 maart 2023 heeft het college de aanvraag van [appellante] om een urgentieverklaring afgewezen.
Bij besluit van 28 juni 2023 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 23 december 2024 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellante] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 3 maart 2026, waar [appellante], bijgestaan door mr. M. Yildiz, advocaat in Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. J. van den Boorn, zijn verschenen. Als tolk trad op M. Sivridag.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellante] heeft een urgentieverklaring op grond van medische redenen aangevraagd. Zij woont met haar partner en hun - inmiddels - vier minderjarige kinderen in een tweekamerwoning in Amsterdam van 44 m². In de woning is, met name in de winter, sprake van terugkerende vocht- en schimmelvorming en lekkages. De twee middelste kinderen hebben gezondheidsklachten zoals een piepende ademhaling en hoesten, die volgens [appellante] verergeren door de vocht- en schimmelproblematiek. Zij heeft onder meer twee brieven overgelegd van een kinderarts van de polikliniek Kindergeneeskunde van het OLVG, waarin staat dat spoedig een schimmelvrije woning nodig is vanwege dreigende schade aan de gezondheid van één van de kinderen. Verder vindt [appellante] de woning ook te klein voor het gezin. De kinderen slapen in de woonkamer en zijn daardoor volgens haar overdag moe en hebben geen ruimte in de woning om - met andere kinderen - te spelen.
2. Het wettelijk kader staat in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Besluitvorming
3. Het college heeft de aanvraag afgewezen op grond van de algemene weigeringsgronden van artikel 2.10.5, eerste lid en onder b (geen urgent huisvestingsprobleem), c (het huisvestingsprobleem was redelijkerwijs te voorkomen) en d (het huisvestingsprobleem kan worden opgelost door gebruik te maken van een voorliggende voorziening), van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2020, geldend van 16 januari 2023 tot en met 31 december 2023, en paragraaf 3, Ad b, onder 1 en 2, Ad c, onder 2, en Ad d, onder 2, van de Nadere regels Huisvestingsverordening Amsterdam 2020. Het college heeft de verklaringen van de kinderarts bij het besluit van 28 juni 2023 betrokken. Over weigeringsgrond d heeft het college zich op het standpunt gesteld dat als [appellante] van mening is dat de verhuurder te weinig doet bij het verhelpen van gebreken aan de woning, het aan haar is om een civiele procedure te starten tegen de verhuurder. Dit behoort niet tot de verantwoordelijkheid van de gemeente. Het college heeft verder de gebreken van de woning en ook de oppervlakte daarvan betrokken bij weigeringsgrond b. Over de oppervlakte heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de woning voor Amsterdamse begrippen niet per se klein is en dat de kinderen niet ieder beschikken over een eigen slaapkamer, een probleem is waar veel gezinnen in Amsterdam mee te maken hebben en waar de gemeente geen oplossing voor heeft. Verder heeft het college de geringe oppervlakte van de woning ook betrokken bij weigeringsgrond c.
3.1. Het college heeft geen toepassing gegeven aan de hardheidsclausule van artikel 2.10.11 van de Huisvestingsverordening en paragraaf 24 van de Nadere regels. Het college heeft daarbij betrokken dat [appellante] de woning te klein vindt en dat de twee middelste kinderen longklachten hebben en onder behandeling staan van een specialist en medicatie gebruiken voor het hoesten en de ruis (piepen) in de longen. Het lijdt volgens het college geen twijfel dat [appellante] zich in een lastige situatie bevindt en belang heeft bij een andere, grotere zelfstandige woning. Het college heeft echter toegelicht dat gezien het grote aantal aanvragen voor een urgentieverklaring en het in verhouding daarmee geringe aantal beschikbare woningen, er strenge regels tot stand zijn gekomen waarin over diverse situaties is nagedacht. De hardheidsclausule is bedoeld voor situaties die zo uniek van aard zijn dat daar bij de totstandkoming van de regels niet over is nagedacht. De situatie van [appellante] is volgens het college helaas niet uniek in Amsterdam. Het beleid is gericht op gezinnen met minderjarige kinderen die dakloos zijn of dreigen te worden en bij toepassing van de hardheidsclausule op medische gronden moet sprake zijn van een acuut levensbedreigend medisch probleem. Volgens het college heeft [appellante] dat met de overgelegde medische stukken niet aangetoond.
Beoordeling hoger beroep
Weigeringsgronden
4. Net als het college in de schriftelijke uiteenzetting, stelt de Afdeling vast dat [appellante] in haar (aanvullend) hogerberoepschrift geen gronden aanvoert tegen de onder 6.1 en 7 opgenomen overwegingen van de rechtbank over weigeringsgronden b en c. In het nadere stuk merkt [appellante] in reactie op de schriftelijke uiteenzetting, alleen op dat zij deze weigeringsgronden wel uitdrukkelijk betwist. Ook op de zitting heeft zij hiervoor geen onderbouwing gegeven. Voor zover zij heeft bedoeld te herhalen wat zij in beroep heeft aangevoerd over weigeringsgronden b en c, overweegt de Afdeling dat zij zich kan vinden in het oordeel van de rechtbank en de onder 6.1 en 7 opgenomen overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd.
4.1. De gronden die [appellante] in hoger beroep aanvoert over weigeringsgrond d zijn zo goed als een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellante] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 6.2 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. De Afdeling voegt daaraan nog toe dat als al één algemene weigeringsgrond van toepassing is, de systematiek van de Huisvestingsverordening met zich brengt dat het college de aanvraag moet afwijzen.
4.2. De gronden slagen niet.
Hardheidsclausule en verdragen
5. [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college in het kader van de hardheidsclausule en de artikelen 3, 9 en 27 van het Kinderrechtenverdrag en artikel 8 van het EVRM onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van haar kinderen. Zij wijst er op dat de kinderen door de steeds terugkerende schimmel- en vochtoverlast in de woning vaak ziek zijn en niet naar school kunnen. Ook hebben de kinderen volgens haar geen eigen leefruimte, waardoor zij geen vriendjes kunnen ontvangen en niet bij andere kinderen worden uitgenodigd.
Hardheidsclausule
6. De grond over de hardheidsclausule is zo goed als een herhaling van wat [appellante] in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die grond ingegaan. [appellante] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die grond in de uitspraak van de rechtbank onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 8 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. De Afdeling voegt daaraan nog toe dat zij begrijpt dat de woonsituatie met inmiddels vier kinderen nijpend voor [appellante] is, maar dat [appellante] ook in hoger beroep niet met medische stukken heeft aangetoond dat bij de twee middelste kinderen sprake is van een uitzonderlijke noodsituatie waarvoor een urgentieverklaring noodzakelijk is of van een acuut levensbedreigend medisch probleem als bedoeld in de toelichting bij paragraaf 24 van de Nadere regels. De bij het nader stuk overgelegde medische verklaring van een psycholoog van 13 februari 2026 gaat over de intake bij de GGZ van de partner van [appellante] vanwege psychische klachten ontstaan door een werkconflict. Gelet op de voorgestelde behandelmethode gaat het niet om een uitzonderlijke noodsituatie of een acuut levensbedreigend medisch probleem waarvoor een urgentieverklaring nodig is. Dat in de verklaring staat dat er daarnaast sprake is van een huisvestingsprobleem, maakt dit niet anders.
6.1. De grond slaagt niet.
Artikel 3 van het Kinderrechtenverdrag en artikel 8 van het EVRM
7. Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld in onder meer de uitspraak van 20 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1135, moet de bestuursrechter in verband met artikel 3 van het Kinderrechtenverdrag toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en daarmee of het bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven.
7.1. Uit rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat artikel 8 van het EVRM geen recht op woonruimte garandeert (zie Chapman tegen het Verenigd Koninkrijk, arrest van 18 januari 2001, ECLI:CE:ECHR:2001:0118JUD002723895, paragraaf 99). Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 17 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:328), heeft artikel 8 van het EVRM als doel het individu te beschermen tegen willekeurige inbreuken door de overheid op het recht op eerbiediging van het privéleven en familie- en gezinsleven. Aan het effectief respecteren daarvan kunnen positieve verplichtingen voor de overheid zijn verbonden. In dat verband moet, in zaken als deze, worden beoordeeld of in het besluit om een urgentieaanvraag af te wijzen een juist evenwicht is bereikt tussen de belangen van het individu en het algemeen belang van een rechtvaardige woonruimteverdeling.
7.2. De rechtbank heeft naar het oordeel van de Afdeling terecht overwogen dat het college voldoende rekening heeft gehouden met de belangen van de kinderen. De Afdeling stelt vast dat het college bij het besluit van 28 juni 2023 heeft betrokken dat de kinderen van [appellante] geen eigen slaapkamer hebben en dat de twee middelste kinderen last hebben van longklachten. Het college heeft echter ook gewezen op de woningkrapte in Amsterdam en dat de kinderen niet dakloos zijn maar met hun ouders in een zelfstandige woning wonen. Daarnaast heeft het college erop gewezen dat de twee middelste kinderen onder behandeling van een specialist staan en medicatie gebruiken. Ook op de zitting bij de rechtbank heeft het college in dit verband naar voren gebracht dat elk kind het verdient om in een goede woning te wonen, maar dat de woningnood in Amsterdam zodanig hoog is dat het college heel streng moet zijn bij de verlening van een urgentieverklaring.
7.3. De Afdeling is verder van oordeel dat het college, mede gelet op het vorenstaande, het belang van een rechtvaardige woonruimteverdeling zwaarder heeft mogen laten wegen dan de belangen van [appellante] en van haar kinderen bij een andere grotere woning.
7.4. De gronden slagen niet.
Artikelen 9 en 27 van het Kinderrechtenverdrag
8. Voor zover artikel 9 van het Kinderrechtenverdrag al een direct toepasbare norm zou inhouden, vloeit daaruit geen verplichting voort tot verstrekking van een urgentieverklaring. Verder roept de in dit artikel vervatte norm geen aanspraak in het leven die verder strekt dan artikel 8 van het EVRM. De Afdeling verwijst naar haar overwegingen hiervoor onder 12.
9. Artikel 27 van het Kinderrechtenverdrag bevat geen normen die vatbaar zijn voor rechtstreekse toepassing. Deze normen zijn niet voldoende concreet en behoeven derhalve nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving.
10. De gronden slagen niet.
Conclusie
11. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
12. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, griffier.
w.g. Van Altena
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. De Vink
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026
154-1189
BIJLAGE
Wettelijk kader
Verdrag inzake de rechten van het kind
Artikel 3
1. Bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, vormen de belangen van het kind de eerste overweging.
2. De Staten die partij zijn, verbinden zich ertoe het kind te verzekeren van de bescherming en de zorg die nodig zijn voor zijn of haar welzijn, rekening houdend met de rechten en plichten van zijn of haar ouders, wettige voogden of anderen die wettelijk verantwoordelijk voor het kind zijn, en nemen hiertoe alle passende wettelijke en bestuurlijke maatregelen.
3. De Staten die partij zijn, waarborgen dat de instellingen, diensten en voorzieningen die verantwoordelijk zijn voor de zorg voor of de bescherming van kinderen voldoen aan de door de bevoegde autoriteiten vastgestelde normen, met name ten aanzien van de veiligheid, de gezondheid, het aantal personeelsleden en hun geschiktheid, alsmede bevoegd toezicht.
Artikel 9
1. De Staten die partij zijn, waarborgen dat een kind niet wordt gescheiden van zijn of haar ouders tegen hun wil, tenzij de bevoegde autoriteiten, onder voorbehoud van de mogelijkheid van rechterlijke toetsing, in overeenstemming met het toepasselijke recht en de toepasselijke procedures, beslissen dat deze scheiding noodzakelijk is in het belang van het kind. Een dergelijke beslissing kan noodzakelijk zijn in een bepaald geval, zoals wanneer er sprake is van misbruik of verwaarlozing van het kind door de ouders, of wanneer de ouders gescheiden leven en er een beslissing moet worden genomen ten aanzien van de verblijfplaats van het kind.
[…].
Artikel 27
1. De Staten die partij zijn, erkennen het recht van ieder kind op een levensstandaard die toereikend is voor de lichamelijke, geestelijke, intellectuele, zedelijke en maatschappelijke ontwikkeling van het kind.
2. De ouder(s) of anderen die verantwoordelijk zijn voor het kind, hebben de primaire verantwoordelijkheid voor het waarborgen, naar vermogen en binnen de grenzen van hun financiële mogelijkheden, van de levensomstandigheden die nodig zijn voor de ontwikkeling van het kind.
3. De Staten die partij zijn, nemen, in overeenstemming met de nationale omstandigheden en met de middelen die hun ten dienste staan, passende maatregelen om ouders en anderen die verantwoordelijk zijn voor het kind te helpen dit recht te verwezenlijken, en voorzien, indien de behoefte daaraan bestaat, in programma's voor materiële bijstand en ondersteuning, met name wat betreft voeding, kleding en huisvesting.
[…].
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
Artikel 8. Recht op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven
1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.
2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
Huisvestingsverordening Amsterdam 2020
Artikel 2.10.5 Algemene weigeringsgronden urgentieverklaring
1. Burgemeester en wethouders weigeren de urgentieverklaring indien naar hun oordeel sprake is van één of meerdere van de volgende omstandigheden:
[…];
b. er is geen sprake van een urgent huisvestingsprobleem;
c. de aanvrager kon het huisvestingsprobleem redelijkerwijs voorkomen of kan het huisvestingsprobleem redelijkerwijs op een andere wijze oplossen;
d. het huisvestingsprobleem kon worden voorkomen of kan worden opgelost door gebruik te maken van een andere voorziening die gelet op aard en doel, wordt geacht voor het oplossen van het huisvestingsprobleem van belanghebbende toereikend en passend te zijn;
[…].
2. Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen over de toepassing van het eerste lid en de toepassing van de urgentiecategorieën in artikel 2.10.6 tot en met 2.10.8.
[…].
Artikel 2.10.8 Overige urgentiecategorieën
1. Onverminderd het bepaalde in artikel 2.10.5 kan een urgentieverklaring worden verleend indien de aanvrager tot ten minste één van de volgende urgentiecategorieën behoort:
[…].
b. woningzoekenden die op grond van medische of sociale redenen dringend woonruimte nodig hebben en niet behoren tot de in artikel 2.10.7 bedoelde urgentiecategorie;
[…].
Artikel 2.10.11 Hardheidsclausule
1. Burgemeester en wethouders zijn, indien toepassing van deze verordening zou leiden tot weigering van een urgentieverklaring, bevoegd om toch een urgentieverklaring toe te kennen indien:
a. weigering van een urgentieverklaring leidt tot een schrijnende situatie; en,
b. sprake is van bijzondere, bij vaststellen van de verordening onvoorziene, omstandigheden die gelet op het doel van de verordening redelijkerwijs toch een grond voor de verlening van een urgentieverklaring zouden kunnen zijn.
[…].
Nadere regels Huisvestingsverordening Amsterdam 2020
Hoofdstuk 1 Urgenties
[…].
3. Algemene weigeringsgronden (HVV artikel 2.10.5)
Bij alle categorieën van urgentie gelden de weigeringsgronden van de Huisvestingsverordening artikel 2.10.5. Kort verwoord weigert de gemeente de aanvraag als de aanvrager:
[…];
b. Geen urgent huisvestingsprobleem heeft (lid 1b), of;
c. Het probleem redelijkerwijs kon voorkomen of op een andere manier kon oplossen (lid 1c), of;
d. Het probleem op kan lossen door middel van een ‘voorliggende voorziening’ (lid 1d), of;
[…].
Ad b) Géén urgent huisvestingsprobleem
Indien zich uitsluitend één of een combinatie van meerdere van de onderstaande problemen voordoet, is er géén urgent huisvestingsprobleem:
1. de huidige woning verkeert in slechte staat of is van onvoldoende kwaliteit, tenzij de woning onbewoonbaar is verklaard wegens bijvoorbeeld brand of instorting;
2. de huidige woning is te klein of te groot voor het huishouden van de aanvrager;
[…];
Ad c) Het huisvestingsprobleem was redelijkerwijs op te lossen of te voorkomen;
Van een dergelijk probleem is in ieder geval sprake als de aanvrager:
[…];
2. een gezin heeft gesticht of gaat stichten zonder over daartoe passende woonruimte te beschikken;
[…].
In algemene zin geldt dat het huisvestingsprobleem van de aanvrager dient te zijn ontstaan uit een overmachtssituatie om in aanmerking te kunnen komen voor een urgentieverklaring. Volledigheidshalve wordt daarboven opgemerkt dat sociale of medische problemen geen uitzondering geven op weigeringsgrond c.
Ad d) Het huisvestingsprobleem kon worden voorkomen of kan worden opgelost door gebruik te maken van een voorliggende voorziening;
Met ‘voorliggende voorzieningen’ worden onder meer bedoeld:
[…],
2. het ondernemen van eigen juridische stappen, bijvoorbeeld het starten van een civiele procedure tegen de verhuurder of de buren van de aanvrager; of
[…].
24 Hardheidsclausule (artikel 2.10.11)
Indien een aanvrager niet voldoet aan de voorwaarden voor urgentieverlening kunnen burgemeester en wethouders alsnog een urgentieverklaring verlenen indien:
a. weigering van een urgentieverklaring leidt tot een schrijnende situatie; en,
b. sprake is van bijzondere, bij het vaststellen van de verordening, onvoorziene omstandigheden die gelet op het doel van de verordening redelijkerwijs toch een grond voor de verlening van een urgentieverklaring zouden kunnen zijn.
Toelichting op de hardheidsclausule bij medische problematiek
Onder een schrijnende situatie bij medische problematiek wordt verstaan een uitzonderlijke noodsituatie waar een urgentieverklaring voor noodzakelijk is. De aanvrager die een beroep doet op de hardheidsclausule vanwege ernstige medische problematiek dient met bewijsstukken aan te tonen dat sprake is van een acuut levensbedreigend probleem. Hiervoor is een verklaring van een medisch specialist noodzakelijk, een verklaring van de huisarts is onvoldoende.