202406674/1/A3.
Datum uitspraak: 25 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Sittard-Geleen,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 26 september 2024 in zaak nr. 23/1980 in het geding tussen:
[appellant]
en
de burgemeester van Sittard-Geleen.
Procesverloop
Bij besluit van 16 februari 2023 heeft de burgemeester een last onder dwangsom opgelegd aan [appellant].
Bij besluit van 12 juli 2023 heeft de burgemeester het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 26 september 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De burgemeester heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 maart 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. J.M. McKernan, advocaat in Sittard-Geleen, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. P.M. Hellenbrand, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Volgens een bestuurlijke rapportage heeft [appellant] op straat drugs verhandeld. De burgemeester heeft hierop aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd om te voorkomen dat hij nogmaals handelt in strijd met artikel 2:74 van de Algemene plaatselijke verordening (hierna: de Apv). Ingevolge dit artikel is het verboden je op de openbare weg te begeven met de kennelijke bedoeling om in verdovende middelen te handelen. Indien de last wordt overtreden verbeurt [appellant] een dwangsom van € 5.000,- per geconstateerde overtreding tot een maximum van € 20.000,-.
De aangevallen uitspraak
2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de burgemeester uit mocht gaan van de juistheid van de bestuurlijke rapportage waaruit volgt dat [appellant] door een dienstdoende agent is gezien terwijl hij op straat drugs verkocht. Deze rapportage geeft volgens de rechtbank voldoende onderbouwing om vast te stellen dat [appellant] artikel 2:74 van de Apv heeft overtreden.
De burgemeester hoefde niet voorafgaand aan het opleggen van de last een zienswijze op te vragen bij [appellant] omdat de vereiste spoed bij deze vorm van straathandel en de aard van de last maakt dat hiervan mocht worden afgezien.
De rechtbank heeft daarnaast geoordeeld dat de hoogte van de dwangsom in verhouding staat tot het met artikel 2:74 van de Apv te dienen doel en dat deze ook in het geval van [appellant] niet onevenredig is.
Het hoger beroep
3. [appellant] betoogt in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij artikel 2:74 van de Apv heeft overtreden. De weergave in de bestuurlijke rapportage is volgens hem onjuist omdat hij door de agent is verwisseld met de bijrijder van de scooter waar hij op zat. Deze bijrijder heeft de drugs verkocht en hijzelf was niet op de hoogte van wat de bijrijder deed. De overige aangetroffen verdovende middelen waren voor eigen gebruik. [appellant] betoogt daarnaast dat hij in zijn belangen is geschaad doordat hij niet de gelegenheid heeft gekregen een zienswijze in te dienen voorafgaand aan het opleggen van de last. Tot slot betoogt [appellant] dat zijn persoonlijke omstandigheden met zich brengen dat had moeten worden afgezien van het opleggen van de last. Hij heeft namelijk niet de financiële middelen om een verbeurde dwangsom te kunnen betalen, gelet op zijn afhankelijkheid van een uitkering op grond van de Participatiewet. Het terugdringen van drugshandel rechtvaardigt verder niet zo’n hoge dwangsom en in andere gemeenten worden lagere bedragen gehanteerd.
Het oordeel van de Afdeling
4. Anders dan [appellant] betoogt volgt uit de bestuurlijke rapportage afdoende dat hij degene was die de drugs heeft verkocht. Uit deze rapportage volgt namelijk overtuigend dat de bestuurder van de scooter, degene met de helm, de verkoper was en niet de bijrijder die geen helm droeg.
Niet kan worden gesteld dat [appellant] in zijn belangen is geschaad door het niet vooraf vragen van een zienswijze. Als hier al sprake zou zijn van een gebrek kan dit in bezwaar worden geheeld. [appellant] heeft de gelegenheid gekregen zijn belangen op een hoorzitting in bezwaar naar voren te brengen maar heeft hiervan geen gebruik gemaakt.
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, heeft het opleggen van een last onder dwangsom ten doel de overtreder te bewegen tot naleving van de geldende regels. Van de dwangsom moet zo’n prikkel uitgaan dat de opgelegde last wordt opgevolgd zonder dat een dwangsom wordt verbeurd. De financiële omstandigheden van een overtreder mogen in beginsel geen rol spelen bij het vaststellen van de hoogte van de dwangsom. De Afdeling verwijst hiervoor naar bijvoorbeeld haar uitspraak van 30 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3580, onder 18.1.
Met het opleggen van de last wordt beoogd de overlast en verstoring van de openbare orde die drugshandel op straat met zich brengt terug te dringen. Uit dat oogpunt is een dwangsom van € 5.000,- per overtreding met een maximum van € 20.000,- niet onevenredig (vergelijk onder meer de uitspraak van 22 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1117, onder 4.4.). Het betoog dat andere gemeenten een veel lager bedrag zouden hanteren is niet onderbouwd en kan alleen al daarom niet slagen.
5. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
6. De burgemeester hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld, griffier.
w.g. Soffers
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Langeveld
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026
317-1146