202402983/1/A3.
Datum uitspraak: 25 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank OostÂ-Brabant van 29 maart 2024 in zaak nr. 23/1568 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant.
Procesverloop
Bij besluit van 3 oktober 2022 heeft het college het verzoek van [appellant] om openbaarmaking van documenten op grond van de Wet open overheid (hierna: de Woo) afgewezen.
Bij besluit van 9 mei 2023 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 29 maart 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 9 mei 2023 vernietigd en het college opdracht gegeven een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] en het college hebben nadere stukken ingediend.
Bij besluit van 14 mei 2024 heeft het college het bezwaar van [appellant] ongegrond verklaard.
[appellant] heeft gronden ingediend tegen het besluit van 14 mei 2024.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 maart 2026, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. B.R. Boerboom, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.
Overwegingen
1. [appellant] heeft het college verzocht om openbaarmaking van een specifiek gespreksverslag en overige stukken, waaronder correspondentie, tussen het Kabinet van de commissaris van de Koning en de voormalig burgemeester van Gemert-Bakel. Het college heeft dit verzoek afgewezen omdat het gespreksverslag niet is aangetroffen en de overige stukken allemaal al openbaar zijn gemaakt naar aanleiding van eerdere procedures van [appellant].
2. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college voldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe naar het gespreksverslag is gezocht en dat dit onderzoek voldoende zorgvuldig en volledig is geweest. Het is daarom niet ongeloofwaardig dat het college niet beschikt over het gespreksverslag.
De rechtbank heeft over de overige stukken geoordeeld dat het besluit er geen blijk van geeft dat een beslissing is genomen over de al openbaar gemaakte stukken omdat daarin alleen is opgenomen dat deze niet onder de Woo vallen. De rechtbank heeft daarom het besluit vernietigd en het college opgedragen te onderzoeken welke documenten die onder het verzoek vallen onder haar berusten en per document te onderzoeken en motiveren welke van die documenten al openbaar zijn gemaakt.
3. Met het nieuwe besluit van 14 mei 2024 heeft het college het bezwaar wederom ongegrond verklaard. Gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), gelezen in samenhang met artikel 6:24 van de Awb, is bij de Afdeling tegen dit besluit van rechtswege een beroep ontstaan van [appellant].
4. In het nieuwe besluit heeft het college naar aanleiding van de uitspraak opnieuw een onderzoek ingesteld naar de verzochte informatie. Hierbij is vermeld binnen welke digitale systemen is gezocht en op welke zoektermen is gezocht en is een inventarislijst van de aangetroffen stukken bijgevoegd. Verder is per document weergegeven bij welke procedure deze stukken al openbaar zijn gemaakt. Verdere stukken die nog niet eerder al openbaar zijn gemaakt zijn volgens dit besluit niet aangetroffen.
5. [appellant] betoogt dat ongeloofwaardig is dat het gespreksverslag en overige stukken niet meer onder het college berusten. Het is onaannemelijk dat de mailbox van de overleden betrokken kabinetchef ineens zou zijn verwijderd. Deze stukken moeten worden bewaard op grond van de Archiefwet en zouden er dus nog moeten zijn. Daarom wil [appellant] dat de ambtenaar die op enig moment wel toegang had tot deze mailbox wordt gehoord en dat een bedrijf dat is gespecialiseerd in digitale opsporing toegang krijgt tot de server van de provincie om te onderzoeken wat er met de stukken is gebeurd en deze weer te vinden.
6. De gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank, voor zover dit oordeel in hoger beroep wordt bestreden.
7. De Afdeling is van oordeel dat in het nieuwe besluit inzichtelijk en uitgebreid is gemotiveerd hoe is gezocht naar stukken die onder het verzoek vallen. Ook is gedetailleerd beschreven welke stukken daarbij zijn aangetroffen en wanneer deze openbaar zijn gemaakt.
Over de verwijderde mailbox heeft het college toegelicht dat is geprobeerd deze weer te herstellen maar dat dit niet is gelukt. Hierover is ook overleg gevoerd met de interne ICT-afdeling en daarnaast met een extern bedrijf. De Afdeling twijfelt niet aan deze toelichting. Voor zover de inhoud van de mailbox in strijd met de archiefregels niet is gearchiveerd, betekent dit niet dat de door het college gegeven toelichting ongeloofwaardig is. Voor een onderzoek door ICT- of informatiespecialisten bestaat gelet op het voorgaande geen aanleiding. Ook bestaat geen aanleiding de door [appellant] genoemde ambtenaar te horen, omdat niet wordt ontkend dat deze ambtenaar voor het verwijderen van de mailbox gedurende enige tijd toegang hiertoe had. Maar dit kan niet afdoen aan de conclusie dat de mailbox niet meer beschikbaar is. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling dan ook geen grond voor het oordeel dat de inhoud van de mailbox toch onder het college berust.
8. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen. Verder zal de Afdeling het beroep gericht tegen het nieuwe besluit van 14 mei 2024 ongegrond verklaren.
9. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de uitspraak, voor zover aangevallen;
II. verklaart het beroep tegen het besluit van 14 mei 2024 ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld, griffier.
w.g. Soffers
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Langeveld
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026
317-1146