202404373/1/A3.
Datum uitspraak: 25 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
[appellant A], wonend in Venlo,
[appellant B], wonend in Tegelen,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 3 juni 2024 in zaak nr. 22/1462 en 22/1463 in de gedingen tussen:
[appellant A] en [appellant B]
en
de burgemeester van Venlo.
Procesverloop
Bij besluiten van 15 februari 2022 heeft de burgemeester lasten onder dwangsom opgelegd aan [appellant A] en [appellant B].
Bij besluiten van 30 mei 2022 heeft de burgemeester de door [appellant A] en [appellant B] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 3 juni 2024 heeft de rechtbank de door [appellant A] en [appellant B] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] hoger beroepen ingesteld.
De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant A] en [appellant B] en de burgemeester hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 maart 2026, waar [appellant A] en [appellant B], bijgestaan door mr. T.J.N. Hameleers, advocaat in Roermond, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. E.P.P. Moors, zijn verschenen.
Na de zitting is het onderzoek in overleg met partijen aangehouden en is het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank opgevraagd en aan partijen toegezonden. Hierbij is tot 16 maart 2026 de gelegenheid gegeven aan te geven of partijen gebruik willen maken van hun recht op een tweede zitting. Partijen hebben dit niet kenbaar gemaakt, waarna het onderzoek is gesloten.
Overwegingen
Inleiding
1. Volgens een bestuurlijke rapportage van de politie worden [appellant A] en [appellant B] verdacht van drugshandel op straat. Daarop heeft de burgemeester hun beiden een last onder dwangsom opgelegd om zich te onthouden van handelen in strijd met artikel 2:74 van de Algemene plaatselijke verordening (hierna: de Apv). Ingevolge dit artikel is het onder meer verboden je op straat te begeven met het kennelijke doel drugs te verhandelen. Als ze de last overtreden verbeuren ze een dwangsom van € 5.000,- per overtreding met een maximum van € 20.000,-.
De aangevallen uitspraak
2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de burgemeester mocht uitgaan van de bestuurlijke rapportage waarin is omschreven dat [appellant A] en [appellant B] zijn waargenomen terwijl zij drugs aan het verhandelen waren. Het betoog van [appellant A] en [appellant B] dat de drugs voor eigen gebruik waren is niet aannemelijk gezien het grote aantal aangetroffen drugs en contant geld. Bovendien is waargenomen dat daadwerkelijk een joint is overhandigd aan een inzittende van een auto. Dat [appellant A] en [appellant B] in de strafrechtelijke procedure alleen zijn bestraft voor het aanwezig hebben van drugs en niet voor het verhandelen ervan maakt voor het bestuursrechtelijke toetsingskader geen verschil. De burgemeester was dan ook bevoegd de last op te leggen.
De rechtbank heeft verder overwogen dat schending van de onschuldpresumptie zich niet voordoet omdat alleen een vermoeden is uitgesproken en geen oordeel omtrent de schuld van [appellant A] en [appellant B]. Voor zover dit al onjuist in het besluit van 15 februari 2022 stond is dit in bezwaar hersteld. Er is evenmin sprake van een criminal charge. Ook is geen sprake van inbreuk op hun privéleven omdat zij nu niet meer naar een coffeeshop zouden kunnen om joints voor eigen gebruik te kopen, omdat zij hiermee de last niet overtreden.
De hoger beroepen
3. [appellant A] en [appellant B] betogen in hoger beroep dat zij artikel 2:74 van de Apv niet hebben overtreden. Zij hebben duidelijke verklaringen gegeven voor hun aanwezigheid op de parkeerplaats en het grote aantal joints dat is aangetroffen. Ook voor de cocaïne en het contante geld is een verklaring gegeven. De joint die is gegeven aan de inzittende van de andere auto is niet verhandeld maar gegeven aan een vriend om samen te chillen.
Daarnaast betogen [appellant A] en [appellant B] dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op de schending van de redelijke termijn en daardoor ten onrechte geen schadevergoeding heeft toegekend. Het oordeel van de rechtbank over de schending van de onschuldpresumptie, het betoog over de criminal charge en de schending van de privacy is eveneens onjuist.
Het oordeel van de Afdeling
4. De gronden die [appellant A] en [appellant B] in hoger beroep hebben aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat zij in beroep hebben aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant A] en [appellant B] hebben geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 3 tot en met 12 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Zij voegt daaraan nog toe dat het bepaalde in artikel 2:74 van de Apv niet met zich brengt dat alleen sprake is van drugshandel als deze tegen betaling plaatsvindt.
5. De Afdeling stelt vast dat [appellant A] en [appellant B] in hun beroepschriften bij de rechtbank niet hebben verzocht om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Op de zitting bij de Afdeling hebben [appellant A] en [appellant B] gesteld dat zij tijdens de zitting bij de rechtbank een beroep op de redelijke termijn hebben gedaan. Daarom heeft de Afdeling onder toepassing van artikel 8:61, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank opgevraagd. Ingevolge dit artikel maakt de griffier van de zitting een proces-verbaal op indien de bestuursrechter dit ambtshalve of op verzoek van een partij die daarbij belang heeft bepaalt of op verzoek van de hoger beroepsrechter of de Hoge Raad.
Ook in het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank staat niet dat [appellant A] en [appellant B] een beroep op de redelijke termijn hebben gedaan.
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in bijvoorbeeld haar uitspraak van 24 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1324, dient in beginsel te worden uitgegaan van de juistheid van hetgeen door de griffier is vastgelegd in het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting. Alleen indien er duidelijke aanwijzingen zijn dat het proces-verbaal geen juiste weergave is van het ter zitting verhandelde, kan van dit uitgangspunt worden afgeweken. Daarvan is in dit geval geen sprake. De enkele stelling van [appellant A] en [appellant B] in de brief van 16 maart 2026 dat het proces-verbaal wel onjuist moet zijn omdat het summier is en de zitting bijna een uur duurde is daarvoor niet voldoende. In artikel 8:61, tweede lid, van de Awb is neergelegd dat de griffier aantekening van het verhandelde ter zitting houdt. Hieruit volgt niet dat een letterlijke weergave is vereist (vergelijk de uitspraak van 12 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:447). Het proces-verbaal is een uitwerking van deze zittingsaantekeningen. De Afdeling gaat dan ook uit van de juistheid van dit proces-verbaal. Daarom bestaat geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Het betoog van [appellant A] en [appellant B] dat hun recht op een eerlijk proces is geschonden omdat het proces-verbaal niet tijdig is ontvangen, slaagt niet. Daartoe overweegt de Afdeling dat het proces-verbaal door de Afdeling bij de rechtbank is opgevraagd omdat [appellant A] en [appellant B] eerst op de zitting bij de Afdeling hebben aangevoerd dat zij op de zitting bij de rechtbank hebben verzocht om schadevergoeding wegens schending van de redelijke termijn. Daarnaast stond het [appellant A] en [appellant B] gelet op het bepaalde in artikel 8:61, derde lid, onder a, vrij om zelf direct na de zitting bij de rechtbank het proces-verbaal op te vragen.
Het verzoek om schadevergoeding bij de Afdeling
6. Uitgaande van de indiening van de bezwaarschriften op 28 maart 2022 is de redelijke termijn ten tijde van het doen van deze uitspraak niet overschreden zodat in hoger beroep geen sprake is van recht op schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Conclusie
7. De hoger beroepen zijn ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De verzoeken om schadevergoeding worden afgewezen.
8. De burgemeester hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst de verzoeken om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld, griffier.
w.g. Soffers
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Langeveld
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026
317-1146