202505569/1/R4.
Datum uitspraak: 25 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb )in het geding tussen:
[appellante], wonend in Zaandam, gemeente Zaanstad,
appellante,
en
het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 21 augustus 2025 heeft het college zijn beslissing om op 19 augustus 2025 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening Zaanstad 2020 aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 210,00, voor rekening van [appellante] komen.
Bij besluit van 27 oktober 2025 heeft het college beslist op het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar en daarbij het besluit van 19 augustus 2025 in stand gelaten.
Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen
1. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een afvalzak met daarin een papierstuk, die op 19 augustus 2025 is aangetroffen op straat ter hoogte van de [locatie] in Zaandam. Het college is ervan uitgegaan dat [appellante] de afvalzak met daarin een papierstuk, verkeerd heeft aangeboden, omdat haar naam en adres op het adreslabel op het papierstuk staan.
2. [appellante] stelt vanwege verhuizing vanuit Voorburg naar Zaandam niet tijdig voldoende informatie te hebben ontvangen over hoe het afvalinzamelsysteem functioneert in Zaandam en hoe de afvalpas moet worden gebruikt. Zij betoogt dat zij de ondergrondse afvalcontainer aan de Vurehout op 19 augustus 2025 niet kon gebruiken omdat deze meerdere dagen vol zat en geblokkeerd was. Zij geeft aan hierdoor niet in de mogelijkheid te zijn gesteld om het huishoudelijke afval ergens anders aan te bieden. [appellante] kon de afvalzak bovendien niet bewaren in haar woning, omdat daarvoor onvoldoende ruimte is en dit vanuit hygiënisch oogpunt ook onverantwoord is. Zij voert aan dat op 15 september 2025 door afvalinzamelaar HVC extra ondergrondse containers zijn gekoppeld aan de afvalpas. Dit is gebeurd ná de constatering van 19 augustus 2025.
3. Artikel 10, derde lid, van de Afvalstoffenverordening Zaanstad 2020 houdt in dat een gebruiker van een perceel voor wie een zogeheten inzamelmiddel of inzamelvoorziening is aangewezen, huishoudelijke afvalstoffen moet aanbieden via het inzamelmiddel of de inzamelvoorziening of het afvalbrengstation.
4. Vast staat dat de afvalzak waarover het in deze zaak gaat, naast de ondergrondse afvalcontainer stond en dus verkeerd is aangeboden. Dat is een overtreding van artikel 10, derde lid, van de Afvalstoffenverordening 2020. Dat de ondergrondse afvalcontainer mogelijk niet door [appellante] kon worden gebruikt, maakt dat niet anders. Ook als dat zo is, is het niet toegestaan om afval naast de container te plaatsen. In voorkomende gevallen had [appellante] het afval moeten bewaren totdat zij dit op de juiste wijze kon aanbieden. De Afdeling acht het niet aannemelijk dat dit op geen enkele manier mogelijk zou zijn geweest. Daar komt bij dat volgens het besluit van 27 oktober 2025 en het verweerschrift de afvalpas van [appellante] op 19 augustus 2025 toegang gaf tot twee andere containers, zodat zij daarnaar had kunnen uitwijken. Wat [appellante] aanvoert geeft geen aanleiding om te veronderstellen dat dit onjuist is. Voor zover [appellante] betoogt dat zij niet op de hoogte was van de beschikbaarheid van de beide andere containers omdat zij pas korte tijd ter plaatste woonde, overweegt de Afdeling dat het op de weg van [appellante] lag om zich na haar verhuizing op de hoogte te stellen van de wijze van afvalinzameling in de gemeente Zaanstad.
Het betoog slaagt niet.
5. Het beroep is ongegrond.
6. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Besselink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier.
w.g. Besselink
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Sparreboom
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026
195