202501259/1/A2.
Datum uitspraak: 25 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
1. het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,
2. [appellant sub 2], wonend in [woonplaats],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 13 januari 2025 in zaken nrs. 24/3085, 24/3091 en 24/3079 in het geding tussen:
[appellant sub 2]
en
het college.
Procesverloop
Bij drie afzonderlijke besluiten van 14 december 2022 heeft het college aan [appellant sub 2] drie boetes opgelegd van elk € 20.000,00 voor het in gebruik geven van drie woningen aan personen die niet over een huisvestingsvergunning beschikten.
Bij drie afzonderlijke besluiten van 4 maart 2024 heeft het college de door [appellant sub 2] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 13 januari 2025 heeft de rechtbank de door [appellant sub 2] daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard, de besluiten van 4 maart 2024 vernietigd wat de hoogte van de boetes betreft en de besluiten van 14 december 2022 herroepen wat de hoogte van de boetes betreft. De rechtbank heeft het bedrag van de opgelegde boetes vastgesteld op € 9.500,00 (zaken nrs. 24/3085 en 24/3079) en € 4.750,00 (zaak nr. 24/3091) en bepaald dat haar uitspraak in de plaats komt van de vernietigde gedeeltes van de besluiten.
Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.
[appellant sub 2] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingesteld.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 13 februari 2026, waar het college, vertegenwoordigd door mr. T.M.T. Konings, en [appellant sub 2], vertegenwoordigd door mr. M.K. Bhadai, advocaat in Den Haag, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant sub 2] is eigenaar en verhuurder van de woningen [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3] in Den Haag.
Inspecteurs van de Haagse Pandbrigade hebben op 8 november 2022 geconstateerd dat deze woningen in gebruik zijn gegeven zonder dat een huisvestingsvergunning aan de huurders was verleend. Volgens het college was een huisvestingsvergunning vereist omdat de woningen elk minder dan 185 huurpunten hebben. Op basis van de resultaten van de inspectie van de Haagse Pandbrigade heeft het college geconcludeerd dat [appellant sub 2] de woningen in strijd met artikel 8, tweede lid, van de Huisvestingswet 2014 (Hw) en artikel 2.2 van de Huisvestingsverordening Den Haag 2019 (Hv 2019) aan personen in gebruik heeft gegeven zonder de daarvoor benodigde huisvestingsvergunning. Omdat het gaat om bedrijfsmatige verhuur en [appellant sub 2] eerder is beboet voor overtreding van dezelfde voorschriften, heeft het college op grond van bijlage II van de Hv 2019 [appellant sub 2] boetes opgelegd van € 20.000,00 per woning. Het college heeft geen aanleiding gezien om dit bedrag te matigen.
2. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Met ingang van 1 juli 2023 geldt de Huisvestingsverordening Den Haag 2023 (Hv 2023). Artikel 8:1 van deze verordening bepaalt dat de Hv 2019 van toepassing blijft op bezwaar- en beroepsprocedures over bezwaar- en beroepschriften die vóór de dag van inwerkingtreding van deze verordening zijn ingediend, als dit voor bezwaarmaker gunstiger is. Dit laatste is in deze zaak niet het geval, omdat de hier van belang zijnde bepalingen en boetebedragen in de nieuwe verordening ongewijzigd zijn. Dit betekent dat in deze zaak de Hv 2023 van toepassing is.
Op grond van artikel 7:2, tweede en derde lid, en bijlage II van de Hv 2023 bedraagt de boete voor overtreding van artikel 8 van de Hw bij bedrijfsmatige exploitatie voor een eerste overtreding € 10.000,00 en voor een herhaalde overtreding € 20.000,00.
Uitspraak van de rechtbank
3. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellant sub 2] met het in gebruik geven van de drie woningen, zonder dat de huurders over een huisvestingsvergunning beschikten, artikel 8, tweede lid, van de Hw heeft overtreden. Het college was daarom bevoegd boetes op te leggen aan [appellant sub 2].
De rechtbank heeft overwogen dat niet in geschil is dat het gaat om bedrijfsmatige verhuur. In dat geval wordt het standaard boetebedrag van € 5.000,00 verdubbeld. Het college heeft het boetebedrag nogmaals verdubbeld omdat [appellant sub 2] eerder dezelfde overtreding zou hebben begaan. De rechtbank heeft overwogen dat voornoemde overtreding wordt begaan op het moment dat de woning in gebruik wordt gegeven. Dit betekent dat [appellant sub 2] de drie overtredingen blijkens de boeterapporten eind 2020 en begin 2021 heeft begaan, toen hij de huurovereenkomsten is aangegaan. De rechtbank heeft het verdubbelen van het boetebedrag wegens herhaalde overtreding in beginsel niet onevenredig geacht als de eerder opgelegde boete een waarschuwend effect heeft gehad. Dit volgt ook uit de toelichting bij artikel 7:2 van de Hv 2019. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat [appellant sub 2] door bijvoorbeeld een boeterapport al was gewaarschuwd voor de mogelijkheid van een boete op het moment dat hij de drie overtredingen beging. Met de enkele verwijzing naar de overtreding in juni 2021 voor de woning [locatie 4] heeft het college niet aangetoond dat er een eerdere overtreding is geweest die door het waarschuwend effect een verdubbeling van het boetebedrag rechtvaardigt. Het college had daarom had moeten uitgaan van een boetebedrag van € 10.000,00 per overtreding.
De rechtbank heeft verder overwogen dat het college zich, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 5 juni 2024 ECLI:NL:RVS:2024:2314, op het standpunt heeft gesteld dat de boete voor [locatie 3] moet worden gematigd met 50%, omdat op 25 januari 2023 aan de huurders van deze woning alsnog een huisvestingsvergunning is verleend. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat de boete voor [locatie 3] moet worden gematigd met 50% en € 5.000,00 bedraagt.
De rechtbank heeft ambtshalve vastgesteld dat de redelijke termijn is overschreden met niet meer dan zes maanden en dat in dat geval de boete wordt verminderd met 5% met een maximum van € 2.500,00. Dit heeft naar het oordeel van de rechtbank tot gevolg dat de boetes voor [locatie 1] en [locatie 2] moeten worden verminderd met € 500,00 en de boete voor [locatie 3] met € 250,00.
De rechtbank heeft de besluiten op bezwaar van 4 maart 2024 vernietigd wat de hoogte van de boetes betreft, de primaire besluiten van 14 december 2022 herroepen wat de hoogte van de boetes betreft en zelf in de zaak voorzien. De rechtbank heeft de boetes voor [locatie 1] en [locatie 2] vastgesteld op € 9.500,00 en de boete voor [locatie 3] op € 4.750,00.
Hoger beroep van het college
4. Niet is in geschil dat [appellant sub 2] door het in gebruik geven van de drie woningen aan huurders die niet over een huisvestingsvergunning beschikten, artikel 8, tweede lid, van de Hw heeft overtreden. Evenmin is in geschil dat het hier gaat om bedrijfsmatige verhuur. Voor deze situatie is in bijlage II van de Hv 2023 het boetebedrag vastgesteld op € 10.000,00. Het geschil in hoger beroep gaat over de vraag of het college bij de oplegging van de boete terecht is uitgegaan van een herhaalde overtreding waarvoor in bijlage II het boetebedrag is bepaald op € 20.000,00.
5. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college niet heeft aangetoond dat er een eerdere overtreding is geweest. Volgens het college was tussen partijen niet in geschil dat er eerdere overtredingen zijn geweest op de adressen [locatie 4] en [locatie 5] in Den Haag.
5.1. Dit betoog berust op een onjuiste lezing van de uitspraak van de rechtbank en slaagt al daarom niet. Zoals hiervoor in 3 is weergegeven, heeft de rechtbank namelijk geoordeeld dat het college niet heeft aangetoond dat er een eerdere overtreding is geweest die een waarschuwend effect heeft gehad en een verdubbeling van het boetebedrag rechtvaardigt.
6. Het college betoogt dat de rechtbank bij de beoordeling of er een eerdere beboete overtreding van artikel 8, tweede lid, van de Hw is geweest die een verhoging van de boete tot € 20.000,00 rechtvaardigt, ten onrechte het moment van het in gebruik geven van de woning door het aangaan van de huurovereenkomst bepalend heeft geacht. Volgens het college volgt uit artikel 35, tweede lid, aanhef en onder d, van de Hw dat daarvoor het moment van de constatering van een overtreding bepalend is. In dit geval was er op dat moment een eerdere beboete overtreding en is daarom terecht uitgegaan van een boetebedrag van € 20.000,00 per overtreding, aldus het college.
6.1. De grondslag voor de verhoging van de bestuurlijke boete wegens een eerdere beboete overtreding van artikel 8, tweede lid, van de Hw is gelegen in artikel 35, tweede lid, aanhef en onder d, van de Hw en artikel 7:2, derde lid, van de Hv 2023. Daarin staat dat voor verhoging is vereist dat binnen een tijdvak van vier jaar voorafgaand aan de constatering van een overtreding een bestuurlijke boete is opgelegd voor een eerdere overtreding van eenzelfde voorschrift en, zoals de Hv 2023 vereist, dat die boete onherroepelijk is geworden. Anders dan de rechtbank, is de Afdeling van oordeel dat hieruit volgt dat het moment van de constatering van een overtreding bepalend is voor de beantwoording van de vraag of het gaat om een herhaalde overtreding die eerder is beboet en die een verhoging van de boete rechtvaardigt.
De Afdeling stelt vast dat in dit geval ten tijde van de constatering van de overtredingen op 8 november 2022 [appellant sub 2] al bij het rechtens onaantastbare besluit van 2 september 2021 een bestuurlijke boete was opgelegd voor [locatie 4] in Den Haag voor overtreding van hetzelfde voorschrift. [appellant sub 2] was daarmee gewaarschuwd dat het in gebruik geven van een woning aan personen die niet beschikken over een vereiste huisvestingsvergunning, kan leiden tot de oplegging van een boete.
Het voorgaande betekent dat het college voor de drie woningen terecht is uitgegaan van een boetebedrag van € 20.000,00. Of dit bedrag moet worden gematigd, komt hierna aan de orde bij de bespreking van het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2].
6.2. Het betoog slaagt.
Incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2]
7. [appellant sub 2] betoogt dat, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 5 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2314, in dit geval ook de boetes voor [locatie 1] en [locatie 2] met 50% moeten worden gematigd. Er is niet alleen aan de bewoners van [locatie 3] een huisvestingsvergunning verleend, maar ook aan de bewoners van de woningen [locatie 1] en [locatie 2].
[appellant sub 2] betoogt ook dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de boetes wegens bijzondere omstandigheden verder gematigd moeten worden. Hij voert aan dat hij was beperkt in de mogelijkheden om de huurders ertoe te bewegen een huisvestingsvergunning aan te vragen. De huurperiode is ingegaan net na de verlenging van een lockdown tijdens de coronapandemie. [appellant sub 2] ondervond ernstige gezondheidsklachten door een coronabesmetting in december 2020. Ook had hij een zware tijd door vier overlijdensgevallen in de familie door corona.
7.1. Omdat de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, dient de hoogte van de boete te worden getoetst aan artikel 5:46, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hierin is bepaald dat het bestuursorgaan, indien de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, niettemin een lagere bestuurlijke boete oplegt, indien de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in bijvoorbeeld de uitspraak van 2 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2849, kunnen een verminderde verwijtbaarheid, een beperkte ernst van een overtreding of een geringe financiële draagkracht worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden, als bedoeld in artikel 5:46, derde lid, van de Awb, die aanleiding geven om een boete te matigen. Voor zover de overtreder stelt dat een of meer van deze omstandigheden in dit geval aan de orde zijn, moet hij dat aannemelijk maken.
7.2. In de uitspraak van 5 juni 2024 heeft de Afdeling overwogen dat is gebleken dat het college bij de beboeting wegens schending van artikel 8, tweede lid, van de Hw niet alleen een aanmerkelijk belang hecht aan de omstandigheid dat de benodigde huisvestingsvergunning is aangevraagd, maar ook aan de omstandigheid dat de bewoner al dan niet aan de voorwaarden voor de toekenning van de vergunning voldoet. Dat verschil is niet tot uitdrukking gebracht in bijlage II van de Hv 2019 (en Hv 2023), waarin de hoogtes van de boetes wegens overtreding van artikel 8, tweede lid, van de Hw zijn bepaald. De Afdeling heeft in die zaak geoordeeld dat het college daarom aanleiding had moeten zien om een lagere boete op te leggen wegens de beperkte ernst van de overtreding.
7.3. Niet is in geschil dat de opgelegde boete voor de woning [locatie 3] met 50% moet worden gematigd, omdat bij besluit van 25 januari 2023 het college aan de huurders van deze woning een huisvestingsvergunning heeft verleend. Gelet op het overwogene in 6.1 betekent dit dat de boete van € 20.000,00 moet worden gematigd tot een bedrag van € 10.000,00.
Het college heeft zich op de zitting bij de Afdeling op het standpunt gesteld dat ook de opgelegde boete voor de woning [locatie 2] met 50% moet worden gematigd, omdat bij besluit van 13 januari 2025 aan de huurders van deze woning een huisvestingsvergunning is verleend. Uitgaande van een boetebedrag van € 20.000,00, leidt deze matiging tot een boete van eveneens € 10.000,00. Het betoog slaagt in zoverre.
Het college heeft op de zitting bij de Afdeling toegelicht dat de zes personen die bij de controle zijn aangetroffen in de woning [locatie 1], in 2022 een aanvraag om een huisvestingsvergunning hebben ingediend. Die aanvraag is afgewezen omdat de woonoppervlakte van 41 m2 te klein is voor zes personen. Een nieuwe aanvraag van twee van hen heeft geleid tot de verlening van een huisvestingsvergunning op 9 december 2024. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat met deze vergunningverlening de geconstateerde overtreding van het in gebruik geven van de woning aan zes personen zonder een huisvestingsvergunning, niet is gelegaliseerd. Dit betekent dat die vergunning geen reden is voor een matiging van het boetebedrag van € 20.000,00. Het betoog slaagt in zoverre niet.
7.4. De Afdeling ziet geen aanleiding om de boetes nog verder te matigen. [appellant sub 2] had bij het aangaan van de huurovereenkomsten eind 2020 en begin 2021, dan wel tijdens de huurperiode, moeten controleren of de huurders in het bezit waren van de vereiste huisvestingsvergunning.
Zoals hiervoor in 6.1 is overwogen, was [appellant sub 2] in ieder geval ten tijde van de constatering van de overtredingen op 8 november 2022 al met de eerder op 2 september 2021 opgelegde boete voor overtreding van eenzelfde voorschrift gewaarschuwd dat het in gebruik geven van een woning aan personen die niet beschikken over een vereiste huisvestingsvergunning, kan leiden tot oplegging van een boete. De door [appellant sub 2] aangevoerde persoonlijke omstandigheden maken dit niet anders, hoe vervelend die ook voor hem waren. Hij had als professioneel verhuurder iemand anders moeten inschakelen als hij zelf tijdelijk niet in staat was zijn zaken te behartigen.
7.5. Niet is in geschil de door de rechtbank toegepaste matiging van de boetes wegens overschrijding van de redelijke termijn in beroep met niet meer dan zes maanden. De rechtbank heeft overwogen dat in dat geval de boetes (verder) worden gematigd met 5% met een maximum van € 2.500,00. Hieruit volgt dat de boetes voor [locatie 2] en [locatie 3] met € 500,00 moeten worden verminderd tot een bedrag van € 9.500,00. De boete voor [locatie 1] moet worden verlaagd met € 1.000,00 tot een bedrag van € 19.000,00.
8. [appellant sub 2] betoogt verder dat de rechtbank de proceskosten onjuist heeft vastgesteld. Hij voert aan dat de rechtbank zijn drie beroepen ten onrechte als samenhangend heeft aangemerkt. Daarnaast heeft de rechtbank ten onrechte de kosten van verleende rechtsbijstand in bezwaar niet meegenomen in de proceskostenveroordeling.
8.1. De drie beroepszaken 24/3085, 24/3091 en 24/3079 gaan over de oplegging van bestuurlijke boetes wegens dezelfde soort overtreding voor drie verschillende woningen van [appellant sub 2]. In deze zaken heeft [appellant sub 2] nagenoeg gelijkluidende stukken ingediend tegen de besluiten van 4 maart 2024. Ook zijn de zaken gelijktijdig op de zitting bij de rechtbank behandeld. Naar het oordeel van de Afdeling volgt hieruit dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de drie zaken samenhangende zaken zijn in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
Het betoog slaagt in zoverre niet.
8.2. Gelet op de vernietiging van de besluiten van 4 maart 2024 en de herroeping van de besluiten van 14 december 2022 heeft de rechtbank bij de proceskostenveroordeling ten onrechte geen vergoeding van de kosten van verleende rechtsbijstand in bezwaar toegekend. De Afdeling zal dit alsnog doen.
Het betoog slaagt in zoverre.
Conclusie
9. Het hoger beroep van het college is gegrond. Het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2] is ook gegrond.
10. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover daarbij het bedrag van de opgelegde boetes is vastgesteld op € 9.500,00 in zaken nrs. 24/3085 en 24/3079 ([locatie 1] en [locatie 2]) en op € 4.750,00 in zaak nr. 24/3091 ([locatie 3]), is bepaald dat de uitspraak van de rechtbank in de plaats komt van de vernietigde gedeeltes van de besluiten en geen proceskostenveroordeling is uitgesproken voor de door [appellant sub 2] in bezwaar gemaakte kosten van rechtsbijstand. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling bepalen dat het bedrag van de opgelegde boetes voor [locatie 2] en [locatie 3] worden vastgesteld op € 9.500,00 en voor [locatie 1] op € 19.000,00 en dat het college de kosten van rechtsbijstand in bezwaar dient te vergoeden aan [appellant sub 2]. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige, met verbetering van de gronden waarop deze rust.
11. Het college moet de in bezwaar en hoger beroep door [appellant sub 2] gemaakte proceskosten vergoeden. Uit de uitspraak van de rechtbank volgt dat het college ook de proceskosten in beroep moet vergoeden, voor zover het college die kosten nog niet heeft vergoed.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag gegrond;
II. verklaart het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2] gegrond;
III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover daarbij het bedrag van de opgelegde boetes is vastgesteld op € 9.500,00 in zaken nrs. 24/3085 en 24/3079 ([locatie 1] en [locatie 2]) en op € 4.750,00 in zaak nr. 24/3091 ([locatie 3]), is bepaald dat de uitspraak van de rechtbank in de plaats komt van de vernietigde gedeeltes van de besluiten en geen proceskostenveroordeling is uitgesproken voor de door [appellant sub 2] in bezwaar gemaakte kosten van rechtsbijstand;
IV. stelt de hoogte van de boetes voor de woningen [locatie 2] en [locatie 3] vast op € 9.500,00 en voor de woning [locatie 1] op € 19.000,00;
V. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten van 4 maart 2024;
VI. bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige;
VII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Den Haag tot vergoeding van bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het bezwaar en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.742,19, waarvan een bedrag van € 3.736,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. A.B. Blomberg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Jansen, griffier.
w.g. Blomberg
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Jansen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026
609
BIJLAGE
Wettelijk kader
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 5:46
1. De wet bepaalt de bestuurlijke boete die wegens een bepaalde overtreding ten hoogste kan worden opgelegd.
2. Tenzij de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgelegd, stemt het bestuursorgaan de bestuurlijke boete af op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Het bestuursorgaan houdt daarbij zo nodig rekening met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.
3. Indien de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgelegd, legt het bestuursorgaan niettemin een lagere bestuurlijke boete op indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is.
[…].
Huisvestingswet 2014
Artikel 7
1. In de huisvestingsverordening kan de gemeenteraad categorieën woonruimte aanwijzen die niet voor bewoning in gebruik mogen worden genomen of gegeven indien daarvoor geen huisvestingsvergunning is verleend.
[…].
Artikel 8
[…]
2. Het is verboden om woonruimte die is aangewezen krachtens artikel 7 voor bewoning in gebruik te geven aan een persoon die niet beschikt over een huisvestingsvergunning.
Artikel 35
1. De gemeenteraad kan in de huisvestingsverordening bepalen dat een bestuurlijke boete kan worden opgelegd ter zake van de overtreding van de verboden bedoeld in artikel 8, eerste en tweede lid, […]. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd tot het opleggen van een bestuurlijke boete.
2. De op te leggen bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste:
[..]
d. het bedrag dat is vastgesteld voor de vijfde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht voor overtreding van een verbod als bedoeld in artikel 8, tweede lid, […], indien binnen een tijdvak van vier jaar voorafgaand aan de constatering door een ambtenaar als bedoeld in artikel 33, eerste lid, van die overtreding een bestuurlijke boete is opgelegd voor overtreding van hetzelfde verbod.
3. De gemeenteraad stelt in de huisvestingsverordening het bedrag vast van de bestuurlijke boete die voor de verschillende overtredingen kan worden opgelegd.
Huisvestingsverordening Den Haag 2023
Artikel 2:2
[...]
2. Het is verboden de in artikel 2:1, eerste lid, bedoelde woonruimte voor bewoning in gebruik te geven aan een huishouden, dat niet beschikt over een huisvestingsvergunning.
Artikel 7:2
1. Voor overtreding van de artikelen 8, […] van de Huisvestingswet 2014, of het handelen in strijd met de voorwaarden of voorschriften, bedoeld in artikel 26 van de Huisvestingswet 2014, kunnen burgemeester en wethouders een bestuurlijke boete opleggen.
2. De bestuurlijke boete wordt verhoogd met 100 procent van het boetebedrag dat in bijlage II bij deze verordening is bepaald, indien de overtreding is begaan bij een bedrijfsmatige exploitatie van woonruimte.
3. Onverminderd het bepaalde in het vorige lid kan de bestuurlijke boete, met uitzondering van de bestuurlijke boete voor overtreding van artikel 8, eerste lid of overtreding van het verbod toeristische verhuur in de zin van artikel 23c, eerste lid, van de Huisvestingswet 2014 wederom worden verhoogd met 100 procent van het boetebedrag dat in bijlage II bij deze verordening is bepaald, indien binnen een tijdvak van vier jaar voorafgaand aan de constatering van de overtreding een andere overtreding van eenzelfde voorschrift is geconstateerd en de bestuurlijke boete wegens de eerdere overtreding onherroepelijk is geworden.
[...]
7. Bij toepassing van het gestelde in voorgaande leden hanteren burgemeester en wethouders de boetes als vermeld in bijlage II van deze verordening.
Bijlage II behorend bij de Huisvestingsverordening Den Haag 2023
Bestuurlijke boetes als bedoeld in artikel 7:2, vierde lid, van deze verordening.