ECLI:NL:RVS:2026:1714

ECLI:NL:RVS:2026:1714

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 25-03-2026
Datum publicatie 25-03-2026
Zaaknummer 202505786/1/R4
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Bij besluit van 27 juli 2025 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag zijn beslissing om op 18 juli 2025 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 199,57, voor rekening van [appellant] komt. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een stuk karton dat op 18 juli 2025 is aangetroffen naast een ondergrondse restafvalcontainer (ORAC) ter hoogte van de [locatie] in Den Haag. Het college is ervan uitgegaan dat [appellant] het stuk karton verkeerd heeft aangeboden, omdat zijn naam en adres op het adreslabel op het stuk karton staan. [appellant] betwist niet dat het stuk karton van hem afkomstig is, maar hij stelt dat niet hij, maar zijn minderjarige zoon het stuk karton naast de ORAC heeft gezet.

Uitspraak

202505786/1/R4.

Datum uitspraak: 25 maart 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend in Den Haag,

appellant,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 27 juli 2025 heeft het college zijn beslissing om op 18 juli 2025 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 199,57, voor rekening van [appellant] komt.

Bij besluit van 20 november 2025 heeft het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 17 februari 2026, waar het college vertegenwoordigd door H. Ben Hammou, is verschenen.

Overwegingen

1. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een stuk karton dat op 18 juli 2025 is aangetroffen naast een ondergrondse restafvalcontainer (ORAC) ter hoogte van de [locatie] in Den Haag. Het college is ervan uitgegaan dat [appellant] het stuk karton verkeerd heeft aangeboden, omdat zijn naam en adres op het adreslabel op het stuk karton staan.

2. [appellant] betwist niet dat het stuk karton van hem afkomstig is, maar hij stelt dat niet hij, maar zijn minderjarige zoon het stuk karton naast de ORAC heeft gezet. Hij licht toe dat hij een huisvuilzak en een stuk karton heeft meegegeven aan zijn zoon en hem heeft gevraagd het afval te scheiden. Zijn zoon heeft het stuk karton tijdelijk aan de kant gezet terwijl hij de huisvuilzak ter inzameling aanbood, maar is vervolgens vergeten het stuk karton bij de kartoncontainers aan te bieden. Omdat [appellant] niets heeft gedaan en niet heeft nagelaten zijn zoon juiste instructies te geven is hij geen overtreder, aldus [appellant].

2.1. Het is niet in geschil dat niet [appellant], maar zijn zoon het stuk karton verkeerd heeft aangeboden. Het college is echter van mening dat [appellant] verantwoordelijk is voor het verkeerd aanbieden.

2.2. De Afdeling overweegt dat de overtreder in de eerste plaats degene is die de verboden handeling fysiek verricht. Voor beantwoording van de vraag of een andere natuurlijke persoon als functionele pleger van de overtreding kan worden aangemerkt, is de Afdeling in haar uitspraak van 31 mei 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:2071) aangesloten bij de strafrechtelijke criteria voor functioneel daderschap, zoals die zijn geformuleerd door de strafkamer van de Hoge Raad. Ook in dit geval, waarbij de zoon het stuk karton van [appellant] verkeerd heeft aangeboden, kan hij als overtreder worden aangemerkt. [appellant] had beschikkingsmacht over het stuk karton. Daarnaast maakt zijn zoon onderdeel uit van zijn huishouden. In dat geval moet er in beginsel van worden uitgegaan dat hij heeft aanvaard dat zijn zoon het stuk karton niet volledig juist zou aanbieden.

Het betoog slaagt niet.

3. [appellant] vindt het verder niet terecht dat het bedrag van € 199,57, dat hij aanduidt als een boete, voor zijn rekening komt. Hij vindt het bedrag van de boete hoog voor het verwijderen van een klein stuk karton dat zijn zoon naast de ORAC heeft laten staan. Hij voert verder aan dat hij niet vooraf op de hoogte is gesteld van de regels.

3.1. In artikel 5:25, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat de toepassing van bestuursdwang op kosten van de overtreder geschiedt, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.

3.2. Het bedrag van € 199,57 dat het college voor rekening van [appellant] heeft gebracht, is geen boete maar betreft een gedeelte van de kosten die het college heeft gemaakt voor het verwijderen van het stuk karton. Doordat het stuk karton verkeerd is aangeboden, heeft het college die kosten moeten maken. In beginsel komen die kosten voor rekening van de overtreder. Zoals hiervoor is overwogen, heeft het college [appellant] terecht aangemerkt als overtreder. [appellant] heeft niet met concrete argumenten aannemelijk gemaakt dat het college het stuk karton niet heeft verwijderd of de kosten daarvoor niet heeft gemaakt. De stelling van [appellant] dat hij niet op de hoogte is gesteld van de regels omtrent het aanbieden van huisvuil, maakt ook niet dat de door het college gemaakte kosten redelijkerwijze niet of niet geheel voor zijn rekening horen te komen. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat van [appellant] mag worden verwacht dat hij op de hoogte is van de geldende regels over het aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen. Dat hij dat niet was, komt voor zijn eigen risico. Overigens staan, zoals het college in het verweerschrift heeft toegelicht, de regels over het aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen op de containers en de website van de gemeente Den Haag vermeld en beroept [appellant] zich er op zijn zoon overeenkomstig te hebben geïnstrueerd.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

4. Het beroep is ongegrond.

5. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. G.O. van Veldhuizen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Hielkema, griffier.

w.g. Van Veldhuizen

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Hielkema

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026

1096

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. A.J. Hielkema

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?