ECLI:NL:RVS:2026:1715

ECLI:NL:RVS:2026:1715

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 25-03-2026
Datum publicatie 25-03-2026
Zaaknummer 202505024/1/R4
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Bij besluit van 23 mei 2025 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag zijn beslissing om op 13 mei 2025 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 199,57, voor rekening van [appellant] komt. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een kartonnen doos die op 13 mei 2025 is aangetroffen naast een ondergrondse restafvalcontainer (ORAC) ter hoogte van de [locatie 1] in Den Haag. Het college is ervan uitgegaan dat [appellant] de doos verkeerd heeft aangeboden, omdat zijn naam en adres op het adreslabel van de doos staan.

Uitspraak

202505024/1/R4.

Datum uitspraak: 25 maart 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend in Den Haag,

appellant,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 23 mei 2025 heeft het college zijn beslissing om op 13 mei 2025 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 199,57, voor rekening van [appellant] komt.

Bij besluit van 8 augustus 2025 heeft het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 februari 2026, waar het college, vertegenwoordigd door mr. M.H.F. Bucx, is verschenen.

Overwegingen

1. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een kartonnen doos die op 13 mei 2025 is aangetroffen naast een ondergrondse restafvalcontainer (ORAC) ter hoogte van de [locatie 1] in Den Haag. Het college is ervan uitgegaan dat [appellant] de doos verkeerd heeft aangeboden, omdat zijn naam en adres op het adreslabel van de doos staan.

2. [appellant] betwist niet dat de doos van hem afkomstig is, maar hij stelt dat hij niet degene is geweest die hem naast de ORAC heeft gezet. Hij voert aan dat hij de doos tijdelijk tegen zijn auto bij zijn woonadres aan de [locatie 2] heeft geplaatst, met de bedoeling om deze kort daarna naar een grofvuillocatie te brengen. Toen hij terugkwam, was de doos verdwenen. [appellant] vermoedt dat een derde de doos heeft meegenomen en naast de ORAC heeft gezet. Volgens [appellant] heeft hij met deze verklaring het bewijsvermoeden ontkracht. Verder voert hij aan dat hij met het tijdelijk onbeheerd laten staan van de doos niet bewust het risico heeft aanvaard dat een derde de doos verkeerd zou aanbieden, zodat het hem onredelijk lijkt dat hij verantwoordelijk wordt gehouden voor het verkeerd aanbieden ervan.

2.1. Indien verkeerd aangeboden huishoudelijk afval tot een bepaalde persoon is te herleiden mag er volgens vaste rechtspraak van de Afdeling van worden uitgegaan dat dit afval door de betrokkene op onjuiste wijze ter inzameling is aangeboden en dat hij derhalve de overtreder is (het bewijsvermoeden). Zie voor een uiteenzetting van deze rechtspraak de uitspraak van 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2432.

Op grond van dit bewijsvermoeden is de enkele omstandigheid dat de aangetroffen afvalstoffen tot een persoon te herleiden zijn, in beginsel voldoende om diegene als overtreder aan te merken. Het is vervolgens aan diegene om het bewijsvermoeden te ontkrachten. De daarbij te hanteren maatstaf is of dat wat de betrokkene daartegen aanvoert de juistheid van dat vermoeden in twijfel doet trekken. De betrokkene hoeft dus niet te bewijzen dat hij niet de overtreder was. Ontstaat voldoende twijfel of de als overtreder aangemerkte persoon daadwerkelijk verantwoordelijk is voor het plaatsen van de afvalstoffen, dan is daarmee het bewijsvermoeden ontkracht. Het bestuursorgaan kan in dat geval aan de op hem rustende bewijslast voldoen door aannemelijk te maken dat de betrokkene toch de overtreder is. Daarvoor is dan meer nodig dan het enkel wijzen op de omstandigheden die ten grondslag lagen aan de toepassing van het bewijsvermoeden.

2.2. Niet in geschil is dat de doos van [appellant] afkomstig is. De enkele stelling dat hij de doos tijdelijk tegen zijn auto heeft gezet om deze later aan te bieden bij de grofvuillocatie en zijn vermoeden dat een derde de doos toen heeft meegenomen, is niet voldoende om eraan te twijfelen dat hij de overtreder is. Hij heeft deze stelling namelijk niet onderbouwd.

Ook als ervan wordt uitgegaan dat de doos tijdelijk tegen de auto is geplaatst, kan hij als overtreder worden aangemerkt. Doordat hij de doos tegen zijn auto op de openbare weg heeft achtergelaten, heeft [appellant], anders dan hij betoogt, de kans aanvaard dat de doos door een ander zou worden meegenomen en verkeerd ter inzameling zou worden aangeboden (vgl. de uitspraak van de Afdeling van 31 januari 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:347).

Gelet op het voorgaande heeft [appellant] niet voldoende twijfel gezaaid om het bewijsvermoeden te ontkrachten dat hij de doos verkeerd heeft aangeboden. Het college heeft hem dan ook terecht als overtreder aangemerkt.

Het betoog slaagt niet.

3. [appellant] vindt het verder niet terecht dat de kosten voor de toepassing van bestuursdwang volledig voor zijn rekening komen. Hij voert aan dat hij actief meewerkt aan een schone buurt, afval opruimt en meldingen maakt bij de gemeente.

3.1. In artikel 5:25, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat de toepassing van bestuursdwang op kosten van de overtreder geschiedt, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen lasten behoren te komen.

3.2. Doordat de doos verkeerd is aangeboden, heeft het college kosten moeten maken voor het verwijderen daarvan. In beginsel behoren die kosten voor rekening van de overtreder te komen. Zoals hiervoor is overwogen, heeft het college [appellant] terecht aangemerkt als overtreder. De omstandigheid dat hij meewerkt aan een schone buurt, afval opruimt en meldingen maakt bij de gemeente, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet kon overgaan tot het verhalen van een gedeelte van de kosten van de toegepaste bestuursdwang.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

4. Het beroep is ongegrond.

5. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. G.O. van Veldhuizen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Hielkema, griffier.

w.g. Van Veldhuizen

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Hielkema

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026

1096

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. A.J. Hielkema

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?