202500580/1/A3.
Datum uitspraak: 25 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Rotterdam,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 december 2024 in zaak nr. 24/3602 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.
Procesverloop
Bij besluit van 15 november 2023 heeft het college [appellant] vanaf 10 maart 2023 uitgeschreven uit de basisregistratie personen (brp). Bij besluit van 24 november 2023 heeft het college dat besluit herzien, en [appellant] vanaf 15 september 2023 uit de brp uitgeschreven.
Bij besluit van 8 april 2024 heeft het college het door [appellant] tegen die besluiten gemaakte bezwaar deels gegrond verklaard.
Bij uitspraak van 18 december 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 16 februari 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. M. El Idrissi, advocaat in Rotterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. S. Duinhouwer, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] stond sinds 7 mei 1997 ingeschreven op de [locatie] in Rotterdam. Na een melding door de buren op 25 juni 2022 over overlast van geluid en drugsgebruik op dat adres heeft de woningcorporatie een onderzoek gestart naar onderverhuur. De woningcorporatie heeft bij een huisbezoek in juli 2022 zes arbeidsmigranten aangetroffen die werkten voor een vleesverwerkingsbedrijf. De woningcorporatie heeft vervolgens het college verzocht om nader onderzoek in te stellen naar de bewoning van het adres door [appellant]. Na een adresonderzoek is het college tot de conclusie gekomen dat [appellant] niet op het adres woont, en heeft hem bij besluit van 15 november 2023 vanaf 10 maart 2023 uit de brp uitgeschreven. Bij besluit van 24 november 2023 heeft het college dat besluit herzien, en [appellant] vanaf 15 september 2023 uit de brp uitgeschreven omdat het adresonderzoek onredelijk lang had stilgelegen. Bij besluit van 8 april 2024 heeft het college het bezwaar van [appellant] tegen die besluiten deels gegrond verklaard, omdat het college het besluit had herzien door de datum van uitschrijving te wijzigen.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat is voldaan aan het vereiste van artikel 2.22 van de Wet basisregistratie personen (Wet brp) dat [appellant] niet kon worden bereikt op het adres [locatie. Niet in geschil is dat is voldaan aan de andere vereisten van artikel 2.22 van de Wet brp. De rechtbank heeft overwogen dat naar vaste jurisprudentie van de Afdeling bereikbaarheid in artikel 2.22 van de Wet brp inhoudt dat een ingezetene bereikbaar is op het adres waar hij woont, waarbij de enkele bereikbaarheid per post op het adres onvoldoende is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college aannemelijk gemaakt dat [appellant] niet op het adres woont. Het college heeft namelijk vijf huisbezoeken in februari 2023 en vier huisbezoeken in september 2023. Op 1 februari 2023 heeft een buurman verklaard dat er niemand op het adres leek te wonen, maar dat in de periode mei-augustus 2022 sprake was van bewoning door arbeidsmigranten. Bij een huisbezoek op 23 oktober 2023 was [appellant] wel aanwezig op het adres, maar oogde het adres volgens toezichthouders onbewoond vanwege het gebrek aan persoonlijke eigendommen. De rechtbank heeft overwogen dat er geen redenen zijn om te twijfelen aan de bevindingen van de toezichthouders. Volgens de rechtbank mocht het college namelijk vertrouwen op hun ervaring, en op de door hun getrokken conclusie dat de hoeveelheid persoonlijke eigendommen onvoldoende was om tot bewoning te kunnen concluderen.
Volgens de rechtbank ligt het op de weg van [appellant] om aannemelijk te maken dat hij toch op het adres woont. Naar het oordeel van de rechtbank is hij daar niet in geslaagd door alleen te stellen dat hij door zijn medicatie in de avond geen mensen ontvangt en in de ochtend laat wakker wordt, en daarom zijn deur niet heeft geopend voor de toezichthouders. Volgens de rechtbank hebben de huisbezoeken plaatsgevonden op verschillende tijdstippen. Ook blijkt uit de door hem overgelegde stukken dat [appellant] weliswaar pintransacties heeft uitgevoerd in de buurt van het adres, maar dat het college dat onvoldoende mocht achten om aan te nemen dat hij in de onderzoeksperiode op het adres woonde. Dat de verhuurder de ontruiming niet heeft doorgezet brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel, omdat daaraan andere beoordelingskaders ten grondslag liggen waarbinnen andere partijen een eigen afweging maken.
Hoger beroep
3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat hij niet kon worden bereikt op het adres [locatie]. Daartoe voert hij aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet op dat adres woont. Volgens [appellant] zijn de onderzoeken naar de bewoning van dat adres namelijk te summier geweest. Hij is bovendien slechts een aantal keren op dat adres bezocht en daarbij heeft hij door zijn medische situatie de deur niet open gedaan. Verder heeft hij altijd snel gereageerd op brieven van het college. Volgens [appellant] is verder aannemelijk dat hij op het adres woont, omdat de woningcorporatie geen stappen tegen hem heeft ondernomen om de huurovereenkomst te ontbinden en de woning te laten ontruimen.
3.1. De gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 8.1 tot en met 8.5 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.
Het betoog slaagt niet. Ten overvloede merkt de Afdeling op dat het college op de zitting heeft toegelicht dat [appellant] inmiddels opnieuw is ingeschreven op het adres, en niet kan worden uitgeschreven zonder dat eerst een nieuw adresonderzoek heeft plaatsgevonden.
Slotsom
4. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd.
5. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Aldus vastgesteld door mr. J. Schipper-Spanninga, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. van Wezep, griffier.
w.g. Schipper-Spanninga
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Wezep
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026
844-1114