202504921/1/R4.
Datum uitspraak: 25 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante], wonend in Den Haag,
appellante,
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 8 mei 2025 heeft het college zijn beslissing om op 28 april 2025 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 199,57, voor rekening van [appellante] komt.
Bij besluit van 24 juli 2025 heeft het college het door [appellante] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 17 februari 2026, waar het college, vertegenwoordigd door H. Ben Hammou, is verschenen.
Overwegingen
1. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een grote kartonnen doos die op 28 april 2025 is aangetroffen naast een ondergrondse papiercontainer ter hoogte van de [locatie] in Den Haag. Het college is ervan uitgegaan dat [appellante] de doos verkeerd heeft aangeboden, omdat haar naam en adres op het adreslabel van de doos staan.
2. [appellante] betwist niet dat de doos van haar afkomstig is, maar stelt dat zij de doos wel juist heeft aangeboden en in de ondergrondse papiercontainer heeft gedaan. Zij vermoedt dat de doos er vervolgens uit is gehaald door derden en naast de ondergrondse papiercontainer is beland. Volgens [appellante] vormt het aantreffen van de doos met haar naam en adresgegevens erop geen sluitend bewijs dat zij de doos naast de ondergrondse papiercontainer heeft gezet. Het mag volgens [appellante] ook niet van haar worden verlangd dat zij zonder aanvullend bewijs van het college moet bewijzen dat zij de doos niet verkeerd heeft aangeboden.
2.1. Indien verkeerd aangeboden huishoudelijk afval tot een bepaalde persoon is te herleiden mag er volgens vaste rechtspraak van de Afdeling van worden uitgegaan dat dit afval door de betrokkene op onjuiste wijze ter inzameling is aangeboden en dat hij derhalve de overtreder is (het bewijsvermoeden). Zie voor een uiteenzetting van deze rechtspraak de uitspraak van 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2432.
Op grond van dit bewijsvermoeden is de enkele omstandigheid dat de aangetroffen afvalstoffen tot een persoon te herleiden zijn, in beginsel voldoende om diegene als overtreder aan te merken. Het is vervolgens aan diegene om het bewijsvermoeden te ontkrachten. De daarbij te hanteren maatstaf is of dat wat de betrokkene daartegen aanvoert de juistheid van dat vermoeden in twijfel doet trekken. De betrokkene hoeft dus niet te bewijzen dat hij niet de overtreder was. Ontstaat voldoende twijfel of de als overtreder aangemerkte persoon daadwerkelijk verantwoordelijk is voor het plaatsen van de afvalstoffen, dan is daarmee het bewijsvermoeden ontkracht. Het bestuursorgaan kan in dat geval aan de op hem rustende bewijslast voldoen door aannemelijk te maken dat de betrokkene toch de overtreder is. Daarvoor is dan meer nodig dan het enkel wijzen op de omstandigheden die ten grondslag lagen aan de toepassing van het bewijsvermoeden.
2.2. Door het adreslabel is de doos te herleiden tot [appellante]. Dit betekent dat het college mag aannemen dat zij de overtreder is, tenzij door wat zij aanvoert voldoende twijfel ontstaat of zij daadwerkelijk verantwoordelijk is voor het verkeerd aanbieden van de doos.
Anders dan waar [appellante] van uitgaat, hoeft het college niet onomstotelijk te bewijzen dat zij de doos naast de ondergrondse papiercontainer heeft gezet. [appellante] heeft met het opperen van de mogelijkheid dat de doos door derden uit de ondergrondse papiercontainer is gehaald en is verplaatst, onvoldoende twijfel gezaaid om het bewijsvermoeden te ontkrachten dat zij degene is geweest die de doos verkeerd heeft aangeboden. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat op de foto’s bij het controlerapport, die zijn bijgevoegd bij het besluit van 8 mei 2025, te zien is dat de doos niet was opgevouwen of kleiner gemaakt. De doos was daarom te groot om door de opening van de ondergrondse papiercontainer te passen. Gelet op het voorgaande heeft [appellante] niet voldoende twijfel gezaaid om het bewijsvermoeden te ontkrachten dat zij de doos verkeerd heeft aangeboden. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het college haar ten onrechte als overtreder heeft aangemerkt.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
3. Het beroep is ongegrond.
4. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. G.O. van Veldhuizen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Hielkema, griffier.
w.g. Van Veldhuizen
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Hielkema
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026
1096