ECLI:NL:RVS:2026:1718

ECLI:NL:RVS:2026:1718

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 25-03-2026
Datum publicatie 25-03-2026
Zaaknummer 202504391/1/A2
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 30 mei 2024 heeft de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG) de aanvraag van [appellant] om een uitkering van het Schadefonds Geweldsmisdrijven afgewezen. [appellant] heeft een uitkering aangevraagd uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven. Hij heeft in 2014 lichamelijk en psychisch letsel opgelopen door een aanhouding door de politie. De aanhouding bleek achteraf te berusten op een valse aangifte van zijn ex-partner. [appellant] heeft vervolgens aangifte gedaan van (zware) mishandeling door één of meer politieambten(a)r(en). De CSG heeft de aanvraag van [appellant] afgewezen. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij slachtoffer is geweest van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf als bedoeld in artikel 3 van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven. Dat de politie handelde naar aanleiding van een aangifte die later vals bleek, maakt niet dat het optreden van de politie daarom een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf is. Verder is niet gebleken dat de politie bij de aanhouding disproportioneel geweld heeft gebruikt. Ook volgt uit de beschikbare informatie niet dat de ex-partner met het doen van de valse aangifte de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [appellant] letsel zou oplopen.

Uitspraak

202504391/1/A2.

Datum uitspraak: 25 maart 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-­Holland van 23 juni 2025 in zaak nr. 24/7365 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG).

Procesverloop

Bij besluit van 30 mei 2024 heeft de CSG de aanvraag van [appellant] om een uitkering van het Schadefonds Geweldsmisdrijven afgewezen.

Bij besluit van 9 oktober 2024 heeft de CSG het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 juni 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De CSG heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 6 januari 2026, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. A. Diesfeldt, advocaat in Heiloo, en de CSG, vertegenwoordigd door mr. J.C.M. van de Weerd, via een videoverbinding zijn verschenen.

Overwegingen

1. [appellant] heeft een uitkering aangevraagd uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven. Hij heeft in 2014 lichamelijk en psychisch letsel opgelopen door een aanhouding door de politie. De aanhouding bleek achteraf te berusten op een valse aangifte van zijn ex-partner. [appellant] heeft vervolgens aangifte gedaan van (zware) mishandeling door één of meer politieambten(a)r(en).

2. De CSG heeft de aanvraag van [appellant] afgewezen. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij slachtoffer is geweest van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf als bedoeld in artikel 3 van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven. Dat de politie handelde naar aanleiding van een aangifte die later vals bleek, maakt niet dat het optreden van de politie daarom een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf is. Verder is niet gebleken dat de politie bij de aanhouding disproportioneel geweld heeft gebruikt. Ook volgt uit de beschikbare informatie niet dat de ex-partner met het doen van de valse aangifte de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [appellant] letsel zou oplopen.

3. De rechtbank heeft overwogen dat de stelling dat de politie er ten onrechte geen rekening mee heeft gehouden dat de ex-partner eerder valse aangiften heeft gedaan, alsook dat het inzetten van het arrestatieteam gelet op de geweldsinstructie disproportioneel is, onvoldoende is om vast te kunnen stellen dat de politie onrechtmatig heeft gehandeld. [appellant] heeft deze stelling niet onderbouwd met stukken, zoals met de beslissing tot inzet van het arrestatieteam, het proces-verbaal van de aanhouding en/of het resultaat van het onderzoek naar aanleiding van de aangifte. Dat deze stukken niet meer beschikbaar waren bij de politie, kan niet aan de CSG worden tegengeworpen. Onduidelijk is waarom [appellant] of zijn gemachtigde niet eerder de gegevens veilig hebben gesteld of waarom pas voor het eerst in november 2023, tien jaar na het incident, een aanvraag is ingediend voor een uitkering. Gelet op het voorgaande heeft [appellant] niet met objectieve gegevens onderbouwd dat de politie een opzettelijk geweldsmisdrijf heeft gepleegd. De CSG heeft dus terecht de aanvraag afgewezen, aldus de rechtbank.

4. De gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. In wat [appellant] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. Zij kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank in de onder 5.3.1 tot en met 5.3.3 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. De Afdeling voegt daaraan toe dat de omstandigheid dat [appellant] in bewijsnood verkeert doordat het Openbaar Ministerie mogelijk de gegevens heeft gewist, de CSG niet kan worden aangerekend. De CSG heeft zich voldoende ingespannen om inzicht te krijgen in de stukken over de aanhouding in 2014, onder meer door daarover op 10 mei 2024 en 24 juli 2024 navraag te doen bij de politie. Daaruit zijn echter geen stukken naar voren gekomen die de conclusie kunnen dragen dat tegen [appellant] een opzettelijk geweldsmisdrijf is gepleegd.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

6. De CSG hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.T.J. van de Voort, griffier.

w.g. De Moor-van Vugt

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van de Voort

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026

1062

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. D.T.J. van de Voort

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?