202502907/1/A3.
Datum uitspraak: 25 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 9 april 2025 in zaak nr. 24/1873 in het geding tussen:
[appellant]
en
de burgemeester van Vijfheerenlanden.
Procesverloop
Bij besluit van 14 september 2023 heeft de burgemeester aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd wegens het op een openbare plaats vervoeren of bij zich hebben van inbrekerswerktuigen.
Bij besluit van 17 januari 2024 heeft de burgemeester het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 9 april 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 17 januari 2024 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 25 februari 2026, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. A.E.M.C. Koudijs, advocaat in Utrecht, en de burgemeester, vertegenwoordigd door H. van Ommeren en H. Janze, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] is door de politie staande gehouden op [datum] 2023, omstreeks 03:15 uur, omdat de kentekenplaat van zijn motorscooter vermoedelijk vals was. Bij controle in de politiesystemen bleek dat [appellant] een groot aantal registraties met betrekking tot vermogensdelicten op zijn naam heeft staan. Vanwege deze registraties en het tijdstip van de controle heeft de politie besloten om de buddyseat van de motorscooter van [appellant] te controleren. Daarin heeft de politie drie schroevendraaiers, een combinatietang, een waterpomptang, een nijptang, een zaklamp en een "Hidden Camera Finder" aangetroffen. Een Hidden Camera Finder wordt volgens de politie gebruikt voor het opsporen van verborgen camera’s. De politie heeft hiervan op 29 augustus 2023 een bestuurlijke rapportage opgemaakt. Daarin staat ook dat de burgemeester van Nieuwegein op 25 mei 2023 aan [appellant] een last onder dwangsom heeft opgelegd voor het aanwezig hebben van inbrekerswerktuigen.
1.1. De burgemeester heeft dit aangemerkt als een overtreding van artikel 2:44, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening Vijfheerenlanden 2023 (hierna: APV). Deze bepaling verbiedt het op een openbare plaats vervoeren of bij zich hebben van inbrekerswerktuigen. De burgemeester heeft aan [appellant], ter voorkoming van herhaling van artikel 2:44, eerste lid, van APV een last onder dwangsom opgelegd van € 2.500,00 per overtreding tot een maximum van € 10.000,00.
Uitspraak rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep van [appellant] gegrond verklaard en het besluit van 17 januari 2024 vernietigd, omdat dit besluit niet deugdelijk was gemotiveerd. De rechtbank heeft vervolgens wel de rechtsgevolgen van dit besluit in stand gelaten.
2.1. Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld dat gelet op de aard van de aangetroffen gereedschappen, het tijdstip waarop en de plaats waar [appellant] met de gereedschappen is aangetroffen de burgemeester zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat sprake was van inbrekerswerktuigen in de zin van artikel 2:44 van de APV. De rechtbank heeft overwogen dat de burgemeester het daarbij van belang heeft mogen achten dat uit de bestuurlijke rapportage blijkt dat [appellant] vermogensdelicten op zijn naam heeft staan en dat de burgemeester van Nieuwegein hem een last onder dwangsom heeft opgelegd voor het aanwezig hebben van inbrekerswerktuigen. De rechtbank heeft vastgesteld dat [appellant] de punten in de bestuurlijke rapportage betwist, maar deze niet gemotiveerd heeft weersproken. Dat de zus van [appellant] niet is vermeld in de bestuurlijke rapportage, betekent volgens de rechtbank nog niet dat de overige informatie niet zou kloppen. Verder heeft [appellant] niet gemotiveerd betwist dat de last onder dwangsom in Nieuwegein niet aan hem zou zijn opgelegd. De burgemeester heeft daarom mogen uitgaan van hetgeen in de bestuurlijke rapportage staat en heeft redelijkerwijs vast kunnen stellen dat [appellant] artikel 2:44 van de APV heeft overtreden, aldus de rechtbank.
Hoger beroep
3. [appellant] komt op tegen het in stand laten van de rechtsgevolgen en betoogt in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de burgemeester zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat sprake was van inbrekerswerktuigen in de zin van artikel 2:44 van de APV. Volgens [appellant] ging het niet om evidente inbrekerswerktuigen zoals een koevoet, breekijzer en slotentrekker. De gereedschappen die [appellant] in de buddyseat van zijn scooter vervoerde, waren bedoeld voor het repareren van zijn scooter als deze kapot zou gaan. Verder is de rechtbank ten onrechte niet ingegaan op het door [appellant] aangevoerde punt dat zijn zus bij de staandehouding van [datum] 2023 aanwezig was en dit juist een indicatie is dat hij niet met de gereedschappen wilde gaan inbreken.
Beoordeling van het hoger beroep
4. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat voor de vraag of voorwerpen als inbrekerswerktuigen kunnen worden aangemerkt, alle omstandigheden van het geval van belang zijn (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4085). Gelet op alle omstandigheden die de burgemeester naar voren heeft gebracht, is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat de burgemeester zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat de voorwerpen in de buddyseat van [appellant] inbrekerswerktuigen in de zin van artikel 2:44 van de APV waren. De Afdeling onderschrijft de hiervoor onder 2.1 weergegeven overwegingen van de rechtbank. Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
5. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.
6. De burgemeester hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak, voor zover aangevallen.
Aldus vastgesteld door mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A. van de Sluis, griffier.
w.g. Bangma
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van de Sluis
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026
802-1171