202406912/1/A3.
Datum uitspraak: 25 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellant B], beiden wonend [woonplaats],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank NoordÂ-Holland van 14 oktober 2024 in zaken nrs. 24/5171, 24/771, 24/6592 en 24/6593 in het geding tussen:
[appellant A] en [appellant B],
en
het college van burgemeester en wethouders van Haarlem.
Procesverloop
Bij afzonderlijke besluiten van 28 februari 2023 heeft het college [appellant A] een last onder bestuursdwang opgelegd om de vaartuigen [vaartuig A] en [vaartuig B] te verwijderen en verwijderd te houden uit de Haarlemse wateren, voor zover er een ligplaats wordt ingenomen waarvoor een vergunning is vereist.
Bij besluit van 28 februari 2023 heeft het college [appellant B] een last onder bestuursdwang opgelegd om het vaartuig [vaartuig A] te verwijderen en verwijderd te houden uit de Haarlemse wateren, voor zover er een ligplaats wordt ingenomen waarvoor een vergunning is vereist.
Bij afzonderlijke besluiten van 13 februari 2024 heeft college de door [appellant A] en [appellant B] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 14 oktober 2024 heeft de rechtbank, voor zover nu nog van belang, het door [appellant A] en [appellant B] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant A] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 5 januari 2026, waar [appellant A], bijgestaan door [persoon], en het college van burgemeester en wethouders van Haarlem, vertegenwoordigd door B. Hoos, N. Echjijem en M. Bouwman, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. De vaartuigen [vaartuig A] en [vaartuig B] lagen geruime tijd afgemeerd aan de passantensteiger aan het Spaarne. In 2018 is de ligplaatsvergunning voor het vaartuig [vaartuig A] ingetrokken. In 2020 heeft het college aan [appellant B] een last onder dwangsom opgelegd om het vaartuig [vaartuig A] te verwijderen of verwijderd te houden uit de Haarlemse wateren, voor zover er een ligplaats wordt ingenomen of wordt afgemeerd zonder vergunning, ontheffing of aanwijzing van het college. Dit besluit is in rechte vast komen te staan. Omdat het college heeft geconstateerd dat de [vaartuig A] nog steeds zonder ligplaatsvergunning lag aangemeerd aan de passantensteiger aan het Spaarne en er geen concreet zicht is op legalisatie, heeft het college op 28 februari 2023 een last onder bestuursdwang aan [appellant A] en [appellant B] opgelegd. [appellant A] was ten tijde van het nemen van dat besluit namelijk eigenaar van het vaartuig [vaartuig A] en [appellant B] woont op dat vaartuig. Het college heeft ook voor het vaartuig [vaartuig B] op 28 februari 2023 aan [appellant A] een last onder bestuursdwang opgelegd omdat het college heeft geconstateerd dat de [vaartuig B] zonder ligplaatsvergunning lag aangemeerd aan de passantensteiger aan het Spaarne.
Tegen deze lasten onder bestuursdwang afzonderlijk hebben [appellant A] en [appellant B] bezwaar gemaakt. Die bezwaren heeft het college ongegrond verklaard. Vervolgens hebben [appellant A] en [appellant B] daartegen beroep ingesteld. Dat beroep heeft de rechtbank ongegrond verklaard.
Hoger beroep over het vaartuig [vaartuig A]
2. Ter zitting heeft [appellant A] toegelicht dat hij geen eigenaar meer is van de het vaartuig [vaartuig A] en dat zijn hoger beroep zich bovendien richt tot het oordeel over de last onder bestuursdwang voor het vaartuig [vaartuig B]. Voor zover het hoger beroepschrift van [appellant A] gaat over de last onder bestuursdwang voor het vaartuig [vaartuig A], verklaart de Afdeling [appellant A] dan ook niet-ontvankelijk, omdat hij geen procesbelang meer heeft. [appellant A] heeft ter zitting geen redenen aangevoerd op grond waarvan moet worden aangenomen dat hij nog wel procesbelang zou hebben.
3. [appellant B] betoogt in hoger beroep dat de last onder bestuursdwang voor het vaartuig [vaartuig A] ten onrechte is opgelegd. Volgens [appellant B] is er geen sprake van overtreding van artikelen 11 en 16, tweede lid, van de Verordening Haarlemse Wateren 2020 (hierna: Verordening) en was er geen ligplaatsvergunning nodig. Het vaartuig ligt namelijk al meer dan 24 jaar op dezelfde plek, ruim voor inwerkingtreding van de Verordening, en in 1997 heeft de burgemeester bij brief een vrijstelling verleend voor het innemen van een ligplaats in de Haarlemse wateren. Verder betoogt [appellant B] dat het college jarenlang niet heeft aangegeven dat er een ligplaatsvergunning vereist is. Ook heeft de huidige burgemeester volgens [appellant B] beloofd dat het vaartuig [vaartuig A] mocht blijven liggen ter hoogte van de [locatie 1] tot en met [locatie 2] tot de procedure geheel is afgerond.
3.1. Wat [appellant B] in hoger beroep heeft aangevoerd is zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd die gronden ingegaan. [appellant B] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de uitspraak van de rechtbank onjuist of onvolledig zouden zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 5.4 tot en met 6.2 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.
Het betoog slaagt niet.
Hoger beroep over het vaartuig [vaartuig B]
4. [appellant A] heeft ter zitting toegelicht dat zijn hoger beroep gaat over de last onder bestuursdwang voor het vaartuig [vaartuig B]. Weliswaar heeft het college ambtshalve aan [appellant A] voor zijn vaartuig [vaartuig B] een ontheffing voor een nieuwe ligplaats verleend, maar [appellant A] heeft ter zitting betoogd dat hij graag andere ligplaats wil, namelijk aan de passantensteiger aan het Spaarne en met een aansluiting voor elektra en water.
4.1. Daargelaten dat voor het verzoek van [appellant A] de grondslag ontbreekt en buiten de reikwijdte van dit geschil valt, maakt dit niet dat de last onder bestuursdwang onterecht is opgelegd. [appellant A] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling over de last onder bestuursdwang voor het vaartuig [vaartuig B] in de uitspraak van de rechtbank onjuist of onvolledig zou zijn.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
5. Het hoger beroep van [appellant A] over het vaartuig [vaartuig A] is niet-ontvankelijk. Zijn hoger beroep over het vaartuig [vaartuig B] is ongegrond. Het hoger beroep van [appellant B] over het vaartuig [vaartuig A] is ook ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.
6. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep van [appellant A] over het vaartuig [vaartuig A] niet-ontvankelijk;
II. bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.
Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. van Wezep, griffier.
w.g. Minderhoud
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Wezep
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026
844