ECLI:NL:RVS:2026:1728

ECLI:NL:RVS:2026:1728

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 25-03-2026
Datum publicatie 25-03-2026
Zaaknummer 202403434/1/A3
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 15 februari 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam een aanvraag van [appellante] om een bewonersparkeervergunning afgewezen. [appellante] woont aan de [locatie] in Amsterdam. Zij heeft op 2 februari 2023 voor haar adres een bewonersparkeervergunning aangevraagd. Het college heeft deze aanvraag afgewezen. Volgens het college kunnen namelijk in het gebied waarvoor de vergunning is aangevraagd geen parkeervergunningen worden verleend. Het adres van [appellante] ligt in deelvergunninggebied West-6.2 en daar is het vergunningenplafond op nul gesteld. Uit artikel 32, vierde lid, van de Parkeerverordening 2013 (hierna: Parkeerverordening) volgt volgens het college dat een parkeervergunning moet worden geweigerd als het vergunningenplafond van het vergunninggebied is bereikt.

Uitspraak

202403434/1/A3.

Datum uitspraak: 25 maart 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend in Amsterdam,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 april 2024 in zaak nr. 23/2450 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 15 februari 2023 heeft het college een aanvraag van [appellante] om een bewonersparkeervergunning afgewezen.

Bij besluit van 21 maart 2023 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 april 2024 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 25 februari 2026, waar [appellante] is verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. [appellante] woont aan de [locatie] in Amsterdam. Zij heeft op 2 februari 2023 voor haar adres een bewonersparkeervergunning aangevraagd. Het college heeft deze aanvraag afgewezen. Volgens het college kunnen namelijk in het gebied waarvoor de vergunning is aangevraagd geen parkeervergunningen worden verleend. Het adres van [appellante] ligt in deelvergunninggebied West-6.2 en daar is het vergunningenplafond op nul gesteld. Uit artikel 32, vierde lid, van de Parkeerverordening 2013 (hierna: Parkeerverordening) volgt volgens het college dat een parkeervergunning moet worden geweigerd als het vergunningenplafond van het vergunninggebied is bereikt.

Uitspraak rechtbank

2. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college de aanvraag van [appellante] voor een bewonersparkeervergunning terecht heeft afgewezen.

2.1. Daartoe heeft de rechtbank allereerst geoordeeld dat het beroep van [appellante] op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het college geen toezeggingen aan [appellante] heeft gedaan waaraan zij verwachtingen heeft kunnen ontlenen. Dat [appellante] in de veronderstelling verkeerde dat er een parkeerplaats voor haar beschikbaar zou zijn bij haar huidige woning, komt door uitlatingen van de verhuurder. Deze uitlatingen kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet aan het college worden toegerekend.

2.2. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat het college de belangen die [appellante] naar voren heeft gebracht terecht in het kader van de hardheidsclausule heeft betrokken. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat artikel 32, vierde lid, van de Parkeerverordening dwingend is geformuleerd en dat dat betekent dat het college bij het bereiken van het vergunningenplafond geen beoordelings- en beleidsruimte heeft. De rechtbank heeft verder overwogen dat het college bij het toepassen van de hardheidsclausule wel beoordelings- en beleidsruimte heeft. Dat betekent dat het college relatief veel vrijheid heeft en dat de rechtbank de keuzes van het college op dit gebied terughoudend moet toetsen. Het beleid van het college is erop gericht het autogebruik in de stad te reguleren. De regeling wordt daarom strikt toegepast. Alleen in uitzonderlijke gevallen van hardheid kan in afwijking van de Parkeerverordening een parkeervergunning worden verleend. De rechtbank heeft dit beleid niet kennelijk onredelijk of anderszins onjuist geacht. De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat in dit geval het college redelijkerwijs heeft kunnen besluiten geen toepassing te geven aan de hardheidsclausule. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de situatie van [appellante] zich niet in bijzondere mate onderscheidt van de situatie van andere in Amsterdam wonende personen die hun auto nodig hebben. De rechtbank heeft daarbij van belang geacht dat [appellante] ook zonder parkeervergunning haar auto in de buurt kan parkeren. Dat de kosten hiervan hoger zullen zijn dan een reguliere parkeervergunning, maakt nog niet dat het college aan [appellante] een parkeervergunning had moeten toekennen, aldus de rechtbank.

Hoger beroep

3. [appellante] is het niet eens met de afwijzing van haar aanvraag voor een bewonersparkeervergunning. Volgens [appellante] is er bij de verhuizing naar de woning aan de [locatie] in Amsterdam bij haar het vertrouwen gewekt dat zij een parkeervergunning zou krijgen. [appellante] heeft de parkeervergunning nodig voor haar dagelijkse activiteiten. Verder was de verhuizing noodzakelijk, omdat zij vanwege medische redenen niet meer lang kan lopen of traplopen. Ook is [appellante] mantelzorger voor haar ouders die in Gelderland wonen.

Beoordeling van het hoger beroep

4. De Afdeling volgt het oordeel van de rechtbank dat het college de aanvraag van [appellante] voor een bewonersparkeervergunning terecht heeft afgewezen. Door het college is geen concrete toezegging gedaan dat aan [appellante] een parkeervergunning zal worden verleend. De uitlatingen van de verhuurder over de beschikbaarheid van een parkeerplaats bij de woning, wat daar verder ook van zij, kunnen niet aan het college worden toegerekend. Verder heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat de situatie van [appellante] geen bijzondere omstandigheid oplevert op grond waarvan toepassing van de hardheidsclausule gerechtvaardigd is. De extra reistijd die [appellante] kwijt is voor de mantelzorg van haar ouders doordat zij haar auto elders goedkoper parkeert kan, hoe invoelbaar haar wens ook is om haar ouders snel te kunnen bereiken, niet tot die conclusie leiden.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

5. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

6. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A. van de Sluis, griffier.

w.g. Bangma

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van de Sluis

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026

802-1171

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. G.A. van de Sluis

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?