ECLI:NL:RVS:2026:1731

ECLI:NL:RVS:2026:1731

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 25-03-2026
Datum publicatie 25-03-2026
Zaaknummer 202306688/1/R2
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 17 juni 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Breda het verzoek van [appellante] om handhavend op te treden tegen een overtreding van de omgevingsvergunning voor een dakopbouw aan de [locatie] in Breda, afgewezen. [appellante] heeft bij het college een verzoek tot handhaving gedaan omdat de dakopbouw van haar buren [partij A] en [partij B] niet in overeenstemming met de omgevingsvergunning is gebouwd. [partij A] en [partij B] hebben deze dakopbouw in 2022 op het dak van hun woning geplaatst. De dakopbouw is groter dan de vergunning toestaat en steekt een aantal centimeters uit over de erfgrens, waardoor er een overtreding is. Het college vindt handhaven onevenredig, omdat de aard en de omvang van de overtreding gering is. In deze uitspraak gaat de Afdeling in op de vraag of de rechtbank terecht geoordeeld heeft dat handhaven in dit geval onevenredig is.

Uitspraak

202306688/1/R2.

Datum uitspraak: 25 maart 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend in Breda,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-­West-­Brabant van 25 september 2023 in zaak nr. 22/5745 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Breda.

Procesverloop

Bij besluit van 17 juni 2022 heeft het college het verzoek van [appellante] om handhavend op te treden tegen een overtreding van de omgevingsvergunning voor een dakopbouw aan de [locatie] in Breda, afgewezen.

Bij besluit van 10 november 2022 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 september 2023 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

[partij A] en [partij B] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellante] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 19 januari 2026, waar [appellante], bijgestaan door mr. J.R. van Manen, advocaat in Gorinchem, en het college, vertegenwoordigd door drs. W.H. Renger, R. Bastiaansen en D. van Pinxteren, zijn verschenen. Verder zijn op de zitting [partij A] en [partij B], bijgestaan door mr. W.P.N. Remie, advocaat in Tilburg, als partij gehoord.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt.

Het verzoek om handhaving van de Wabo is gedaan op 13 april 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Inleiding

2. [appellante] heeft bij het college een verzoek tot handhaving gedaan omdat de dakopbouw van haar buren [partij A] en [partij B] niet in overeenstemming met de omgevingsvergunning is gebouwd. [partij A] en [partij B] hebben deze dakopbouw in 2022 op het dak van hun woning geplaatst. De dakopbouw is groter dan de vergunning toestaat en steekt een aantal centimeters uit over de erfgrens, waardoor er een overtreding is. Het college vindt handhaven onevenredig, omdat de aard en de omvang van de overtreding gering is. In deze uitspraak gaat de Afdeling in op de vraag of de rechtbank terecht geoordeeld heeft dat handhaven in dit geval onevenredig is.

Omvang van de overtreding

3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat de omvang van de overtreding gering is. Hierover voert zij aan dat de rechtbank daarvoor ten onrechte is uitgegaan van de bevindingen van de toezichthouder die in dienst is bij de gemeente en die tijdens de bouw is komen kijken. Volgens [appellante] had de rechtbank moeten uitgaan van het deskundigenrapport dat zij heeft laten opstellen en waarin een andere conclusie staat.

3.1. De rechtbank heeft gemotiveerd overwogen dat het college mocht uitgaan van de bevindingen van de toezichthouder, omdat hij zijn onderzoek zorgvuldig heeft uitgevoerd. De rechtbank heeft daarbij aan het rapport van Rooimans, dat [appellante] heeft laten opstellen, minder waarde gehecht omdat hij het dak niet open heeft gezien en zijn bevindingen grotendeels op aannames heeft gebaseerd. Wat [appellante] in hoger beroep heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. De Afdeling onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de onder 7.2 en verder opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.

3.2. De Afdeling voegt daar nog aan toe dat zij [appellante] niet volgt in haar betoog dat de gemeten overtreding van de omgevingsvergunning gelijk is aan de overschrijding van de erfgrens. Op basis van de aangeleverde foto’s is te zien dat de opbouw ook aan de andere zijde van de woning uitsteekt. Van de totale overtreding van de maatvoering uit de vergunning, bedraagt de overschrijding van de erfgrens met [appellante] maar enkele centimeters. Dat deel van de overtreding bestaat bovendien uit gevelbekleding van de dakopbouw, die kan worden verwijderd als [appellante] een dakopbouw er tegenaan bouwt. [partij A] en [partij B] hebben verklaard tot die verwijdering te zullen overgaan als [appellante] een dakopbouw gaat realiseren.

3.3. Wel merkt de Afdeling op dat er in hoger beroep enige onduidelijkheid is ontstaan over de daadwerkelijke omvang van de overtreding aan de zijde van [appellante]. In hoger beroep heeft [appellante] het civiele vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant tussen haar en [partij A] en [partij B] van 16 april 2025 overgelegd. Hierin staat dat de erfgrens met enkele centimeters is overschreden, evenals de toezichthouder heeft geconstateerd. Maar de metingen van de deskundige die in het civiele vonnis worden genoemd, wijken twee centimeter af van de metingen waarop het college zich heeft gebaseerd. De Afdeling heeft de metingen van deze deskundige alleen niet kunnen verifiëren omdat [appellante] het deskundigenrapport niet heeft overgelegd. [appellante] heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat de metingen van de toezichthouder zodanig afwijken van de feitelijke situatie dat het college zijn besluit daar niet op had mogen baseren. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat de omvang van de overtreding gering is.

Onevenredigheid van handhaving

4. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college van handhaven mocht afzien omdat dit onevenredig zou zijn. Hierover voert zij aan dat de toezegging van [partij A] en [partij B] dat zij mee zullen werken als [appellante] zelf een dakopbouw wil realiseren niet betrouwbaar is. Verder had de rechtbank volgens haar de hoge kosten van handhaving niet in haar oordeel mogen betrekken.

4.1. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678, geldt bij handhavingsbesluiten bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak (uitspraak van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285). Daarbij geldt als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving blijft dus voorop staan. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.

4.2. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat zich hier zo’n bijzonder geval voordoet. Weliswaar hebben [partij A] en [partij B] de afgegeven vergunning overtreden en moet daar in beginsel tegen worden opgetreden, daar staat tegenover dat de gevolgen van de overtreding gering zijn. Bij dit oordeel weegt de Afdeling mee dat zowel uit de bevindingen van de toezichthouder als het civiele vonnis van de rechtbank

Zeeland-West-Brabant blijkt dat de overschrijding van de perceelsgrens er niet aan in de weg staat dat [appellante] zelf een dakopbouw kan plaatsen. Beide deskundigen hebben toegelicht dat zij dit op eenzelfde manier kan doen als [partij A] en [partij B] dit hebben gedaan. Wel moet daarvoor de gevelbekleding van de bestaande dakopbouw worden verwijderd. [partij A] en [partij B] hebben meermaals toegezegd hieraan mee te zullen werken. Bovendien luidt het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant dat dit moet worden opgenomen in de nog vast te leggen erfdienstbaarheid tussen [appellante] en [partij A] en [partij B]. Het college is er daarom terecht van uitgegaan dat [partij A] en [partij B] deze toezegging daadwerkelijk na zullen komen. Ook is gebleken dat [appellante] geen andere nadelige gevolgen van de dakopbouw ondervindt.

4.3. Daarnaast betekent handhavend optreden voor [partij A] en [partij B] dat zij hun dakopbouw deels opnieuw moeten bouwen. Dit is ingrijpend en gaat gepaard met hoge kosten. [appellante] heeft daarover terecht aangevoerd dat de mogelijk ernstige financiële gevolgen van handhaving op zichzelf geen grond bieden om af te zien van handhaving. Toch betekent dat niet dat de nadelige gevolgen van handhaving in zijn geheel niet kunnen worden meegenomen. Deze kunnen er in samenhang met de geringe aard en omvang van de overtreding toe leiden dat van handhaving moet worden afgezien. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 24 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:455, onder 4.2.

4.4. In dit geval zijn de gevolgen van handhaving voor [partij A] en [partij B] dusdanig groot in verhouding tot de geringe omvang van de overtreding en de beperkte gevolgen daarvan voor [appellante] dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het college mocht afzien van handhavend optreden.

Conclusie

5. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

6. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.B. Blomberg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.M. Ahmady-Pikart, griffier.

w.g. Blomberg

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Ahmady-Pikart

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026

638-1192

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. R.M. Ahmady-Pikart

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?