202403158/1/A3.
Datum uitspraak: 25 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Rijswijk,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 29 maart 2024 in zaak nr. 22/5600 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk.
Procesverloop
Bij besluit van 15 november 2021 heeft het college beslist op het verzoek van [appellant] op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob).
Bij besluit van 26 juli 2022 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 15 november 2021 gedeeltelijk herroepen en aanvullende documenten openbaar gemaakt.
Bij uitspraak van 29 maart 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] en het college hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 2 februari 2026, waar [appellant], en het college, vertegenwoordigd door mr. I.L. Ruitenbeek, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Op 24 april 2021 heeft [appellant] bij het college een verzoek gedaan op grond van de Wob. Het verzoek ziet op documenten over de aanwezigheid van asbesthoudende materialen in zijn huurwoning. Met het besluit van 15 november 2021 heeft het college het rapport van de melding Asbestverwijdering van 16 oktober 2018 openbaar gemaakt. In bezwaar heeft [appellant] gespecificeerd dat zijn verzoek ook ziet op documenten uit de jaren na 2018, die hebben geleid tot de (al dan niet) verwijderde asbest in 2021. In het besluit van 26 juli 2022 heeft het college nog drie documenten openbaar gemaakt. Het gaat om de asbestinventarisatie van 6 februari 2019, een aanvraagformulier voor renovatie van 86 portiekwoningen in Rijswijk van 25 maart 2019 en een Advies van de Omgevingsdienst Haaglanden van 30 april 2019. Het college heeft de persoonsgegevens uit deze documenten niet openbaar gemaakt op grond van artikel 5.1, eerste lid, onder d en e van de Wet open overheid (hierna: de Woo). Daarbij heeft het college gesteld dat andere gevraagde documenten niet zijn aangetroffen. [appellant] is het niet eens met de besluitvorming.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep van [appellant] ongegrond verklaard. De rechtbank heeft eerst overwogen dat de Woo van toepassing is op het bestreden besluit, omdat dit besluit is genomen na de inwerkingtreding van de Woo op 1 mei 2022 en de Woo geen overgangsrecht kent. Verder heeft de rechtbank vastgesteld dat waar in de stukken huisnummers zijn weggelakt door het college dit op één enkele weglakking na niet het huisnummer van [appellant] betreft. Het college heeft op bladzijde ii van de Asbestinventarisatie in de eerste zin direct onder ‘samenvatting en conclusie’ de vermelde huisnummers van [persoon] weggelakt, waaronder die van [appellant]. Uit de context heeft de rechtbank opgemaakt dat dit is gedaan omdat anders inzage wordt gegeven in het huisnummer van de woning die niet is onderzocht. Dit heeft de rechtbank rechtens niet onjuist geacht. Ook heeft de rechtbank geoordeeld dat het college het besluit wat betreft het weglakken van de huisnummers niet goed heeft gemotiveerd, omdat de gemeente dit had moeten doen op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e van de Woo. De rechtbank heeft het gebrek gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), omdat zij het aannemelijk heeft gevonden dat [appellant] hierdoor niet is benadeeld. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat [appellant] het niet aannemelijk heeft gemaakt dat er ondanks de uitkomsten van het onderzoek van het college, toch meer documenten onder hem moeten berusten. De stelling van het college dat hij niet over meer stukken beschikt dan hij heeft verstrekt is de rechtbank niet ongeloofwaardig voorgekomen.
Beoordeling van het hoger beroep
3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de Woo van toepassing is op het besluit van 26 juli 2022. Ook betoogt [appellant] dat de rechtbank dit besluit ten onrechte in stand heeft gelaten. Hij heeft de aanvullende stukken pas laat in de bezwaarfase ontvangen en hij heeft hierover pas verweer kunnen voeren bij de rechtbank. Zowel zijn procedurerechten als inhoudelijke rechten en belangen zijn daarmee zwaar geschonden en hij is dus wel, anders dan de rechtbank heeft overwogen, benadeeld. Daarnaast heeft [appellant] niet kunnen vinden waar in de asbestinventarisatie zijn huisnummer zou zijn weggelakt. De rechtbank heeft vermoedelijk andere stukken zonder gelakte passages gekregen. Hoe dan ook is [appellant] het er niet mee eens dat de huisnummers zijn gelakt, omdat daardoor niet inzichtelijk is welke woningen niet zijn onderzocht. Tot slot heeft [appellant], zo voert hij aan, niet gesteld dat het college documenten achterhoudt, zoals de rechtbank ten onrechte overweegt. Hij heeft gesteld dat mogelijk documenten zijn achtergebleven door fouten. De rechtbank heeft het college ten onrechte als betrouwbaar aangemerkt tegenover appellant, aldus [appellant].
3.1. Het betoog over de toepassing van de Woo is een herhaling van wat [appellant] in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 2 opgenomen overwegingen.
3.2. Verder is de Afdeling van oordeel dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat er, in tegenstelling tot de uitkomst van het onderzoek door het college, ten tijde van het besluit van 26 juli 2022 bepaalde documenten onder het college berustten. Wat dat betreft kan de Afdeling zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 3.8 tot en met 3.10 opgenomen overwegingen. Daar voegt de Afdeling aan toe dat zij de zoekslag zoals deze destijds door het college is uitgevoerd voldoende zorgvuldig acht. Het college heeft na het bezwaar van [appellant] een nieuwe zoekslag uitgevoerd en daarbij aanvullende documenten openbaar gemaakt. In beroep heeft het college navraag gedaan bij de Omgevingsdienst Haaglanden om te controleren of de stukken compleet waren. Dit bleek het geval. Naar het oordeel van de Afdeling bestond er voor het college geen aanleiding om te veronderstellen dat er nog meer documenten onder de Omgevingsdienst berustten. Hoewel uit de door [appellant] in hoger beroep overgelegde tweede waarschuwingsbrief van 27 november 2025 van de Omgevingsdienst Haaglanden blijkt dat er een eindbeoordeling van de renovatie bestond van 24 februari 2021, blijkt uit diezelfde brief ook dat de Omgevingsdienst Haaglanden die pas in 2025 in het kader van een handhavingsverzoek van de verhuurder heeft ontvangen, zodat deze ten tijde van het verzoek nog niet onder het college berustte.
3.3. De Afdeling is echter van oordeel dat de rechtbank, na het oordeel dat de persoonsgegevens op basis van een de verkeerde wettelijke grondslag niet openbaar zijn gemaakt, het besluit van 26 juli 2022 ten onrechte in stand heeft gehouden omdat het weglakken van de huisnummers alsnog kon plaatsvinden op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e van de Woo. Anders dan de rechtbank, is de Afdeling van oordeel dat het college niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom de adresgegevens uit de openbaar gemaakte stukken zijn weggelakt. Indien het college bepaalde gegevens in het kader van de Woo weglakt ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer, dient zij op grond van het derde lid van dat artikel kenbaar te maken waarom er in dat geval sprake is van een schending van de persoonlijke levenssfeer, en waarom dit zwaarder dient te wegen dan het belang van de openbaarmaking. Dat heeft het college niet gedaan. Het college heeft in het besluit van 26 juli 2022 slechts toegelicht dat het op verzoek van het onderzoeksbureau dat het asbestonderzoek heeft uitgevoerd gegevens heeft weggelakt die herleidbaar zijn tot personen. Dit was kennelijk omdat, zoals de rechtbank heeft overwogen, anders inzage wordt gegeven in woningen die niet zijn onderzocht. Dat zegt echter niets over de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, laat staan waarom dat belang zwaarder weegt dan het belang van de openbaarmaking. Ook op de zitting bij de Afdeling heeft het college deze belangenafweging niet verder toegelicht. In dit verband heeft het college alleen gewezen op de wens van het onderzoeksbureau en op de omstandigheid, kennelijk betrekking hebbende op het belang van de verhuurder, dat veel huurwoningen tegenwoordig koopwoningen worden, en dat het niet de bedoeling is dat via de Woo informatie openbaar wordt die potentiële kopers niet zouden hebben. In tegenstelling tot wat de rechtbank heeft overwogen kan naar het oordeel van de Afdeling het voorkomen dat inzage wordt gegeven in het huisnummer dat niet is onderzocht, geen belang opleveren dat de toepassing van de uitzonderingsgrond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e van de Woo rechtvaardigt. Het college heeft niet deugdelijk gemotiveerd waarom het belang van de persoonlijke levenssfeer het weigeren van deze informatie rechtvaardigt.
Het betoog slaagt.
4. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd, voor zover zij daarbij het beroep ongegrond heeft verklaard. De Afdeling zal het beroep van [appellant] tegen het besluit van het college van 26 juli 2022 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. Dat betekent dat het college opnieuw op het bezwaar moet beslissen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen. In het nieuwe besluit zal het college ook informatie die inmiddels onder hem is komen te berusten die onder de reikwijdte van het verzoek valt moeten worden betrokken, zoals de op de zitting besproken eindbeoordeling uit 2021, die op 9 juli 2025 door de Omgevingsdienst Haaglanden is ontvangen in het kader van het handhavingsverzoek.
5. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken. Het college moet wel het door [appellant] betaalde griffierecht vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 29 maart 2024 in zaak nr. 22/5600, voor zover zij het beroep ongegrond heeft verklaard;
III. verklaart het beroep in die zaak gegrond;
IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk van 26 juli 2022, kenmerk 22.053151/BZW.1.21.0541.01;
V. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 279,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. J. Schipper-Spanninga, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A. van de Sluis, griffier.
w.g. Schipper-Spanninga
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van de Sluis
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026
802-1166