202306522/1/R2.
Datum uitspraak: 25 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:
1. Deponie Zuid B.V., gevestigd in Maastricht,
2. VTTI Bio-Energy Tilburg B.V. (hierna: VBT), gevestigd in Hilvarenbeek,
appellanten,
en
de raad van de gemeente Tilburg,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 6 juli 2023 heeft de raad het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Spinder 2017, partiële herziening" (het bestemmingsplan) vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben VBT en Deponie Zuid B.V. beroep ingesteld.
De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
De raad en VBT hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 24 november 2025, waar VBT, vertegenwoordigd door [gemachtigde A], vergezeld door
[persoon] en bijgestaan door mr. W.G.B. van der Ven, advocaat in Rotterdam, Deponie Zuid B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde B], en de raad, vertegenwoordigd door D. Nas-van Helvoort, bijgestaan door
mr. S.M. Schipper, advocaat in Breda, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 13 februari 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. Het plangebied van het bestemmingsplan omvat de locatie
De Spinder, in het noorden van Tilburg, nabij de Midden-Brabantweg. Op De Spinder vindt gespecialiseerde afvalverwerking plaats. Het bestemmingsplan voorziet in het uitsluiten van nieuwe mestbewerkingsbedrijven op De Spinder en in het uitsluiten van uitbreiding van het daar gevestigde, bestaande mestbewerkingsbedrijf. Dit is, volgens de bij het bestemmingsplan behorende toelichting, gebeurd door het opnemen van een verbod in de bestemmingsbeschrijving en een expliciet verbod bij de gebruiksregels.
Volgens de plantoelichting is de provincie van mening dat vestiging van mestbewerkers op een bedrijventerrein met zware milieucategorieën in beginsel toelaatbaar is. De provincie heeft aangegeven op zoek te zijn naar bedrijventerreinen die volgens het Integraal Bedrijventerreinen Informatie Systeem (IBIS) nog ruimte hebben voor mestbewerking. Volgens de plantoelichting is De Spinder echter niet zo’n bedrijventerrein. Bovendien is een grootschalige mestbewerker daar, volgens de toelichting, niet passend in de beleidsdoelstellingen van provincie en gemeente. De ligging van
De Spinder in Landschapspark Pauwels en nabij natuurgebieden is daar een belangrijke reden voor.
3. Ten behoeve van de mestvergistingsinstallatie heeft het college van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant (GS) op 10 mei 2016 een natuurvergunning, en op 4 april 2018 een omgevingsvergunning verleend. Op 1 april 2022 hebben GS een omgevingsvergunning verleend voor een milieu neutrale wijziging van de vergunning van 4 april 2018. Op 7 juli 2023 hebben GS een omgevingsvergunning verleend voor het vergroten en het verplaatsen van een luchtwasser bij de mestvergister.
Over de verlening van de vergunningen van 1 april 2022 en 7 juli 2023 zijn beroepsprocedures bij de rechtbank aanhangig. De rechtbank heeft daarin op 31 oktober 2025 een tussenuitspraak gedaan.
Onder meer het college van burgemeester en wethouders van Tilburg heeft GS verzocht om de vergunningen van 10 mei 2016 en 4 april 2018 in te trekken. Ook daarover was een gerechtelijke procedure aanhangig, waarin de rechtbank, ook op 31 oktober 2025, uitspraak heeft gedaan. Bij deze uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de afwijzing van de intrekkingsverzoeken gegrond verklaard en het daartoe strekkende besluit van GS van 8 november 2022 vernietigd.
Niet in geschil is dat de regeling in het bestemmingsplan in de weg staat aan vestiging van nieuwe mestbewerkende bedrijven op De Spinder en aan uitbreiding van het bestaande mestbewerkingsbedrijf op De Spinder, maar dat de regeling niet beoogt te verhinderen dat de hiervoor besproken, vergunde mestbewerking op De Spinder plaatsvindt.
Toetsingskader
4. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
De beroepsgronden
- Over de goede ruimtelijke ordening
5. VBT en Deponie Zuid betogen dat het bestemmingsplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening omdat het ten onrechte de bouw- en gebruiksmogelijkheden van het perceel waarop de mestvergistingsinstallatie in aanbouw is, beperkt. Volgens hen wordt deze beslissing van de raad niet gedragen door een deugdelijke motivering. De raad heeft vanaf 2013 de productie van biogas, inclusief een mestvergistingsinstallatie op de locatie wenselijk geacht. Onduidelijk is welke belangenafweging de raad aan dit volgens hen abrupt gewijzigde standpunt ten grondslag heeft gelegd. Die voldoet naar zij stellen in ieder geval niet, omdat de raad bij de totstandkoming van het plan niet het wettelijk verplichte vooroverleg met de provincie heeft gevoerd. Daarnaast is de raad er ten onrechte van uitgegaan dat De Spinder niet kwalificeert als een industrieterrein dat ruimte biedt aan zwaardere milieucategorieën, zoals afvalverwerking en mestbewerking. Dat standpunt is tegenstrijdig met de omstandigheid dat zij de planologische mogelijkheden daartoe vanaf 2013 juist uitdrukkelijk heeft gecreëerd en geconserveerd.
5.1. De raad heeft erop gewezen dat sinds het verlenen van de omgevingsvergunning voor de mestvergistingsinstallatie in 2018, de regelgeving en het beleid, met name over geur en stikstofuitstoot en
-depositie, ingrijpend zijn gewijzigd.
Verder heeft de raad aan het besluit ten grondslag gelegd dat een grootschalige vorm van mestbewerking op deze locatie niet past in de beleidsdoelstellingen van de provincie en de gemeente. Uit provinciaal beleid blijkt volgens de raad van een versnelde afname van het aantal veehouderijen en dus ook een afname van de hoeveelheden te verwerken mest. Deze afname volgt volgens de raad ook uit landelijke kengetallen. Dat de provincie zich in deze kwestie onder verwijzing naar de Uitvoeringsagenda Mest op het standpunt heeft gesteld dat voor de toekomst nog een grote opgave voor mestbewerking te verwachten is, is niet in lijn met het voorgaande en volgens de raad ook onvoldoende onderbouwd.
Volgens de raad zijn dus minder mestbewerkingsinstallaties nodig, die strategisch op de juiste plekken moeten worden geplaatst, namelijk dichtbij de bron en ver weg van gevoelige gebieden. Daaraan voldoet
De Spinder volgens hem niet. Dit bedrijventerreinterrein ligt volgens de raad niet in een regio waar veel mest wordt geproduceerd, maar krijgt door grootschalige mestbewerking wel te maken met een forse stikstofuitstoot in verband daarmee. Daardoor komen de doelstellingen en investeringen in het nabijgelegen Landschapspark Pauwels en de gebiedsgerichte aanpak van nabijgelegen Natura 2000-gebieden onder druk te staan. Ook stelt de raad dat uitbreiding van mestbewerking op De Spinder grote gevolgen kan hebben voor aanwezige en nieuw te bouwen woningen in de omgeving.
Volgens de raad zal verder de afvalberg op (korte) termijn worden afgedekt en een andere functie krijgen, die past binnen de doelstellingen van de gemeente, zoals het ontwikkelen van het Landschapspark Pauwels. Als dit is gerealiseerd, dan ligt volgens de raad een meer natuurlijke, landschappelijke of recreatieve functie van het gebied in het verschiet.
Een grootschalige mestbewerker doet daar afbreuk aan en past daarom niet in de visie op De Spinder.
5.2. In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen.
De Afdeling is van oordeel dat de hiervoor onder 5.1 besproken ruimtelijke argumenten van de raad het besluit kunnen dragen.
Dat, zoals VBT en Deponie Zuid stellen, mestbewerking ter plaatse eerder was toegestaan en het bedrijventerrein De Spinder daarvoor volgens hen juist een geschikte locatie is, leidt niet tot een ander oordeel. Uit de motivering van de raad blijkt dat de ruimtelijke visie op het gebied inmiddels is gewijzigd en dat het bedrijventerrein, door gewijzigde inzichten en omstandigheden, nu niet meer geschikt wordt geacht voor mestbewerking.
De Afdeling ziet verder geen grond voor het oordeel dat het besluit waarin de gewijzigde visie is neergelegd, onzorgvuldig tot stand is gekomen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat rekening is gehouden met de belangen van VBT en Deponie Zuid, doordat het reeds vergunde mestbewerkingsbedrijf op de locatie in het plan is bestemd.
Het vooroverleg dat VBT en Deponie Zuid aan de orde hebben gesteld, is besproken in paragraaf 5.2 van de plantoelichting. Daar wordt verwezen naar een brief van de provincie Noord-Brabant van 15 juli 2022, die gaat over de mestvergistingsinstallatie op "De Spinder". Verder is de raad in het verweerschrift op het vooroverleg ingegaan.
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van
23 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3229) is het bestuurlijk vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid van het Bro in beginsel vormvrij, maar moet het plaatsvinden voordat het ontwerpbesluit ter inzage is gelegd. De reden hiervoor is dat de uitkomsten van het vooroverleg in de besluitvorming moeten worden betrokken.
Uit de plantoelichting, de genoemde brief en het verweerschrift blijkt dat voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan op 24 maart 2022, 12 april 2022 en 7 juni 2022 op bestuurlijk niveau overleg heeft plaatsgevonden met de provincie over de standpunten van de gemeente en de provincie over mestbewerking op De Spinder. Dat de provincie daarover ten tijde van het ter inzage leggen van het ontwerpplan een aan de raad tegengesteld standpunt innam en ook waarom, was de raad daardoor genoegzaam bekend. Onder die omstandigheden is de Afdeling van oordeel dat de wettelijke verplichting tot het voeren van het vooroverleg niet is geschonden. Dat, zoals VBT en Deponie Zuid hebben gesteld, deze overleggen een andere aanleiding hadden, leidt niet tot een ander oordeel. De overleggen gingen inhoudelijk over dezelfde kwestie, namelijk de (on)wenselijkheid van mestbewerking op deze locatie. Het betoog slaagt niet.
- Over de betekenis van enkele planregels
6. VBT en Deponie Zuid betogen verder dat de in het bestemmings-plan opgenomen regels 4.2.2 onder g, en 4.5.1 onder h, onvoldoende rechtszekerheid bieden. Deze bevatten volgens hen open normen, zoals "minder emissies", "hoogwaardigere toepassing" en "groene circulaire meststoffen". Zij wijzen erop dat de planregels volgens rechtspraak van de Afdeling voldoende duidelijkheid moeten bieden over de daarmee toegestane bouw- en gebruiksmogelijkheden. Dat is hier niet het geval, nu de in deze planregels gebruikte termen volgens hen naar eigen inzicht door het college kunnen worden ingevuld, als voor dergelijke activiteiten een omgevingsvergunning is vereist.
6.1. Voor zover dit betoog gaat over artikel 4.5.1, onder h, van de planregels, waarin de norm "uitstoot van emissies" is opgenomen, slaagt dit niet. De Afdeling volgt de raad in het standpunt dat, nu in deze planregel in relatie tot "uitstoot van emissies" direct wordt verwezen naar wat aan emissies is vergund op het moment van inwerkingtreding van het plan, door een vergelijking daarmee, tamelijk eenvoudig beoordeeld kan worden wat een toe- of een afname is. Deze regel is daarom naar het oordeel van de Afdeling voldoende duidelijk.
Voor zover dit betoog gaat over artikel 4.2.2, onder g, van de planregels slaagt het wel. Daarin zijn de zinsneden "een hoogwaardigere toepassing" en "groene circulaire meststoffen" opgenomen. VBT en Deponie Zuid betogen terecht dat deze formuleringen op zichzelf onvoldoende duidelijk zijn over wat daar precies onder moet worden verstaan, en dat deze daarnaast ook in het plan niet zijn gedefinieerd of anderszins verduidelijkt. Daarom bieden deze normen onvoldoende duidelijkheid over de met deze bepaling toegestane bouw- en gebruiksmogelijkheden. Dit laatste geldt ook voor zover in artikel 4.2.2 onder g van de planregels de zinsnede "minder emissies" is opgenomen. De Afdeling acht in deze bepaling ook onvoldoende duidelijk vastgelegd ten opzichte waarvan sprake moet zijn van "minder emissies". Het betoog slaagt.
- Over de ruimtelijke relevantie van artikel 4.1.1, onder c, van de planregels
7. VBT en Deponie Zuid betogen verder dat de raad niet aannemelijk heeft gemaakt dat het bij de capaciteitsgrens in artikel 4.1.1, onder c, van de planregels gaat om een ruimtelijk relevant criterium. Met het stellen van deze grens legt de raad geen juiste relatie tussen de ruimtelijke uitstraling van de inrichting als geheel en die van de daarvan deel uitmakende mestbewerkingsinstallatie. Daarmee miskent de raad volgens hen dat als in de inrichting als geheel bedrijfsprocessen veranderen of worden beëindigd, daarmee ruimte kan ontstaan voor capaciteitsvergroting van de mestvergistingsinstallatie.
7.1. De Afdeling volgt dit betoog niet, omdat de ruimtelijke keuze die de raad hier heeft gemaakt, er nu juist op is gericht om mestbewerking op deze locatie te beperken tot wat was vergund ten tijde van de vaststelling van het plan en dus niet meer te laten uitbreiden, ook niet in het hiervoor door VBT en Deponie Zuid geschetste geval. Onder 5.2 hiervoor is uiteengezet dat en waarom de Afdeling van oordeel is dat de raad deze ruimtelijke keuze heeft kunnen maken. Het betoog slaagt daarom niet.
- Over de financiële uitvoerbaarheid
8. VBT en Deponie Zuid betogen verder dat de financiële uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan onvoldoende is onderbouwd. Zij voeren daartoe aan dat het vergunde bedrijf weliswaar is bestemd, maar dat uitbreidingen en verbeteringen in het gebruik van de mestvergistingsinstallatie door het bestemmingsplan aan beperkingen worden gebonden, wat tot omzetschade en kosten kan leiden. De raad heeft naar zij stellen onvoldoende onderbouwd hoe dergelijke schade en kosten zullen worden ondervangen.
8.1. Bij een beroep tegen een bestemmingsplan kan een betoog over de uitvoerbaarheid van dat plan, waaronder de financieel-economische uitvoerbaarheid, alleen leiden tot vernietiging van het bestreden besluit als de raad redelijkerwijs had moeten inzien dat het plan om financieel-economische of andere redenen op voorhand niet uitvoerbaar is.
De Afdeling ziet geen grond voor dat oordeel. Daarbij is ten eerste van belang dat het mestbewerkingsbedrijf zoals vergund ten tijde van de vaststelling van het plan, in het plan is bestemd. Het gaat dus, zoals ook VBT en Deponie Zuid stellen, alleen om beperkingen aan eventuele uitbreidingsmogelijkheden en een verbod op nieuwvestiging van mestbewerking op De Spinder.
In hoofdstuk 4 van de plantoelichting staat over de financiële uitvoerbaarheid dat eventuele wettelijk verplichte tegemoetkomingen in planschade ten laste van de algemene reserve van de gemeente zullen worden gebracht en dat de gemeentelijke plan- en apparaatskosten zullen worden voldaan uit de algemene middelen. De raad heeft verder een planschaderisicoanalyse van bureau Gloudemans van 8 mei 2023 in het geding gebracht. Volgens dit rapport is daarin een grove inschatting gemaakt van de waardedaling die kan ontstaan door het beperken van de uitbreidingsmogelijkheden van mestbewerking op De Spinder.
VBT en Deponie Zuid hebben deze analyse niet gemotiveerd bestreden. Wel hebben zij ter zitting gesteld dat dit advies slechts een concept is en het onder tijdsdruk tot stand is gekomen. Volgens hen voldoet het daarom niet.
Dit betoog leidt niet tot het ermee beoogde doel. VBT en Deponie Zuid hebben hierover geen deskundig tegenadvies overgelegd. De raad heeft zich redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat er geen redenen zijn waarom het plan op voorhand niet uitvoerbaar is.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
Bestuurlijke lus
9. Gelet op wat hiervoor onder 6.1 is overwogen, is het besluit van
6 juli 2023 genomen in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.
10. De Afdeling ziet aanleiding de raad op grond van artikel 8:51d van de Awb op te dragen om de onder 6.1 vermelde gebreken in het besluit van 6 juli 2023 binnen 16 weken na verzending van deze uitspraak te herstellen. De raad dient daartoe:
- een gewijzigd of een nieuw besluit te nemen waarin de zinsneden "een hoogwaardigere toepassing", "groene circulaire meststoffen" en "minder emissies" in artikel 4.2.2, onder g, van de planregels worden verduidelijkt;
- ten aanzien van de zinsneden "een hoogwaardigere toepassing" en "groene circulaire meststoffen", kan dit bijvoorbeeld gebeuren door deze anders en/of duidelijker te omschrijven in deze bepaling, dan wel hieraan in het plan op een andere wijze een duidelijke begripsomschrijving te geven, bijvoorbeeld door deze op te nemen in de begripsbepalingen;
- ten aanzien van de zinsnede "minder emissies" moet worden verduidelijkt waarmee de emissies als genoemd in deze bepaling moeten worden vergeleken, teneinde te beoordelen of sprake is van een toe- of een afname daarvan.
11. Verder wordt de raad opgedragen om de Afdeling en de andere partijen de uitkomst zo spoedig mogelijk mede te delen en het gewijzigde of nieuwe besluit zo spoedig mogelijk op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen.
12. In de einduitspraak wordt beslist over vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
draagt de raad van de gemeente Tilburg op om binnen 16 weken na verzending van deze tussenuitspraak:
- met inachtneming van overweging 10 de daar genoemde gebreken in het besluit van 6 juli 2023 te herstellen;
- de Afdeling en de andere partijen de uitkomst zo spoedig mogelijk mede te delen en een gewijzigd of nieuw besluit zo spoedig mogelijk op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen.
Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.L. Bolleboom, griffier.
w.g. Van Ravels
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Bolleboom
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026
641
BIJLAGE
Bestemmingsplan "Bedrijventerrein Spinder 2017"
Artikel 4 Bestemmingsomschrijving
4.1.1 Functie
a. De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
1. een bedrijf voor afvalberging, afval(stoffen)verwerking en afval(stoffen)bewerking, waaronder mede wordt begrepen een bio-energiecentrale c.a., het produceren van biogas, een
2. vergistinginstallatie c.a. (vergisters), opslagtanks c.a., pompgebouwen c.a., een nascheidingshal t.b.v. de afvalwaterzuivering c.a., een laadstraat voor de afvoer van gasvormig en vloeibaar biogas c.a. en diverse voorzieningen m.b.t. zuivering, opslag, beveiliging e.d. c.a. ter plaatse van de bedrijfsbestemming aan Vloeiveldweg 8/10;
3. een bedrijf voor afvalwaterzuivering, waaronder mede wordt begrepen het verwerken van slib middels slibvergisting en ontwatering, de productie, levering en opslag van waardevolle producten uit afvalwater en slib, zoals fosfor in de vorm van struviet, een bijbehorende bio-energiecentrale c.a., het produceren, afvoeren en opslaan van (al dan niet vloeibaar) biogas, een vergistinginstallatie c.a. (vergisters), opslagtanks c.a., pompgebouwen c.a., slibontwateringsgebouwen c.a., vloeivelden c.a., een laad- en losvoorziening c.a. en diverse voorzieningen m.b.t. zuivering, opslag, beveiliging e.d. c.a. ter plaatse van de bedrijfsbestemming aan Vloeiveldweg 2;
4. overige bedrijven die passen in een duurzaam energielandschap, zoals bedrijven die zich bezig houden met - niet limitatief - het opwekken van groene energie, recycling, zuivering, afval(stoffen)verwerking en/of afval(stoffen)bewerking;
b. inrichtingen, die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken, zoals bedoeld in artikel 41 Wet geluidhinder jo. onderdeel D van Bijlage 1 van het Besluit omgevingsrecht, alsmede risicovolle inrichtingen, zijn niet toegelaten.
4.2.2 Bedrijfsgebouwen
Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen gelden de volgende regels:
a. de gebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd. Indien geen bouwvlak is aangegeven, geldt het bestemmingsvlak als zodanig;
b. in afwijking van het bepaalde onder a. mogen ondergeschikte delen van een bouwwerk, voor zover gelegen binnen het bestemmingsvlak, het bouwvlak overschrijden;
c. de gebouwen mogen worden gebouwd op een afstand van ten minste 5m van de (zijdelingse) bouwperceelsgrenzen;
d. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 7m, tenzij door middel van een maatvoeringsaanduiding een ander maximum is aangegeven;
e. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 11 m, tenzij door middel van een maatvoeringsaanduiding een ander maximum is aangegeven;
f. ter plaatse van de functie-aanduiding 'windturbine' mogen geen beperkt kwetsbare en kwetsbare objecten worden opgericht.
4.5 Specifieke gebruiksregels
4.5.1 Strijdig gebruik
Onder gebruik in strijd met de bestemming wordt in elk geval begrepen:
a. het storten van puin en afvalstoffen, anders dan ter realisering en/of handhaving van de bestemming;
b. opslag van gerede of ongerede goederen, zoals vaten, kisten bouwmaterialen, werktuigen, machines en onderdelen hiervan, anders dan ter realisering en/of handhaving van de bestemming;
c. opslag van gebruiksklare of onklare voer- en vaartuigen of onderdelen daarvan, anders dan ter realisering en/of handhaving van de bestemming;
d. het gebruik van gronden en bouwwerken voor bewoning, voor zover dit niet onder overgangsrecht valt;
e. het ter plaatse van de functie-aanduiding 'windturbine' in gebruik hebben of houden van beperkt kwetsbare en/of kwetsbare objecten;
f. het gebruik van gronden voor het in stand houden van windturbines die niet meer daadwerkelijk in gebruik zijn;
g. het gebruik van gronden voor het in gebruik hebben en houden van windturbines waarvoor geldt dat de werpafstand bij nominaal toerental groter is dan of gelijk is aan de afstand tot hoogspanningsinfrastructuur, die op het moment van inwerkingtreding van dit plan legaal aanwezig is.
Bestemmingsplan "Bedrijventerrein Spinder 2017, partiele herziening"
Artikel 1.5 mestbewerking
de toepassing van basistechnieken of combinaties daarvan met als doel de aard, samenstelling of hoedanigheid van dierlijke mest te wijzigen, zoals droging, bezinking, (co)vergisting, scheiding, hygienisatie of indamping van mest;
Artikel 3 Aanpassingen van de regels
Artikel 3.1 Toepassingsbereik
De regels van het bestemmingsplan Bedrijventerrein Spinder 2017, zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 29 augustus 2017, zijn onverkort van toepassing voor zover hier niet van is afgeweken in deze partiële herziening.
Artikel 3.2 Aanpassing van de regels: toevoeging aan artikel 4.1.1
Aan artikel 4.1.1 van het bestemmingsplan 'Bedrijventerrein Spinder 2017' wordt toegevoegd een lid c. luidende als volgt:
Mestbewerkingsbedrijven zijn niet toegestaan met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf-1" een inrichting met activiteiten is toegestaan die niet meer capaciteit (aanvoer) van mest omvat dan zoals vergund op het moment van inwerkingtreding van dit plan.
Artikel 3.3 Aanpassing van de regels: toevoeging aan artikel 4.2.2
Aan artikel 4.2.2 van het bestemmingsplan 'Bedrijventerrein Spinder 2017' wordt toegevoegd een lid g. luidende als volgt:
Uitbreiding van bebouwing ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf-1" is uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak, voor zover dat niet leidt tot een toename van capaciteit (aanvoer) van mest zoals vergund op moment van inwerkingtreding van dit plan én voor zover de bebouwing leidt tot minder emissies en of een hoogwaardigere toepassing van groene circulaire meststoffen.
Artikel 3.4 Aanpassing van de regels: toevoeging aan artikel 4.5.1
Aan artikel 4.5.1 van het bestemmingsplan Bedrijventerrein Spinder 2017 wordt toegevoegd een lid h. luidende als volgt:
Het gebruik van gronden en bouwwerken voor mestbewerking, voor zover deze meer capaciteit (aanvoer) van mest of uitstoot van emissies omvat dan zoals vergund op het moment van inwerkingtreding van dit plan.