202305276/1/A3.
Datum uitspraak: 25 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 23 juni 2023 in zaak nr. 22/1338 in het geding tussen:
[appellant]
en
de staatssecretaris van Financiën.
Procesverloop
Bij besluit van 30 augustus 2021 heeft de staatssecretaris het verzoek van [appellant] om openbaarmaking van documenten op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) afgewezen.
Bij besluit van 18 januari 2022 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het primaire besluit herroepen. Met een nieuwe motivering heeft de staatssecretaris het verzoek van [appellant] alsnog afgewezen.
Bij uitspraak van 23 juni 2023 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 18 januari 2022 vernietigd behalve voor zover openbaarmaking van het vertrouwelijk overgelegde rechtshulpverzoek is geweigerd en de staatssecretaris opgedragen een nieuw besluit te nemen.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 14 augustus 2023 heeft de staatssecretaris ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank een nieuw besluit op het bezwaar genomen en het bezwaar van [appellant] gegrond verklaard voor zover deze ziet op het verzamelen van documenten en de motivering voor de weigering van openbaarmaking (het nieuwe besluit op bezwaar).
[appellant] heeft daartegen gronden aangevoerd.
De staatssecretaris heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en een nader stuk ingediend.
[appellant] heeft de Afdeling toestemming, als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), verleend om kennis te nemen van de niet openbaar gemaakte stukken.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 december 2025, waar [appellant] en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. W. Rodenburg, M. Acer MSc en T.T.P. de Vos, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Op 14 juni 2021 heeft [appellant] de staatssecretaris verzocht om openbaarmaking van alle informatie die direct of indirect betrekking heeft op wederzijdse rechtshulp tussen Nederland en Australië betreffende Nederlandse (rechts)personen in strafzaken betreffende fraude, witwassen en alle belasting- en douanedelicten gedurende de periode van 1 januari 2014 tot aan de datum van het verzoek. Het gaat hierbij onder meer om wederzijdse rechtshulpverzoeken (inkomend en uitgaand), correspondentie tussen de Nederlandse en de Australische autoriteiten, notities en andere documenten en informatie-uitwisseling zonder voorafgaand rechtshulpverzoek. Ook heeft [appellant] verzocht om openbaarmaking van de informatie die in het kader van het samenwerkingsverband "Joint Chiefs of Global Tax Enforcement" (het J5-samenwerkingsverband) tussen de Nederlandse en Australische autoriteiten is uitgewisseld, waaronder correspondentie, notities en andere documenten. In zijn verzoek heeft [appellant] toegelicht dat dit zich niet uitstrekt tot wederzijdse rechtshulpverzoeken betreffende de uitlevering van personen, het overdragen of omzetten van straffen en het betekenen van juridische aanzeggingen.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de staatssecretaris niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe hij heeft gezocht naar documenten over inkomende en uitgaande rechtshulpverzoeken en over informatie-uitwisseling binnen het J5-samenwerkingsverband. Zij heeft het ook aannemelijk geacht dat de zoekslag ten onrechte is beperkt tot het zoeken naar rechtshulpverzoeken en informatie-uitwisseling, terwijl ook correspondentie onder het verzoek valt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [appellant] aannemelijk gemaakt dat er meer voor het verzoek relevante documenten bij de FIOD berusten dan in de zoekslag zijn gevonden.
3. De weigering van de staatssecretaris om het gevonden document openbaar te maken met een beroep op artikel 10, tweede lid, onder a, van de Wob, was naar het oordeel van de rechtbank gerechtvaardigd. Daarbij heeft zij overwogen dat een rechtshulpverzoek per definitie een aangelegenheid is tussen twee staten en dat deze verzoeken in het interstatelijk diplomatiek verkeer als strikt vertrouwelijk worden aangemerkt. Ook is door Australië expliciet verzocht om geheimhouding in het rechtshulpverzoek. Om dit standpunt in te nemen, hoefde de staatssecretaris naar het oordeel van de rechtbank geen zienswijze te vragen aan de Australische autoriteiten. In deze situatie behoefde ook niet per document of per onderdeel van een document te beoordelen of er gegevens in staan die niet onder de geheimhouding vallen.
Wettelijk kader
4. Op 1 mei 2022 is de Wet open overheid (Woo) in werking getreden. Het besluit op bezwaar dat in deze zaak ter beoordeling staat, is genomen op 18 januari 2022, dus voor 1 mei 2022. Dat betekent dat de Wob op dit besluit nog van toepassing is. (Zie de uitspraak van de Afdeling van 15 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1699, onder 1.2). Het nieuwe besluit op bezwaar dat ook in deze zaak ter beoordeling staat, is genomen op 14 augustus 2023, dus na 1 mei 2022. Dat betekent dat de Woo op dit besluit van toepassing is. Voor de relevante bepalingen uit de wetgeving wordt verwezen naar de bijlage. Deze maakt deel uit van de uitspraak.
Gronden van het hoger beroep
5. [appellant] vindt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de staatssecretaris mocht weigeren het rechtshulpverzoek openbaar te maken met een beroep op artikel 10, tweede lid, onder a, van de Wob. Hij betoogt dat uit het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Australië inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken (het rechtshulpverdrag) volgt dat een rechtshulpverzoek niet per definitie wordt aangemerkt als "strikt vertrouwelijk" in het interstatelijk diplomatiek verkeer. De staatssecretaris had volgens hem dus moeten motiveren dat de Australische autoriteiten hebben verzocht om vertrouwelijkheid ten aanzien van het rechtshulpverzoek als geheel en dat van deze vertrouwelijkheid niet al op voorhand afstand is gedaan omdat uitvoering van het verzoek anders niet mogelijk zou zijn. Ook had de staatssecretaris volgens [appellant] moeten motiveren waarom ten tijde van het besluit op bezwaar (gedeeltelijke) openbaarmaking van het rechtshulpverzoek er nog steeds toe kon leiden dat internationale contacten stroever zullen gaan lopen. [appellant] voert aan dat uit de toelichtende nota bij het rechtshulpverdrag blijkt dat een belang bij vertrouwelijkheid van rechtshulpverzoeken in de praktijk nauwelijks voorkomt en dat - als daar al sprake van is - dit van tijdelijke aard is. Dit hangt samen met de openbaarheid van het strafproces.
Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is het volgens [appellant] niet aannemelijk dat de verhoudingen tussen Nederland en Australië onder druk zouden komen te staan door alleen te vragen naar de zienswijze van de Australische autoriteiten op openbaarmaking van het rechtshulpverzoek. [appellant] voert aan dat tijdens de totstandkoming van de Woo expliciet is gewezen op de mogelijkheid de betreffende staat of organisatie te consulteren in het kader van deze weigeringsgrond. Uit de rechtspraak blijkt dat dit ook in de praktijk regelmatig gebeurt in het kader van rechtshulpverzoeken.
6. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de staatssecretaris niet gehouden was te beoordelen en te motiveren of delen van het document wel geopenbaard hadden kunnen worden. Hij wijst in dit kader op de wetsgeschiedenis van de Woo. Volgens [appellant] valt niet in te zien waarom gegevens als de datum van het rechtshulpverzoek, de delicten en het soort rechtshulp waar het verzoek betrekking op heeft en de relevante wetsartikelen, niet openbaar gemaakt hadden kunnen worden. Ook ontbreekt ten aanzien van deze informatie de door artikel 10, tweede lid, onder a, van de Wob vereiste belangenafweging.
Beoordeling van het hoger beroep
Toepassing van de a-grond
7. Op grond van artikel 10, tweede lid, onder a, van de Wob (de a-grond) blijft verstrekking van informatie ingevolge de Wob achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van de betrekkingen van Nederland met andere staten en met internationale organisaties. Dit is een relatieve weigeringsgrond, wat betekent dat het bestuursorgaan - in dit geval de staatssecretaris - een afweging moet maken tussen het algemeen belang van openbaarmaking en het belang dat beschermd wordt door de weigeringsgrond. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling wordt met de a-grond beoogd te voorkomen dat de wettelijke plicht tot het verstrekken van informatie tot gevolg heeft dat de Nederlandse internationale betrekkingen schade zouden kunnen lijden. Zie daarvoor de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling (Kamerstukken II 1986/87, 19 859, nr. 3, blz. 34). Voor toepassing van deze bepaling is voldoende dat als gevolg van het verschaffen van informatie valt te voorzien dat het internationale contact op bepaalde punten stroever zal gaan lopen. Daarvoor zijn concrete aanwijzingen nodig. Deze concreetheid kan eruit bestaan dat aan Nederland uitdrukkelijk te verstaan is gegeven dat op de vertrouwelijkheid van de desbetreffende documenten wordt gerekend. Ook uit de aard en inhoud van de gevraagde informatie zelf kan volgen dat die voor een andere staat of internationale organisatie vertrouwelijk is. De Afdeling verwijst naar haar uitspraken van 16 februari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP4737, onder 2.5.1 en 19 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5627, onder 6.3.
7.1 De Afdeling heeft kennis genomen van de door de staatssecretaris vertrouwelijk overgelegde documenten. Het gaat om het aan de Nederlandse autoriteiten gerichte rechtshulpverzoek van de Australische autoriteiten (inclusief bijlagen), de Nederlandse vertaling van dat rechtshulpverzoek en de begeleidende brief bij het rechtshulpverzoek. Deze documenten heeft de staatssecretaris in hun geheel geweigerd openbaar te maken.
7.2 Zoals de Afdeling in haar uitspraak van 26 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1295, onder 3.2, heeft overwogen, is de gegevensuitwisseling tussen staten in het kader van internationale rechtshulp in strafzaken naar zijn aard vertrouwelijk. Openbaarmaking van informatie die de samenwerking betreft, zal daarom in de regel de internationale betrekkingen en samenwerking schaden. Dat is in dit geval niet anders. Uit artikel 8 van het rechtshulpverdrag volgt, anders dan [appellant] betoogt, dat vertrouwelijkheid het uitgangspunt is bij rechtshulpverzoeken tussen Nederland en Australië. Er wordt slechts een uitzondering gemaakt in het geval het verzoek niet ten uitvoer kan worden gelegd zonder het vertrouwelijk karakter aan te tasten. Dat vertrouwelijkheid het uitgangspunt is, blijkt ook uit de (standaard) vertrouwelijkheidsclausule die de Australische autoriteiten gebruiken in hun correspondentie en in het rechtshulpverzoek. Hierin wordt verzocht om strikte vertrouwelijkheid ten aanzien van het bestaan, de inhoud en de uitvoering van het verzoek. De Afdeling is daarom met de rechtbank van oordeel dat de staatssecretaris zich op het standpunt heeft mogen stellen dat openbaarmaking van de gevraagde informatie ertoe kan leiden dat het internationale contact op bepaalde punten stroever zal verlopen. Het tijdsverloop tussen het rechtshulpverzoek en het moment van besluitvorming maakt dat niet anders, omdat niet is gebleken dat de verzochte vertrouwelijkheid in tijd is begrensd. Wat [appellant] heeft aangevoerd over andere gevallen waarin de minister van Justitie en Veiligheid naar aanleiding van Wob-verzoeken wel heeft besloten informatie over inkomende rechtshulpverzoeken openbaar te maken, leidt niet tot een andere conclusie alleen al omdat de details van die gevallen niet bekend zijn.
Ook is de Afdeling het met de rechtbank eens dat de staatssecretaris geen zienswijze over de vertrouwelijkheid behoefde te vragen aan de Australische autoriteiten. Vanwege de aard van de samenwerking en de verzoeken om vertrouwelijkheid in de documenten, mocht de staatssecretaris ervan uitgaan dat de Australische autoriteiten rekenden op vertrouwelijkheid. Gelet op het bovenstaande, mocht de staatssecretaris naar het oordeel van de Afdeling een grotere betekenis toekennen aan het belang van de internationale betrekkingen dan aan het belang van openbaarmaking.
7.3 Het betoog slaagt niet.
Motivering van de weigering per onderdeel
8. [appellant] betoogt dat de staatssecretaris per onderdeel van de documenten had moeten motiveren waarom openbaarmaking werd geweigerd. Dat betoog volgt de Afdeling niet. Gelet op de aard van de samenwerking en het uitgangspunt van vertrouwelijkheid dat daarbij geldt, kon de staatssecretaris volstaan met een motivering die voor het hele document geldt.
8.1 Het betoog slaagt niet.
Tussenconclusie van het hoger beroep
9. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep ongegrond is. De Afdeling zal hieronder het beroep van [appellant] tegen het nieuwe besluit op bezwaar beoordelen.
Het nieuwe besluit op bezwaar
10. Naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank heeft de staatssecretaris opnieuw een besluit genomen op het bezwaar van [appellant] en dit gegrond verklaard voor zover dit ziet op het verzamelen van documenten en de motivering voor de weigering documenten openbaar te maken. Dit besluit is op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb onderdeel van dit geding.
In het kader van het nieuwe besluit op bezwaar heeft de staatssecretaris een nieuwe zoekslag uitgevoerd. Deze zoekslag heeft 3 documenten opgeleverd over 2 inkomende rechtshulpverzoeken van Australië en 14 documenten over 5 uitgaande rechtshulpverzoeken van Nederland. Delen van deze documenten bevatten volgens de staatssecretaris politiegegevens, waarop de Woo niet van toepassing is. Voor zover de documenten gegevens bevatten waarop de Woo wel van toepassing is, heeft de staatssecretaris openbaarmaking van de documenten geweigerd met een beroep op artikel 5.1, tweede lid, onder a, c en e, van de Woo. De zoekslag naar documenten over informatie-uitwisseling binnen het J5-samenwerkingsverband heeft geen documenten opgeleverd die vallen onder het verzoek van [appellant].
Gronden van het beroep tegen het nieuwe besluit op bezwaar
11. Volgens [appellant] is het ongeloofwaardig dat onder de staatssecretaris niet meer relevante documenten berusten dan vermeld zijn in het nieuwe besluit op bezwaar. Uit het Wob-verzoek dat hij gelijktijdig bij het ministerie van Justitie en Veiligheid heeft ingediend, blijkt dat in dezelfde periode door dit ministerie 80 rechtshulpverzoeken zijn geregistreerd die door de Australische autoriteiten zijn ingediend. Van deze 80 rechtshulpverzoeken hebben 41 verzoeken betrekking op belastingfraude en witwassen, waardoor het volgens [appellant] aannemelijk is dat zij door de FIOD zijn opgepakt. Voor uitgaande rechtshulpverzoeken gericht aan de Australische autoriteiten geldt dat het ministerie van Justitie en Veiligheid in dezelfde periode 60 rechtshulpverzoeken heeft geregistreerd, waarvan 30 betrekking hadden op witwassen. Volgens [appellant] moeten er daarom meer rechtshulpverzoeken zijn dan genoemd worden in het nieuwe besluit op bezwaar.
Verder vindt [appellant] het ongeloofwaardig dat er over de aangetroffen inkomende en uitgaande rechtshulpverzoeken niet meer documenten zijn dan in het nieuwe besluit op bezwaar zijn vermeld. Bovendien heeft de staatssecretaris onvoldoende toegelicht hoe de zoekslag naar documenten is verricht.
12. [appellant] betoogt ook dat de staatssecretaris met het nieuwe besluit op bezwaar ten onrechte heeft geweigerd de aangetroffen documenten openbaar te maken. Tegen de weigering van de staatssecretaris om documenten openbaar te maken met een beroep op artikel 5.1, tweede lid, onder a, van de Woo, brengt [appellant] in dat de staatssecretaris een te verstrekkende uitleg heeft gegeven aan de vertrouwelijkheid die geldt op basis van het rechtshulpverdrag en dat niet voldoende is gemotiveerd dat er ten tijde van het nieuwe besluit op bezwaar concrete aanwijzingen waren dat openbaarmaking van de documenten zou leiden tot het stroever lopen van internationale contacten. Voor zover er wel sprake is van een terecht beroep op artikel 5.1, tweede lid, onder a, van de Woo, kan dit volgens [appellant] niet voor deze documenten in hun geheel gelden.
De weigering van de staatssecretaris om documenten openbaar te maken met een beroep op artikel 5.1, tweede lid, onder c, van de Woo, is volgens [appellant] niet gemotiveerd. Dat melding wordt gemaakt van lopende opsporingsonderzoeken is daarvoor niet voldoende. Daaruit blijkt namelijk niet waarom openbaarmaking, rekening houdend met het tijdsverloop, schadelijk zou zijn voor het belang van opsporing en vervolging.
Tegen de weigering van de staatssecretaris om (delen van) documenten openbaar te maken omdat deze politiegegevens bevatten die niet onder de Woo vallen, brengt [appellant] in dat de staatssecretaris hierbij kennelijk van een onjuiste definitie van politiegegevens uitgaat. Zonder nadere motivering valt volgens hem niet in te zien waarom vrijwel alle informatie in de rechtshulpverzoeken en gerelateerde documenten, valt onder de definitie van politiegegevens in artikel 1, onder a, van de Wet politiegegevens (Wpg). Naar verwachting bevatten de aangetroffen documenten ook gegevens die niet onder deze definitie vallen.
13. Verder betoogt [appellant] dat de staatssecretaris ten onrechte heeft nagelaten de weigering van de openbaarmaking per onderdeel van de aangetroffen documenten te motiveren. Ook heeft de staatssecretaris volgens [appellant] nagelaten op grond van artikel 5.3 van de Woo expliciet te motiveren waarom het te beschermen belang ondanks het tijdsverloop zwaarder weegt dan het algemeen belang van openbaarheid.
Beoordeling van het beroep tegen het nieuwe besluit op bezwaar
Zoekslagen naar documenten
14. Volgens [appellant] moeten er meer documenten zijn die onder zijn verzoek vallen, dan vermeld zijn in het nieuwe besluit op bezwaar. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat, wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, het in beginsel aan de verzoeker is om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, een document toch onder het bestuursorgaan berust (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 27 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4850). Bij de beoordeling of een stelling van een bestuursorgaan de Afdeling niet ongeloofwaardig voorkomt, zal worden betrokken op welke wijze het onderzoek is verricht (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 4 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1743).
14.1 De staatssecretaris heeft in het nieuwe besluit op bezwaar een toelichting gegeven op de uitgevoerde zoekslagen. Eerst is er in de registratie van inkomende rechtshulpverzoeken en in het systeem waarin de onderzoeken van de FIOD worden bijgehouden gezocht naar rechtshulpverzoeken die binnen het verzoek vallen. Vervolgens is handmatig in mailboxen en op netwerkschijven gezocht naar de correspondentie en andere documenten die bij de gevonden rechtshulpverzoeken horen.
Over de zoekslag naar de informatie-uitwisseling in het kader van het J5-samenwerkingsverband heeft de staatssecretaris toegelicht dat er door de betrokken werkgroepen is gezocht in het systeem waarin de onderzoeken van de FIOD worden bijgehouden en in de mailboxen en op de netwerkschijven van deze werkgroepen.
14.2 Met de beschreven zoekslagen heeft de staatssecretaris naar het oordeel van de Afdeling op zorgvuldige wijze uitvoering gegeven aan het verzoek van [appellant]. Zij vindt de mededeling van de staatssecretaris dat er niet meer documenten zijn daarom geloofwaardig. Dat bij het ministerie van Justitie en Veiligheid binnen de betreffende periode meer inkomende en uitgaande rechtshulpverzoeken zijn geregistreerd die te maken hebben met belastingfraude en witwassen, zoals [appellant] heeft aangevoerd, betekent niet dat er meer documenten bij de staatssecretaris moeten berusten. De staatssecretaris heeft hierover op de zitting van de Afdeling toegelicht dat veel rechtshulpverzoeken eenvoudige verzoeken om informatie betreffen. Deze eenvoudige verzoeken worden opgepakt door de politie en komen niet terecht bij de FIOD, en daarmee ook niet bij de staatssecretaris. Wat [appellant] op de zitting van de Afdeling heeft aangevoerd over het zoeken op basis van de nummers van rechtshulpverzoeken die zijn geregistreerd bij het ministerie van Justitie en Veiligheid, leidt niet tot een andere conclusie omdat de staatssecretaris gemotiveerd heeft betwist dat het mogelijk is op deze kenmerken te zoeken in zijn systemen. Voor zover het gaat om documenten die meer dan vijf jaar oud zijn, heeft de staatssecretaris toegelicht dat deze als regel niet meer kunnen worden verstrekt omdat zij zijn vernietigd vanwege het verstrijken van de bewaartermijn. Voor zover een document desondanks nog wel beschikbaar bleek, is dat volgens de staatssecretaris in deze procedure betrokken. De Afdeling ziet geen aanleiding om aan deze toelichting te twijfelen. De argumenten die [appellant] heeft aangevoerd treffen daarom geen doel.
14.3 Het betoog slaagt niet.
Toepassing van de weigeringsgronden
15. [appellant] betoogt dat de staatssecretaris ten onrechte heeft geweigerd de aangetroffen documenten openbaar te maken en dat ook de motivering van deze weigering tekortschiet. De Afdeling heeft kennis genomen van de door de staatssecretaris vertrouwelijk overgelegde documenten. Het gaat om 1 inkomend rechtshulpverzoek van de Australische autoriteiten, aanvullende documenten die horen bij het rechtshulpverzoek dat in het hoger beroep aan de orde is, 5 uitgaande rechtshulpverzoeken van de Nederlandse autoriteiten en documenten die samenhangen met deze rechtshulpverzoeken. Deze documenten heeft de staatssecretaris in hun geheel geweigerd openbaar te maken. De Afdeling beoordeelt hieronder de toepassing van de weigeringsgronden en de motivering daarvan.
-toepassing van de a-grond-
16. Op grond van artikel 5.1, tweede lid, onder a, van de Woo blijft het openbaar maken van informatie achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van de betrekkingen van Nederland met andere landen en staten en met internationale organisaties. Deze bepaling is gelijk aan de a-grond ingevolge de Wob. De staatssecretaris heeft deze weigeringsgrond toegepast op het inkomende rechtshulpverzoek van Australië en de aangetroffen documenten die horen bij het inkomende rechtshulpverzoek dat aan de orde is in het hoger beroep. Ook heeft de staatssecretaris deze weigeringsgrond toegepast op twee processen-verbaal van ontvangst, waaruit blijkt wat het antwoord was van de Australische autoriteiten op Nederlandse rechtshulpverzoeken. Daarnaast is deze weigeringsgrond toegepast op een e-mailwisseling tussen de Nederlandse en de Australische autoriteiten in het kader van een Nederlands rechtshulpverzoek.
16.1 Het betoog van [appellant] over de toepassing van deze weigeringsgrond is een herhaling van wat hij in hoger beroep heeft aangevoerd over de toepassing van de corresponderende a-grond van artikel 10, tweede lid, van de Wob. Gelet op wat de Afdeling onder 7.2 heeft overwogen, heeft de staatssecretaris een grotere betekenis mogen toekennen aan het belang van de internationale betrekkingen dan aan het belang van openbaarmaking. Dit geldt zowel voor de inkomende rechtshulpverzoeken van de Australische autoriteiten en de bijbehorende documenten, als voor de documenten die betrekking hebben op de opvolging die de Australische autoriteiten geven aan Nederlandse rechtshulpverzoeken. Dit is informatie die op basis van artikel 8, eerste en tweede lid van het rechtshulpverdrag ook valt onder de vertrouwelijkheid die geldt binnen de samenwerking.
16.2 Zoals de Afdeling hiervoor onder 8 heeft overwogen, was de staatssecretaris, gelet op de aard van de samenwerking en het uitgangspunt van vertrouwelijkheid dat daarbij geldt, niet gehouden de weigering van openbaarmaking per onderdeel van de documenten te motiveren. Bij internationale samenwerking in het kader van strafzaken geldt bovendien dat de mogelijke negatieve invloed van openbaarmaking van informatie op de internationale relatie als regel niet afneemt na verloop van vijf jaren. In dit geval geven de documenten ook geen aanleiding voor een andere conclusie. De Afdeling is daarom van oordeel dat de staatssecretaris de toepassing van deze weigeringsgrond voldoende heeft gemotiveerd door te verwijzen naar de aard van de samenwerking en de vertrouwelijkheid die hierbij, ook na het verstrijken van vijf jaren, geldt.
-toepassing van de c-grond-
17. Op grond van artikel 5.1, tweede lid, onder c, van de Woo (de c-grond), blijft openbaarmaking van informatie achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van de opsporing en vervolging van strafbare feiten. De staatssecretaris heeft deze weigeringsgrond toegepast op uitgaande rechtshulpverzoeken van Nederland en documenten die daarmee samenhangen. Omdat de documenten zicht geven op de kennispositie en/of de onderzoeksmethode van de FIOD in lopende onderzoeken of in onderzoeken waarover de gerechtelijke procedure nog loopt, heeft de staatssecretaris zich naar het oordeel van de Afdeling op het standpunt mogen stellen dat het belang van de opsporing en vervolging van strafbare feiten zwaarder weegt dan het algemeen belang van openbaarmaking. Dit heeft hij ook voldoende gemotiveerd. Gelet op het feit dat de documenten in hun geheel inhoudelijke informatie over de betreffende opsporingsonderzoeken bevatten, behoefde de staatssecretaris niet per onderdeel van de documenten een aparte motivering op te stellen. Dat de documenten ook enige informatie van meer feitelijke aard bevatten, doet hieraan niet af. Die informatie valt namelijk niet zinvol te scheiden van de overige informatie. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 19 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5627, onder 9.1.
17.1 Het betoog slaagt niet. Omdat de Afdeling van oordeel is dat de staatssecretaris de openbaarmaking van deze documenten in hun geheel heeft mogen weigeren, behoeft de weigering van de staatssecretaris bepaalde gegevens uit deze documenten openbaar te maken omdat het gaat om politiegegevens ofwel strafvorderlijke gegevens, niet te worden beoordeeld.
Tussenconclusie van het beroep
18. Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond is.
Conclusie
19. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling zal de uitspraak van de rechtbank bevestigen. Het beroep tegen het nieuwe besluit op bezwaar is ongegrond.
20. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Overschrijding van de redelijke termijn
21. Op de zitting van de Afdeling heeft [appellant] verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
21.1 De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste vier jaar redelijk. Hierbij wordt een half jaar gerekend voor de behandeling van het bezwaar, anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep en twee jaar voor de behandeling van het hoger beroep. De termijn begint op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan.
21.2 De staatssecretaris heeft het bezwaarschrift van [appellant] ontvangen op 7 oktober 2021. De redelijke termijn is in deze procedure dus met 6 maanden overschreden. Deze overschrijding moet aan de Afdeling worden toegerekend.
21.3 De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Daarmee wordt de schadevergoeding vastgesteld op € 500,00.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. verklaart het beroep tegen het besluit van de staatssecretaris van 14 augustus 2023 ongegrond;
III. wijst het verzoek om schadevergoeding toe;
IV. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan [appellant] een schadevergoeding van € 500,00 te betalen.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. A. Kuijer en mr. J. Schipper-Spanninga, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. Hartsuiker, griffier.
w.g. Sevenster
voorzitter
w.g. Hartsuiker
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026
620-1032
BIJLAGE
Wettelijk kader
Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Australië inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken, Canberra, 26-10-1988
Artikel 8.
1. De aangezochte Staat handhaaft, in zoverre daarom wordt verzocht, het vertrouwelijk karakter van een verzoek om rechtshulp, de inhoud van een verzoek en begeleidende bescheiden, en het feit dat dergelijke rechtshulp wordt verleend. Indien het verzoek niet ten uitvoer kan worden gelegd zonder het vertrouwelijk karakter aan te tasten, deelt de aangezochte Staat zulks mede aan de verzoekende Staat, die vervolgens bepaalt in hoeverre hij het verzoek wenst te doen uitvoeren.
2. De verzoekende Staat handhaaft, indien zulks is gevraagd, het vertrouwelijk karakter van bewijs en inlichtingen door de aangezochte Staat verstrekt, behalve in zoverre het bewijs en de inlichtingen nodig zijn voor het onderzoek en de vervolging die in het verzoek zijn beschreven.
3. De verzoekende Staat mag het verkregen bewijs of de daaruit afgeleide inlichtingen niet gebruiken voor andere doeleinden dan vermeld in het verzoek zonder de voorafgaande toestemming van de aangezochte Staat.
Wet openbaarheid van bestuur
Artikel 10
[…]
2. Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:
a. de betrekkingen van Nederland met andere staten en met internationale organisaties;
[…]
Wet open overheid
Artikel 5.1.
[…]
2. Het openbaar maken van informatie blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:
a. de betrekkingen van Nederland met andere landen en staten en met internationale organisaties;
[…]
c. de opsporing en vervolging van strafbare feiten;
[…]
3. Indien een verzoek tot openbaarmaking op een van de in het tweede lid genoemde gronden wordt afgewezen, bevat het besluit hiervoor een uitdrukkelijke motivering.
[…]
Artikel 5.3.
Bij een verzoek om informatie die ouder is dan vijf jaar motiveert het bestuursorgaan bij een weigering van die informatie waarom de in artikel 5.1, tweede of vijfde lid, of artikel 5.2 bedoelde belangen ondanks het tijdsverloop zwaarder wegen dan het algemeen belang van openbaarheid.