202301323/1/R1.
Datum uitspraak: 25 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
1. Stichting Nekkerzoom, gevestigd in Zuidoostbeemster, gemeente Purmerend,
2. [appellant sub 2] en andere, alle gevestigd in Zuidoostbeemster, gemeente Purmerend,
appellanten,
en
de raad van de gemeente Purmerend,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 22 december 2022 heeft de raad het bestemmingsplan "Vredenburghweg" vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben [appellant sub 2] en andere en Stichting Nekkerzoom beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
Stichting Nekkerzoom en de raad hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 18 november 2025, waar:
- Stichting Nekkerzoom, vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door mr. J.E. Dijk, advocaat te Haarlem,
- [appellant sub 2] en andere, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en
- de raad, vertegenwoordigd door mr. J.P.H. de Bruijn, advocaat te Arnhem, zijn verschenen.
Voorts zijn op de zitting [partij A] en anderen, van wie [partij B] en [partij C], bijgestaan door mr. R. Visser, rechtsbijstandverlener in Heiloo, als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 13 september 2021 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. Het plan voorziet in de realisatie van drie recreatiewoningen en een beheerderswoning op een perceel dat aan de zuidzijde van het perceel [locatie 1] te Zuidoostbeemster grenst. Op het perceel staat nu nog een druivenkas, met een oppervlakte van ongeveer 360 m2. Het perceel wordt gebruikt als volkstuin. Parallel aan de oostkant van het perceel lopen een watergang en de Vredenburghweg. Ten oosten van de weg ligt het bedrijf van [appellant sub 2] met ten oosten daarvan de A7. Aan de westzijde van het perceel met de kas en de volkstuinen liggen akkers en staan diverse bosschages. Ten zuiden van het perceel liggen meer volkstuintjes, waarop enkele gebouwtjes staan en boomgaarden aanwezig zijn.
Op grond van het vorige plan, "Buitengebied Beemster 2012, partiële herziening 2021", gold op het perceel de bestemming "Recreatie" met de aanduiding "volkstuin". Ook de gronden ten zuiden van het plangebied hebben een recreatiebestemming. De gronden ten westen van de gronden met de recreatiebestemming hebben agrarische bestemmingen. Aan het perceel [locatie 1] en aan de andere percelen direct aan het Noorderpad zijn woonbestemmingen toegekend.
2.1. Aan het perceel zijn de bestemming "Recreatie" en de dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie" toegekend. Aan het hele perceel, behalve ter plaatse van de bouwvlakken, is verder de aanduiding "landschap" toegekend.
Er zijn vier bouwvlakken binnen het perceel opgenomen. Binnen drie daarvan geldt de aanduiding "recreatiewoning". Die drie bouwvlakken liggen - gezien vanaf het Noorderpad - achter elkaar op ten minste 85 m van het Noorderpad en op ongeveer 30 m van de Vredenburghweg. Het vierde bouwvlak heeft de aanduiding "bedrijfswoning" en ligt op 55 m van het Noorderpad en op ongeveer 15 m van de Vredenburghweg.
2.2. De relevante provinciale en gemeentelijke regelingen zijn in bijlage I van deze uitspraak opgenomen. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.
Het beroep van Stichting Nekkerzoom
3. Stichting Nekkerzoom is een stichting die zich onder meer inzet voor het behoud van de cultuurhistorische waarden van het gebied waarin het plangebied ligt. Dit gebied maakt deel uit van het UNESCO-Werelderfgoed De Beemster.
Intrekking
4. Stichting Nekkerzoom heeft de beroepsgrond over artikel 6.16 van de Omgevingsverordening van Noord-Holland op de zitting ingetrokken.
Motie
5. Stichting Nekkerzoom betoogt dat de raad van de voormalige gemeente Beemster op 30 november 2021 heeft besloten een motie aan te nemen, waarin het college van burgemeester en wethouders is opgeroepen om de kernkwaliteiten van het gebied beter uit te werken. Daaraan is nog geen gevolg gegeven, zodat het plan niet deugdelijk is voorbereid en gemotiveerd, aldus Stichting Nekkerzoom.
5.1. De Afdeling volgt Stichting Nekkerzoom niet in dit betoog. Een door de raad aangenomen motie is een politieke wens en is niet op rechtsgevolg gericht. Een aangenomen motie is dus geen besluit en kan ook niet gelijkgesteld worden met een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb en schept dus geen juridische verplichtingen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 27 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2160). Alleen al daarom kan voor de vraag of in het bestemmingsplan de kernkwaliteiten van het gebied voldoende zijn gewaarborgd, aan de motie niet de betekenis worden gehecht die Stichting Nekkerzoom daaraan hecht. Dit nog daargelaten dat de voormalige gemeenten Purmerend en Beemster per 1 januari 2022 zijn samengevoegd en het een motie van de voormalige gemeente Beemster betrof. Dit betoog faalt.
Strijd met provinciale regelgeving
Kernkwaliteiten van de UNESCO Werelderfgoederen
6. Stichting Nekkerzoom betoogt dat de kernwaarden van de Beemster onaanvaardbaar worden aangetast. Zij stelt dat de openheid wordt aangetast, dat de inrichting van het plangebied het landschap zal verstoren en dat de beoogde vorm van de gebouwen niet is geborgd in de planregels. Onder verwijzing naar artikel 6.49 van de Omgevingsverordening stelt zij dan ook dat de kernkwaliteiten van de kernwaarden van UNESCO Werelderfgoed "droogmakerij De Beemster" en de "Stelling van Amsterdam", zoals uitgewerkt in de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie, onvoldoende zijn geborgd. Artikel 4 van de planregels biedt volgens haar namelijk onvoldoende bescherming van die kernwaarden. Stichting Nekkerzoom verwijst in dit verband naar de uitspraken van de Afdeling van 28 december 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:3970), onder 8.3 en 8.4, en 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:838, onder 20.1.
6.1. Vast staat dat het plangebied ligt in het werkgebied "Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde". De Afdeling begrijpt het standpunt van de raad aldus dat het bestemmingsplan volgens hem niet in strijd met artikel 6.49, tweede en derde lid, van de Omgevingsverordening is vastgesteld, omdat de voorziene bouw- en gebruiksmogelijkheden niet leiden tot een aantasting van de kernkwaliteiten als bedoeld in artikel 6.49, eerste lid, van de Omgevingsverordening, maar ten minste tot de instandhouding daarvan. In wat Stichting Nekkerzoom heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat dit standpunt van de raad onjuist is. Een verdergaande borging in de planregels van die waarden is daarom volgens de raad ook niet nodig. Ook dit standpunt kan de Afdeling in dit geval goed volgen, omdat hier - anders dan bijvoorbeeld in voormelde uitspraak van 28 december 2022 - niet gaat om bebouwing die vanuit een cultuurhistorisch en/of archeologisch oogpunt waarde toekomt. Verder neemt de Afdeling in aanmerking dat de locatie niet ligt op een liniedijk, acces of in een specifiek te behouden zichtlijn. Evenmin ligt de locatie in een inundatiegebied. Wel ligt de locatie binnen een schootcirkel, aan de binnenzijde van de Stelling, maar bevindt deze zich niet binnen het verboden gedeelte van de cirkel en/of in de liniezone. Ook heeft de raad toegelicht dat de bestaande kas op het perceel wordt gesloopt, en dat daardoor, alsmede door de gewijzigde situering van de thans voorziene bouwvlakken en de beperking van de bouwhoogte ten opzichte van het voorgaande bestemmingsplan, het doorzicht op het achterliggende landschap vanaf de weg juist toeneemt. Immers, niet langer is voorzien in één langwerpig bouwvlak, maar drie kleinere bouwvlakken waarmee doorkijkjes worden gecreëerd. Daardoor ontstaat meer openheid en ruimtebeleving wat in lijn is met het doel van de schootcirkels, aldus de toelichting van de raad, die de Afdeling goed kan volgen.
Verder heeft de raad toegelicht dat het openen van het landschap in lijn is met de ambities uit de Leidraad Landschap & Cultuurhistorie. Het plan is volgens de raad verder in overeenstemming met het beleid "Des Beemsters", dat ziet op erfinrichting van percelen binnen de gemeente. Het beleid is gericht op het openhouden van de droogmakerij. In het beleid zijn stedenbouwkundige uitgangspunten geformuleerd voor het inpassen van nieuwe bebouwing. Het is vanuit het oogpunt van openheid volgens de raad wenselijk om bebouwing zo klein en verspreid mogelijk te realiseren. Het voorliggende initiatief voldoet daar volgens de raad aan. De Afdeling ziet geen aanleiding om dit standpunt van de raad niet te volgen. De gekozen opzet respecteert de karakteristiek van het bouwen aan de kop van een polderkavel door het grootste bouwvolume, in dit geval de beheerderswoning, in het noorden te situeren en de kleinere volumes van de recreatiewoningen ten zuiden daarvan.
6.2. Over de inrichting van het erf overweegt de Afdeling dat de voorziene beheerderswoning dichter bij de woning op het perceel [locatie 1] komt te staan dan de kas en dat, gezien vanaf het Noorderpad, de kleinere recreatiewoningen meer in één lijn worden gerealiseerd met de woning op het perceel [locatie 1]. Onder deze omstandigheden heeft de raad met het oog op artikel 6.49, tweede lid, van de Omgevingsverordening mogen stellen dat, gezien de aard en omvang van de voorziene bouw- en gebruiksmogelijkheden, alsmede de gewijzigde situering van de bouwvlakken, de beoogde erfinrichting geen onaanvaardbare aantasting van het landschap oplevert.
6.3. Over de verdere uitvoering van de bebouwing (uiterlijk en ruimtelijke kwaliteit), overweegt de Afdeling dat, gelet op de aard en omvang van de voorziene bouw- en gebruiksmogelijkheden, met het oog op artikel 6.49, tweede lid, van de Omgevingsverordening geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad in dit concrete geval niet mocht volstaan met de waarborgen die de bestemming "Waarde - Cultuurhistorie" voor het plangebied biedt.
Het betoog slaagt niet.
Strijd met artikel 6.4 van de Omgevingsverordening
7. Stichting Nekkerzoom voert aan dat het plan in strijd met artikel 6.4 van de Omgevingsverordening is vastgesteld. Zij voert daartoe aan dat het vorige plan geen stedelijke functie toestond op het perceel, zodat gelet op artikel 6.4, aanhef en onder a, van de Omgevingsverordening geen kleinschalige ontwikkeling, zoals nu voorzien is, is toegestaan. Stichting Nekkerzoom wijst er daarbij op dat de recreatieve mogelijkheden en bouwmogelijkheden die het vorige plan toestond, niet in redelijkheid kunnen worden beschouwd als een stedelijke functie.
7.1. De Afdeling stelt vast dat het plangebied in een gebied ligt dat in de Omgevingsverordening is aangewezen als landelijk en dat artikel 6.4 van de Omgevingsverordening van toepassing is. In het vorige plan was aan het hele perceel, evenals in dit plan het geval is, de bestemming "Recreatie" toegekend, naast de aanduiding "volkstuin". Binnen die bestemming waren op grond van artikel 16.1 kleinschalige vormen van dag- en verblijfsrecreatie toegestaan (onder a) en ter plaatse van de aanduiding "volkstuin" volkstuinen (onder b). Recreatiewoningen waren daar, vanwege het ontbreken van een aanduiding "recreatiewoning", gelet op het bepaalde in artikel 16.1, onder c, van het vorige plan niet toegestaan.
Omdat de ontwikkeling beperkt is tot de toevoeging van drie recreatiewoningen en een beheerderswoning heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat dit als een kleinschalige ontwikkeling moet worden aangemerkt.
Verder ziet de Afdeling, gelet op de ruime omschrijving in de Omgevingsverordening van het begrip "stedelijke functie", geen grond voor het oordeel dat de raad de in het vorige plan toegekende bestemming "Recreatie" en waar ook werd voorzien in een bouwvlak in verband met de aanduiding "volkstuin", niet als een stedelijke functie heeft mogen aanmerken. De Afdeling ziet daarom geen grond voor het oordeel dat de raad het plan in strijd met artikel 6.4 van de Omgevingsverordening heeft vastgesteld. Dit betoog slaagt niet.
Strijd met Structuurvisie Beemstermaat (hierna: de Structuurvisie).
8. Stichting Nekkerzoom betoogt dat het plan in strijd is met paragraaf 4.3 van de gemeentelijke Structuurvisie en de nota "Verblijfsrecreatie in het Land van Leeghwater" (hierna: de nota). Volgens Stichting Nekkerzoom mag op grond van de Structuurvisie en de nota alleen een recreatiewoning worden gebouwd op bouwvlakken die voor woondoeleinden of agrarische bedrijven waren bestemd. Die situatie doet zich hier niet voor, omdat het vorige planologische regime alleen voorzag in een bouwvlak in verband met de aanduiding "volkstuin". Bovendien zou er maar één recreatiewoning zijn toegestaan op grond van deze Nota. Tot slot betoogt Stichting Nekkerzoom dat in strijd met de Nota een bungalowpark binnen de gemeente wordt toegevoegd.
8.1. De raad stelt dat de nota beleidsvoorstellen doet voor verschillende vormen van verblijfsrecreatie. De ontwikkeling van kleinschalige verblijfsrecreatie, zoals met dit plan mogelijk wordt gemaakt, past in de door het gemeentebestuur gedragen visie om in te zetten op de doorontwikkeling van de toeristisch-recreatieve potentie van droogmakerij De Beemster. Het is dus passend in het beleid om recreatie en toerisme, waaronder kleinschalige verblijfsrecreatie, binnen de Beemster te versterken.
8.2. In paragraaf 4.3 van de Structuurvisie is vermeld dat het gemeentebestuur aansluit bij de ontwikkeling van het bestaande samenwerkingsverband Land van Leeghwater. De stuurgroep hiervan heeft de nota opgesteld.
In paragraaf 6.13 van de nota is vermeld:
"Woonfunctie
Op bouwvlakken die voor woondoeleinden, dan wel agrarische bedrijven zijn bestemd, mag maximaal één recreatiewoning worden gebouwd. Dit Iaat onverlet dat de maximale bebouwingspercentages op grond van de bestemmingsplanvoorschriften in acht moeten worden genomen. De vloeroppervlakte van een recreatiewoning bedraagt maximaal 75 m2 en de inhoud maximaal 200 m3."
[…]
Voorstel
- Op bouwvlakken bestemd voor woondoeleinden, dan wel agrarische bedrijven, mag maximaal 1 recreatiewoning worden gebouwd, met inachtneming van de maximale bebouwingspercentages/-oppervlakten ten aanzien van bijgebouwen, zoals genoemd in de voorschriften van de betreffende bestemmingsplannen.
[…]"
In paragraaf 6.14 van de nota is vermeld dat er vanuit de markt behoefte is aan verblijf op een bungalowpark. Een bungalowpark biedt de gewenste luxe waar steeds meer om wordt gevraagd. Echter gezien de toenemende druk op het landelijke gebied is het niet wenselijk om meer dan één bungalowpark toe te staan in de gemeenten, aldus de nota. Een bungalowpark is omschreven als een complex bestaande uit recreatiewoningen en/of -eenheden, die geheel of gedeeltelijk voor tijdelijke verhuur door exploitant of beheerder van het complex beschikbaar zijn. In de nota wordt voorgesteld om naast camping ’t Rietbos geen nieuwe bungalowparken toe te staan.
8.3. De Afdeling overweegt dat in het voorliggende geval het perceel niet voor woondoeleinden bestemd is. Alleen al om die reden is paragraaf 6.13 van de nota niet van toepassing. De Afdeling volgt niet het betoog dat de aangehaalde passage zo moet worden uitgelegd dat alleen op bouwvlakken die zijn bestemd voor woondoeleinden of voor agrarische bedrijven, een recreatiewoning mag worden gebouwd.
Verder zijn de drie recreatiewoningen die het plan nu mogelijk maakt volgens de raad niet aan te merken als een complex van recreatiewoningen en dus niet als een bungalowpark als bedoeld in paragraaf 6.14 van de nota. In wat Stichting Nekkerzoom aanvoert ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat die uitleg van de raad niet kan worden gevolgd. Om die reden is paragraaf 6.14 van de nota ook niet van toepassing. Het betoog dat het plan in strijd is met de nota en de Structuurvisie kan daarom niet slagen.
9. Het beroep van Stichting Nekkerzoom is ongegrond.
Het beroep van [appellant sub 2] en andere
10. [appellant sub 2] en andere exploiteren op het perceel [locatie 2], dat ten oosten van het plangebied ligt, een bedrijf waar onder andere met zwaar materieel wordt gewerkt. Op de zitting is gebleken dat hun beroep zich concentreert op de vrees voor klachten van de gebruikers van de beheerderswoning en de recreatiewoningen over hun bedrijfsactiviteiten. Daarom wordt bij de bespreking van het beroep volstaan met de gronden die daarop zijn gericht, zoals ook ter zitting besproken.
Beperking bedrijfsactiviteiten
11. [appellant sub 2] en andere kunnen zich niet verenigen met het plan, omdat de woningen op een afstand van minder dan 100 m vanaf hun bedrijf zijn voorzien. Zij vrezen klachten over de opslagactiviteiten op hun terrein. Er is volgens hen geen rekening gehouden met de milieuzonering zoals aanbevolen in de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering" en hun bedrijfsuitbreidingen zijn nu ten onrechte ingeperkt.
11.1. De raad stelt zich op het standpunt dat omliggende bedrijven geen knelpunten vormen voor dit plan. De afstanden zijn groter dan de richtafstanden die in de VNG-brochure zijn aanbevolen. Verder staat de woning op het perceel [locatie 3] al dichter bij het bedrijf dan de beheerderswoning in het plan, die het dichtst bij het bedrijf is voorzien. De raad wijst erop dat de omgeving is aan te merken als een gemengd gebied, waardoor de aanbevolen afstand op grond van de VNG-brochure kan worden teruggezet naar 50 m. De afstand tussen de geluidproducerende activiteiten en de gevoelige objecten in het plangebied is groter dan 50 m.
11.2. De Afdeling overweegt dat gelet op de bedrijven in de directe omgeving de raad zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het plangebied in een gemengd gebied ligt als bedoeld in de VNG-brochure. De aanbevolen richtafstand van 100 m kan dan met één stap worden teruggebracht tot 50 m. [appellant sub 2] en andere hebben niet bestreden dat zowel de recreatiewoningen als de beheerderswoning op grotere afstand dan 50 m van de geluidproducerende activiteiten van [appellant sub 2] en andere zijn voorzien. In wat [appellant sub 2] en andere hebben aangevoerd ziet de Afdeling dan ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het plan de bedrijfsactiviteiten van [appellant sub 2] en andere op onaanvaardbare beperkt.
Het betoog slaagt niet.
12. Het beroep van [appellant sub 2] en andere is ongegrond.
Conclusie
13. Het beroep van Stichting Nekkerzoom is ongegrond. Het beroep van [appellant sub 2] en andere is ongegrond.
Proceskosten
14. De raad hoeft de proceskosten niet te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep van Stichting Nekkerzoom ongegrond;
II. verklaart het beroep van [appellant sub 2] en andere ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. A. ten Veen, voorzitter en mr. C.C.W. Lange en mr. J. van Breda, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.S. van Helvoort, griffier.
w.g. Ten Veen
voorzitter
w.g. Van Helvoort
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026
361
BIJLAGE I
Provinciale regelgeving
Artikel 6.4 van de Omgevingsverordening luidt:
"Ter plaatse van het werkingsgebied landelijk gebied kan een ruimtelijk plan uitsluitend voorzien in een kleinschalige ontwikkeling, niet zijnde een kleinschalige woningbouwontwikkeling indien:
a. op de ontwikkeling plaatsvindt op een locatie waar een stedelijke functie is toegestaan;
b. het toegestane bebouwd oppervlak niet wordt vergroot; en
c. het aantal burgerwoningen niet toeneemt."
Artikel 6.49 van de Ov luidt:
"1. De kernkwaliteiten van de erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde zijn uitgewerkt en geobjectiveerd in bijlage 7 en bijlage 7a bij de verordening.
2. Een ruimtelijk plan ter plaatse van het werkingsgebied Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde bevat regels gericht op de instandhouding of versterking van de kernkwaliteiten van de erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde moet bevatten.
3. Een ruimtelijk plan ter plaatse van het werkingsgebied Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde voorziet uitsluitend in nieuwe activiteiten die de kernkwaliteiten als bedoeld in het eerste lid niet aantasten."
In bijlage 7 van de Ov is vermeld dat de uitwerking van de kernkwaliteiten is opgenomen in de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie. De tabel moet in samenhang worden gelezen met de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie.
In de tabel van bijlage 7 zijn als kernkwaliteiten van de Beemster genoemd:
"1) Het unieke, samenhangende en goed bewaard gebleven, vroeg zeventiende-eeuwse (landschaps)architectonische geheel van de droogmakerij De Beemster, bestaande uit:
• het vierkante gridpatroon van wegen en waterlopen en rechthoekige percelen;
• de ringdijk en ringvaart (continuïteit en eenheid in vormgeving);
• het centraal gelegen dorp (Middenbeemster) op een assenkruis van wegen;
• bebouwing langs de wegen; de relatief hooggelegen wegen met laanbeplanting;
• de monumentale en typerende (stolp)boerderijen en restanten van buitens;
• de oude negentiende-eeuwse gemalen en molengangen;
• de structuur en het karakter van het (beschermde) dorpsgezicht van Middenbeemster;
2) Grote openheid;
3) Voor zover het werelderfgoed De Beemster samenvalt met het werelderfgoed De Stelling van Amsterdam, zijn de uitgewerkte universele waarden van het werelderfgoed De Stelling van Amsterdam tevens van toepassing op het werelderfgoed De Beemster."
De kernkwaliteiten van de Stelling van Amsterdam zijn:
"1) Het unieke, samenhangende en goed bewaard gebleven, laat negentiende-eeuwse en vroeg twintigste-eeuwse hydrologisch en militair landschappelijk geheel, bestaande uit:
• een doorgaand stelsel van liniedijken in een grote ring om Amsterdam; sluizen en voor- en achterkanalen;
• forten, liggend aan accessen;
• inundatiegebieden;
• voormalige schootsvelden (visueel open) en verboden kringen (merendeels onbebouwd gebied);
• de landschappelijke inpassing en camouflage van de voormalige militaire objecten;
2) Relatief grote openheid;
3) Groene en relatief stille ring rond Amsterdam."
Daarnaast staat in bijlage 7 bij de Omgevingsverordening over specifiek Droogmakerij de Beemster dat de (toenmalige) gemeente Beemster als "siteholder" van het werelderfgoed zelf deze kernkwaliteiten heeft uitgewerkt in gemeentelijk beleid.
In artikel 41 van Bijlage 1 van de Omgevingsverordening is de volgende omschrijving gegeven van kleinschalige ontwikkeling: "nieuwe bebouwing voor stedelijke functies die gelet op de kleinschaligheid en beperkte ruimtelijke gevolgen niet wordt aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, onder i, van het Besluit ruimtelijke ordening".
In artikel 42 is een kleinschalige woningbouwontwikkeling als volgt omschreven: "nieuwe bebouwing voor de functie wonen die gelet op de kleinschaligheid en beperkte ruimtelijke gevolgen niet wordt aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, onder i, van het Besluit ruimtelijke ordening".
In artikel 89 is "stedelijke functies" omschreven als: "functie die verband houden met wonen, bedrijven, voorzieningen, stedelijk water en stedelijk groen".
Gemeentelijke regelgeving
Bestemmingsplan "Vredenburghweg"
Artikel 3.1 van de planregels luidt:
"De voor "Recreatie" aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. kleinschalige vormen van dag- en verblijfsrecreatie;
b. recreatiewoningen maakt ter plaatse van de aanduiding ‘recreatiewoning’;
c. de ontwikkeling en het behoud van openheid en doorzichten ter plaatse van de aanduiding "landschap";
met de daarbij behorende:
d. bebouwing ten behoeve van het recreatiebedrijf en/of beheer, waaronder een bedrijfswoning;"
[…].
Artikel 3.2.2 luidt:
De volgende gebouwen mogen worden gebouwd binnen het bouwvlak:
a. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' mag één bedrijfswoning worden gebouwd, met inachtneming van de volgende regels:
1. de goothoogte en bouwhoogte mogen niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' is aangegeven;
2. de inhoud mag niet meer bedragen dan 600 m3;
3. gebouwen moeten zijn voorzien van een kap haaks op de weg waarvan de dakhelling maximaal de ter plaatse van de aanduiding 'dakhelling (graden)' aangegeven dakhelling mag bedragen;
4. de afstand van een bedrijfswoning tot de zijdelingse perceelsgrens mag niet minder bedragen dan 2,5 m;
5. de oppervlakte van een bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 91 m2;
b. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'recreatiewoningen' mag per bouwvlak één recreatiewoning worden gebouwd, met inachtneming van de volgende regels:
1. de goothoogte en bouwhoogte mogen niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' is aangegeven;
2. gebouwen moeten zijn voorzien van een kap haaks op de weg waarvan de dakhelling maximaal de ter plaatse van de aanduiding 'dakhelling (graden)' aangegeven dakhelling mag bedragen;
3. de oppervlakte van een recreatiewoning mag niet meer bedragen dan 48 m2;
Artikel 4.1 luidt:
"De als 'Waarde - Cultuurhistorie' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. het behoud van de aanwezige cultuurhistorische en landschappelijke waarden;
b. de overige bestemmingen die daaraan zijn toegewezen op basis van de verbeelding."
Artikel 4.2 luidt:
"Op deze gronden mag ten behoeve van de onderliggende bestemming worden gebouwd met in acht name van de aanwezige cultuurhistorische waarden."
Artikel 4.3 luidt:
"Het bevoegd gezag kan voor de bouw van bouwwerken bij afwijking van de bouwregels ten dienste van de onderliggende bestemming eisen dat:
a. de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport overlegt waaruit blijkt dat de cultuurhistorische en landschappelijke waarden van het terrein dat wordt verstoord in voldoende mate is vastgesteld en met deze waarden actief rekening wordt gehouden;
b. alvorens de omgevingsvergunning wordt verleend, advies wordt ingewonnen bij een door het bevoegd gezag aan te wijzen deskundige;
c. er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de cultuurhistorische en landschappelijke waarden van het gebied.
BIJLAGE II
Kernkwaliteiten UNESCO-werelderfgoed droogmakerij De Beemster
1. Het unieke, samenhangende en goed bewaard gebleven, vroeg zeventiende-eeuwse (landschaps)architectonische geheel van de droogmakerij De Beemster, bestaande uit:
- het vierkante gridpatroon van wegen en waterlopen en rechthoekige percelen;
- de ringdijk en ringvaart (continuïteit en eenheid in vormgeving);
- het centraal gelegen dorp (Middenbeemster) op een assenkruis van wegen;
- bebouwing langs de wegen;
- de relatief hooggelegen wegen met laanbeplanting;
- de monumentale en typerende (stolp)boerderijen en restanten van buitens;
- de oude negentiende-eeuwse gemalen en molengangen;
- de structuur en het karakter van het (beschermde) dorpsgezicht van Middenbeemster;
2. Grote openheid;
3. Voor zover het werelderfgoed De Beemster samenvalt met het werelderfgoed De Stelling van Amsterdam, zijn de uitgewerkte universele waarden van het werelderfgoed De Stelling van Amsterdam tevens van toepassing op het werelderfgoed De Beemster.
BIJLAGE III
Kernkwaliteiten UNESCO-werelderfgoed De Stelling van Amsterdam
1. Het unieke, samenhangende en goed bewaard gebleven, laatnegentiende-eeuwse en vroegtwintigste-eeuwse hydrologische en militair-landschappelijke geheel, bestaande uit:
een doorgaand stelsel van liniedijken in een grote ring om Amsterdam;
- sluizen en voor- en achterkanalen;
- de forten, liggend op regelmatige afstand, voornamelijk langs dijken;
- inundatiegebieden;
- voormalige schootsvelden (visueel open) en verboden kringen (merendeels onbebouwd gebied);
- de landschappelijke inpassing en slechte zichtbaarheid van de voormalige militaire objecten.
2. Relatief grote openheid;
3. Groene en relatief stille ring rond Amsterdam.
4. Voor zover het werelderfgoed De Beemster samenvalt met het werelderfgoed De Stelling van Amsterdam, zijn de uitgewerkte universele waarden van het werelderfgoed De Stelling van Amsterdam tevens van toepassing op het werelderfgoed De Beemster.