202501574/1/V2.
Datum uitspraak: 25 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 13 maart 2025 in zaak nr. NL24.19214 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 11 oktober 2024 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 13 maart 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld.
Appellant heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak gelijktijdig met zaken nrs. 202404629/1/V2 en 202407037/1/V2 ter zitting behandeld op 13 augustus 2025, waar appellant, bijgestaan door mr. E. Arslan, advocaat in Amsterdam, en de minister, vertegenwoordigd door mr. A.A. Wildeboer en mr. R.A. Visser, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Appellant heeft de Turkse nationaliteit. Hij was vóór de mislukte couppoging van 15 juli 2016, waarvoor de Turkse autoriteiten de Gülenbeweging verantwoordelijk houden, in Turkije actief voor die beweging. Om die reden is hij in 2019 gearresteerd en strafrechtelijk vervolgd. Appellant is in 2021 vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs. Nadat appellant had vernomen dat tijdens een verhoor van een vriend door de Turkse autoriteiten zijn naam ter sprake was gekomen, heeft hij in mei 2023 Turkije verlaten en op 18 mei 2023 in Nederland een asielaanvraag ingediend. Daaraan heeft hij ten grondslag gelegd dat hij vreest dat hij bij terugkeer naar Turkije opnieuw zal worden gearresteerd en strafrechtelijk zal worden vervolgd. Tijdens zijn verblijf in Nederland is appellant erachter gekomen dat ook tijdens het verhoor van een andere vriend zijn naam is genoemd.
1.1. Deze uitspraak gaat onder meer over de vraag of de minister, omdat hij niet binnen de wettelijke beslistermijn op de asielaanvraag van appellant heeft beslist, die aanvraag terecht heeft getoetst aan het met ingang van 1 juli 2024 in werking getreden landenbeleid voor Turkije, waarin voor "(toegedichte) Gülenaanhangers" een risicoprofiel geldt (het risicoprofielenbeleid; zie WBV 2024/12, Stcrt. 2024, nr. 19165). In het tot 1 juli 2024 geldende landenbeleid voor Turkije had de minister "(toegedichte) Gülenaanhangers" aangewezen als risicogroep, waardoor zij hun vrees voor vervolging bij terugkeer met geringe indicaties aannemelijk konden maken (het risicogroepenbeleid). In het risicogroepenbeleid zoals de minister daar tot 1 december 2023 invulling aan gaf, nam hij al snel een risico op vervolging aan, ook als een "(toegedichte) Gülenaanhanger" geen geringe indicaties in de zin van dat beleid aannemelijk had gemaakt. Dit leidde in de regel tot inwilliging van de asielaanvraag. Zie ook de uitspraak van de Afdeling van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:1607, onder 5.6.
1.2. De minister heeft geloofwaardig geacht dat appellant in Turkije strafrechtelijk is vervolgd wegens zijn betrokkenheid bij de Gülenbeweging. Appellant valt daarmee onder de groep "(toegedichte) Gülenaanhangers" waarvoor een risicoprofiel geldt. De minister heeft zich echter op het standpunt gesteld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Turkije opnieuw zal worden vervolgd. Daartoe acht de minister van belang dat appellant en zijn familie sinds zijn vrijspraak geen problemen hebben ondervonden van de kant van de Turkse autoriteiten. Voor zover appellant heeft verklaard dat twee vrienden die worden beschuldigd van het ‘herstructureren’ van de Gülenbeweging, zijn naam hebben genoemd tegenover de Turkse autoriteiten, heeft de minister erop gewezen dat zij volgens appellant toen ook hebben verklaard dat hij geen deel uitmaakt van die beweging. Daarnaast heeft appellant sinds zijn vrijspraak geen activiteiten meer voor de Gülenbeweging verricht. Dat hij in de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten staat of zal komen te staan, heeft appellant dan ook slechts gebaseerd op aannames en vermoedens, aldus de minister.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister op de asielaanvraag van appellant terecht het sinds 1 juli 2024 geldende risicoprofielenbeleid heeft toegepast. Dat de minister niet binnen de wettelijke beslistermijn op die aanvraag heeft beslist, leidt volgens de rechtbank niet tot een ander oordeel. De enkele omstandigheid dat een vreemdeling door toepassing van nieuw beleid in een ongunstigere positie komt, is onvoldoende om af te wijken van het uitgangspunt dat de minister toetst aan het beleid zoals dat geldt op het moment dat een besluit wordt genomen. Verder heeft de rechtbank overwogen dat de minister in lijn met voormeld beleid, niet ten onrechte van appellant heeft verlangd dat hij zijn vrees op individuele gronden aannemelijk maakt en dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat appellant met wat hij naar voren heeft gebracht daar niet in is geslaagd.
Bespreking grieven
3. De eerste grief richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de minister terecht het risicoprofielenbeleid heeft toegepast. Appellant betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat zich in zijn geval een bijzondere omstandigheid voordoet op grond waarvan een uitzondering had moeten worden gemaakt op het uitgangspunt dat een aanvraag wordt getoetst aan het beleid dat geldt ten tijde van het nemen van het besluit. Als de minister namelijk binnen de wettelijke termijn op zijn asielaanvraag van 18 mei 2023 had beslist, zou hem op grond van het risicogroepenbeleid, zoals de minister dat tot 1 december 2023 toepaste, een verblijfsvergunning zijn verleend. Ter ondersteuning van zijn betoog verwijst appellant naar de uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ2518.
3.1. Vast staat dat de minister niet binnen de in artikel 42, eerste lid, van de Vw 2000 genoemde termijn van zes maanden op de asielaanvraag van appellant heeft beslist.
3.2. Zoals de Afdeling in voormelde uitspraak van 27 februari 2013, onder 5.3, heeft overwogen, geldt als uitgangspunt bij het nemen van een besluit dat het op dat moment geldende recht moet worden toegepast en dat de enkele omstandigheid dat een belanghebbende door toepassing van nieuw recht in een ongunstiger positie komt, onvoldoende is om van dit uitgangspunt af te wijken, tenzij er sprake is van een bijzonder geval.
3.3. Hoewel appellant terecht stelt dat het tot 1 december 2023 geldende beleid ruimhartiger was, heeft de rechtbank in de omstandigheid dat de minister de wettelijke beslistermijn niet in acht heeft genomen, terecht geen aanleiding gezien om een bijzonder geval als hiervoor bedoeld aan te nemen. De Afdeling neemt hierbij allereerst in aanmerking dat de rechtbank onbestreden heeft overwogen dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat de minister moedwillig heeft gewacht met het nemen van een besluit tot na 1 juli 2024. Verder kent het met ingang van 1 juli 2024 geldende risicoprofielenbeleid weliswaar in algemene zin een hogere bewijsdrempel in vergelijking met het beleid zoals de minister dat tot 1 december 2023 voor Gülenisten voerde, maar dat betekent niet dat daardoor minder bescherming wordt geboden. Steeds beoordeelt de minister bij het nemen van een besluit op een asielaanvraag aan de hand van de overgelegde bewijsmiddelen, afgelegde verklaringen en gegeven uitleg, in het licht van de op dat moment beschikbare landeninformatie, of de vrees voor vervolging gegrond is of het risico op ernstige schade reëel is. Tot slot volgt uit het tot 1 december 2023 gevoerde beleid niet dat de minister voor Gülenisten van groepsvervolging uitging. Anders dan appellant betoogt, staat het dus niet vast dat het enkel zijn van Gülenist al maakte dat hij vóór 1 december 2023 de vluchtelingenstatus had, in die zin dat hij door Nederland was erkend als vluchteling. Dit nog daargelaten dat verschil moet worden gemaakt tussen de vluchtelingenstatus en de vraag die hier aan de orde is, namelijk of appellant in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 7 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4518, onder 5.1.
3.4. De grief slaagt niet.
4. De tweede grief richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de minister, in overeenstemming met het toepasselijke beleid, van appellant mag verlangen dat hij zijn vrees voor vervolging op individuele gronden aannemelijk maakt. Volgens appellant heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de inhoud van de stukken die hij heeft overgelegd, in essentie niet afwijkt van de informatie uit het Algemeen ambtsbericht Turkije van augustus 2023, waaruit volgt dat de risico’s voor Gülenisten op strafrechtelijke vervolging zijn afgenomen. Appellant betoogt, onder verwijzing naar algemene informatie over de situatie voor Gülenisten in Turkije, dat van een afname van de risico’s geen sprake is. Ook wijst hij erop dat bronnen in het ambtsbericht van 2023 de door hen geconstateerde afname in intensiteit van de vervolging van Gülenisten niet met concrete gegevens konden onderbouwen.
4.1. Op 1 december 2023 heeft de minister een wijziging doorgevoerd in het risicogroepenbeleid voor Gülenisten. Daardoor spitst de minister vanaf die datum de beoordeling van asielaanvragen van Gülenisten meer toe op de door de betrokken vreemdeling naar voren gebrachte individuele omstandigheden. Uit de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:1607, onder 7.7-7.10, volgt dat de minister, gelet op de beschikbare informatie over de situatie voor Gülenisten in Turkije, waaronder het ambtsbericht van 2023, redelijkerwijs tot deze beleidswijziging heeft kunnen komen. De informatie die appellant heeft overgelegd, komt in de kern overeen met de informatie die de Afdeling in die uitspraak heeft betrokken. Omdat het risicoprofielenbeleid, waaraan de minister de asielaanvraag van appellant heeft getoetst, voortborduurt op de beleidswijziging van 1 december 2023, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de minister zijn risico op vervolging mocht beoordelen aan de hand van de door hem naar voren gebrachte individuele omstandigheden.
4.2. De grief slaagt niet.
5. De derde grief richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de minister zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Turkije een risico op vervolging loopt. Appellant wijst op de feiten en omstandigheden die hij naar voren heeft gebracht en verwijst naar algemene informatie over de situatie voor Gülenisten in Turkije.
5.1. De rechtbank heeft onbestreden overwogen dat de minister bij het onder 5 weergegeven standpunt terecht heeft betrokken dat appellant na zijn vrijspraak in 2021 tot aan zijn vertrek in mei 2023 geen problemen meer heeft ondervonden van de kant van de Turkse autoriteiten, terwijl zij wisten waar hij verbleef, dat zijn familie of andere mensen in zijn omgeving geen problemen hebben ervaren wegens zijn eerdere strafzaak en dat zijn twee vrienden tijdens hun verhoor door de politie niet belastend over hem hebben verklaard.
5.2. Anders dan appellant betoogt, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de minister niet ten onrechte uit zijn verklaringen heeft afgeleid dat hij in de twee jaren na zijn vrijspraak minder actief voor de Gülenbeweging was dan zijn twee vrienden. Appellant heeft namelijk verklaard dat zijn twee vrienden heel actief waren voor die beweging, onder meer in Istanbul, terwijl hij over zichzelf heeft verklaard dat hij alleen met vrienden is blijven praten over de beweging, dat hij niet meer openlijk is uitgekomen voor zijn ideeën en dat zijn activiteiten eigenlijk zijn opgehouden na de coup. De rechtbank is de minister verder terecht gevolgd in zijn standpunt dat appellant weliswaar ook heeft verklaard dat hij met vrienden sprak over het bieden van hulp aan familieleden van gedetineerde Gülenisten, maar dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij daaraan zelf actief heeft bijgedragen.
5.3. Voorts betoogt appellant dat de rechtbank in navolging van de minister ten onrechte bij haar oordeel heeft betrokken dat hij geen oproep of aanhoudingsbevel heeft overgelegd. Hij wijst erop dat uit landeninformatie over Turkije, waaronder het ambtsbericht van 2023, volgt dat stukken in het juridisch informatiesysteem van de Turkse overheid, genaamd UYAP, tijdens de onderzoeksfase niet altijd raadpleegbaar zijn. De Afdeling ziet hierin echter geen aanleiding om de uitspraak van de rechtbank te vernietigen, omdat het oordeel van de rechtbank ook zonder dit argument stand kan houden. Het betoog van appellant veronderstelt namelijk dat er opnieuw een strafrechtelijk onderzoek naar hem is gestart. Maar gelet op wat onder 5.1 en 5.2 is overwogen, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant geen concrete aanknopingspunten naar voren heeft gebracht waaruit blijkt dat hij na zijn vrijspraak opnieuw in de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten is komen te staan.
5.4. Wat er ook zij van het betoog van appellant dat het risicoprofielenbeleid nadeliger kan uitwerken in vergelijking met het risicogroepenbeleid zoals dat tussen 1 december 2023 en 1 juli 2024 werd gevoerd, de rechtbank heeft gelet op het voorgaande terecht overwogen dat niet valt in te zien dat appellant bij toepassing van laatstgenoemd beleid zijn vrees voor vervolging met geringe indicaties aannemelijk heeft gemaakt.
5.5. De grief slaagt niet.
5.6. De vierde grief, die zich richt tegen de conclusie van de rechtbank dat het beroep ongegrond is, heeft geen zelfstandige betekenis en behoeft daarom geen bespreking.
Conclusie
6. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, voorzitter, en mr. M. Soffers en mr. J.J.W.P. van Gastel, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier.
w.g. Wissels
voorzitter
w.g. Prins
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026
363-1143